RECHTSSOCIOLOGIE
Hoofdstuk 1
Hoe verschilt de rechtssociologie van de rechtswetenschap?
→ De rechtssociologie hanteert een extern perspectief en gebruikt een empirische methode. De
rechtswetenschap, een intern perspectief en een doctrinaire methode.
Doctrinaire (juridische) methode = klassieke benadering binnen de RW waarbij men juridisch
relevante feiten verzamelt en deze vervolgens onder de toepasselijke juridische regels brengt. Dit
proces houdt in dat men moet achterhalen welke rechtsregel van toepassing is op een concreet
geval, wat ook wel een heuristiek wordt genoemd: een methode om systematisch tot de juiste regel
te komen.
- Een voorbeeld hiervan is een auto-ongeval: welke juridische gevolgen zijn daar van
toepassing?
→ subsumptie: onderbrengen van de feiten onder een juridische norm.
Daarnaast houdt de doctrinaire methode zich bezig met het interpreteren van open normen, zoals
"redelijk", "billijk" of "zorgplicht", via juridische interpretatietechnieken. Men onderzoekt ook de
geldigheid van normen bv. door te kijken of ze in overeenstemming zijn met hogere rechtsnormen of
grondrechten (beoordelen volgens interne systematiek).
Wanneer grondrechten met elkaar in conflict komen, zoals het recht op privacy tegenover de
vrijheid van meningsuiting (denk aan een fotograaf die iemand ongevraagd fotografeert), moet men
deze rechten tegen elkaar afwegen om tot een rechtvaardige oplossing te komen.
Tot slot kijkt men binnen deze methode ook naar situaties waarin het recht leemtes of
onduidelijkheden (lacunes) bevat. In zulke gevallen onderzoekt men hoe het recht zou moeten zijn,
door bestaande regels en beginselen te analyseren. Soms wordt hiervoor in beperkte mate ook
empirisch onderzoek gebruikt. Het uiteindelijke doel van de doctrinaire methode is steeds om de
coherentie, duidelijkheid en eenheid van het recht te bewaken en versterken.
=> law in the books: hoe luidt het recht? Wat is het toepasselijke recht?
Empirische methode = op een wetenschappelijke (niet-anekdotisch) en systematische manier
gegevens verzamelen en analyseren over de relatie tussen recht en samenleving.
Onderzoeksstrategie: kwantitatief (= identificeren van trends obv meetbare variabelen, gebaseerd op
cijfers en adhv surveys, experimenten, …) en kwalitatief (= begrijpen van houdingen, ervaringen,
interpretaties, gebaseerd op betekenissen en ervaringen adhv interviews, focusgroepen,
observatie, ..) onderzoek
Hierbij hangen bepaalde criteria samen voor wetenschappelijk onderzoek
→ voor kwantitatief onderzoek:
- Betrouwbaarheid (repliceerbaarheid): in welke mate zijn de gegevens die je hebt verzameld
betrouwbaar? Stel dat je het onderzoek opnieuw uitvoert, zou je dan tot dezelfde resultaten
komen?
- Externe validiteit (representativiteit): gaat over de vraag of de resultaten
van het onderzoek ook buiten de specifieke situatie waarin het is
uitgevoerd, toepasbaar zijn → kunnen de bevindingen van het onderzoek ook
gelden voor andere mensen, plaatsen, …
1
, - Interne validiteit: gaat over de vraag of de resultaten van een onderzoek wel echt het effect
van de onderzochte variabele laten zien.
- Objectiviteit van de data: positionaliteit van de onderzoeker kan een invloed hebben op de
data
→ voor kwalitatief onderzoek
- Afhankelijkheid: Is het onderzoek logisch opgebouwd? Zijn de resultaten consistent of