1. BEGINNENDE GELETTERDHEID
DE VERWERVING VAN BEGINNENDE GELETTERDHEID
BEGINNENDE GELETTERDHEID = De vroege fase van schriftelijke taalverwerving lopend vanaf de
geboorte tot het moment dat een kind de elementaire lees- en spelhandeling onder de knie heeft
Het kind begint zich te oriënteren op geschreven taal.
SCHRIFTELIJKE TAALVERWERVING= Het gaat hier niet alleen over letters, maar ook over
afbeeldingen, pictogrammen en symbolen die boodschappen weergeven
LEESBEGRIP = Taalbegrip + Technisch lezen (bv. Klanken leren onderscheiden, letters koppelen
aan klanken)
PSEUDOLEESGEDRAG
Het kind doet alsof hij een boek leest door met zijn vinger de tekst te volgen en/of een leesintonatie
te gebruiken. Hij verzint hierbij zelf de tekst of hij kent de tekst van het boek uit hoofd (inzicht in de
leesrichting, lezen om te genieten).
BËINVLOEDENDE FACTOREN
1. Taalbewustzijn
De kleuter heeft het lastig met spelen met en nadenken over taal (klanken, woorden en
zinnen los van hun betekenis).
2. Mondelinge taal
De kleuter heeft moeite met de mondelinge taal, in de moedertaal en/of in het Nederlands:
Hij is bijvoorbeeld moeilijk verstaanbaar. Hij heeft moeite met het begrijpen en/of gebruiken
van woorden en zinnen. Hij kan een kort verhaal moeilijk volgen of vertellen.
3. Letterkennis
De kleuter herkent geen of maar een paar letters. Dit signaal is pas relevant wanneer de
leerkracht reeds verschillende letters heeft aangeboden in de klas.
4. Fonemisch bewustzijn
De kleuter hoort geen losse klanken in woorden (bv. /v/ in ‘vis’). Dit signaal is minder
relevant in de tweede kleuterklas, wanneer dit nog niet vaak geoefend werd.
5. Familiale aanleg
De kleuter heeft een (groot)ouder of broer/zus met leesproblemen.
6. Snel benoemen
Wanneer kleuters niet goed zijn in het snel benoemen, is meer aandacht bij het
voorbereidend lezen duidelijk aangewezen: de kans is immers groot dat de kleuter ook
moeite zal hebben om letters juist te benoemen. Het heeft geen zin om het snel benoemen
van kleuren, prenten of symbolen te trainen.
7. Gehoor, zicht, geheugen
De kleuter heeft problemen met horen, zien of onthouden.
8. Kansen
De kleuter heeft van thuis uit minder kansen en materialen.
9. Begrip van geschreven taal
De kleuter experimenteert niet of weinig met ‘alsof-lezen of -schrijven’. In zijn krabbels zie
je nog geen kenmerken van zinnen, woorden of letters.
10. Interesse
De kleuter is niet nieuwsgierig naar klanken, letters of boeken.
MINIMUMDOELEN
ORIËNTATIE OP GESCHREVEN TAAL VOORBEREIDING OP HET TECHNISCH
1
, LEREN LEZEN
- 1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van - 1.1.1. De kleuters kunnen rijm
eenvoudige visuele boodschappen herkennen, rijmwoorden bedenken
begrijpen. en woorden in klankgroepen
- 1.2.8 De kleuters kunnen door middel van verdelen (fonologisch bewustzijn).
tekenen, krabbels, symbolen, letter- of - 1.1.2. De kleuters kunnen een
cijfervormen ideeën of gebeurtenissen bepaalde klank in gesproken
vastleggen. woorden op verschillende posities
- 1.2.9 De kleuters kennen de functie van herkennen (fonemisch bewustzijn).
schriftelijke taal om te informeren of te - 1.1.3. De kleuters kunnen een
communiceren. variatie aan klanken in mk-, km-
- 1.2.10 De kleuters kunnen ideeën en mkm-woorden onderscheiden
aanbrengen voor een tekst vanuit (fonemisch bewustzijn).
aangeboden inhouden, eigen ervaringen of - 1.1.4. De kleuters kunnen
creatieve ideeën. minimum 15 letters (korte, lange,
- 1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de tweetekenklinkers en
volgende tekstconventies begrijpen: inzicht medeklinkers) herkennen door de
in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, bijbehorende klank uit te spreken
congruentie tussen tekst en beeld. (klanktekenkoppeling).
- 1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat
teksten een doel hebben: iets onthouden,
iets doen, genieten.
ORIËNTATIE OP GESCHREVEN TAAL
Een leerlijn oriëntatie op geschreven taal voor jongste en oudste kleuters.
In een leerlijn hou je rekening met de ontwikkeling van DOEN-ALSOF SCHRIJVEN.
Aanvankelijk schrijven kleuters maar wat KRABBELS neer wanneer ze iets proberen ‘schrijven’ in
2
DE VERWERVING VAN BEGINNENDE GELETTERDHEID
BEGINNENDE GELETTERDHEID = De vroege fase van schriftelijke taalverwerving lopend vanaf de
geboorte tot het moment dat een kind de elementaire lees- en spelhandeling onder de knie heeft
Het kind begint zich te oriënteren op geschreven taal.
SCHRIFTELIJKE TAALVERWERVING= Het gaat hier niet alleen over letters, maar ook over
afbeeldingen, pictogrammen en symbolen die boodschappen weergeven
LEESBEGRIP = Taalbegrip + Technisch lezen (bv. Klanken leren onderscheiden, letters koppelen
aan klanken)
PSEUDOLEESGEDRAG
Het kind doet alsof hij een boek leest door met zijn vinger de tekst te volgen en/of een leesintonatie
te gebruiken. Hij verzint hierbij zelf de tekst of hij kent de tekst van het boek uit hoofd (inzicht in de
leesrichting, lezen om te genieten).
BËINVLOEDENDE FACTOREN
1. Taalbewustzijn
De kleuter heeft het lastig met spelen met en nadenken over taal (klanken, woorden en
zinnen los van hun betekenis).
2. Mondelinge taal
De kleuter heeft moeite met de mondelinge taal, in de moedertaal en/of in het Nederlands:
Hij is bijvoorbeeld moeilijk verstaanbaar. Hij heeft moeite met het begrijpen en/of gebruiken
van woorden en zinnen. Hij kan een kort verhaal moeilijk volgen of vertellen.
3. Letterkennis
De kleuter herkent geen of maar een paar letters. Dit signaal is pas relevant wanneer de
leerkracht reeds verschillende letters heeft aangeboden in de klas.
4. Fonemisch bewustzijn
De kleuter hoort geen losse klanken in woorden (bv. /v/ in ‘vis’). Dit signaal is minder
relevant in de tweede kleuterklas, wanneer dit nog niet vaak geoefend werd.
5. Familiale aanleg
De kleuter heeft een (groot)ouder of broer/zus met leesproblemen.
6. Snel benoemen
Wanneer kleuters niet goed zijn in het snel benoemen, is meer aandacht bij het
voorbereidend lezen duidelijk aangewezen: de kans is immers groot dat de kleuter ook
moeite zal hebben om letters juist te benoemen. Het heeft geen zin om het snel benoemen
van kleuren, prenten of symbolen te trainen.
7. Gehoor, zicht, geheugen
De kleuter heeft problemen met horen, zien of onthouden.
8. Kansen
De kleuter heeft van thuis uit minder kansen en materialen.
9. Begrip van geschreven taal
De kleuter experimenteert niet of weinig met ‘alsof-lezen of -schrijven’. In zijn krabbels zie
je nog geen kenmerken van zinnen, woorden of letters.
10. Interesse
De kleuter is niet nieuwsgierig naar klanken, letters of boeken.
MINIMUMDOELEN
ORIËNTATIE OP GESCHREVEN TAAL VOORBEREIDING OP HET TECHNISCH
1
, LEREN LEZEN
- 1.1.5 De kleuters kunnen de betekenis van - 1.1.1. De kleuters kunnen rijm
eenvoudige visuele boodschappen herkennen, rijmwoorden bedenken
begrijpen. en woorden in klankgroepen
- 1.2.8 De kleuters kunnen door middel van verdelen (fonologisch bewustzijn).
tekenen, krabbels, symbolen, letter- of - 1.1.2. De kleuters kunnen een
cijfervormen ideeën of gebeurtenissen bepaalde klank in gesproken
vastleggen. woorden op verschillende posities
- 1.2.9 De kleuters kennen de functie van herkennen (fonemisch bewustzijn).
schriftelijke taal om te informeren of te - 1.1.3. De kleuters kunnen een
communiceren. variatie aan klanken in mk-, km-
- 1.2.10 De kleuters kunnen ideeën en mkm-woorden onderscheiden
aanbrengen voor een tekst vanuit (fonemisch bewustzijn).
aangeboden inhouden, eigen ervaringen of - 1.1.4. De kleuters kunnen
creatieve ideeën. minimum 15 letters (korte, lange,
- 1.1.10 De kleuters kunnen tonen dat ze de tweetekenklinkers en
volgende tekstconventies begrijpen: inzicht medeklinkers) herkennen door de
in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, bijbehorende klank uit te spreken
congruentie tussen tekst en beeld. (klanktekenkoppeling).
- 1.1.11 De kleuters kunnen tonen dat
teksten een doel hebben: iets onthouden,
iets doen, genieten.
ORIËNTATIE OP GESCHREVEN TAAL
Een leerlijn oriëntatie op geschreven taal voor jongste en oudste kleuters.
In een leerlijn hou je rekening met de ontwikkeling van DOEN-ALSOF SCHRIJVEN.
Aanvankelijk schrijven kleuters maar wat KRABBELS neer wanneer ze iets proberen ‘schrijven’ in
2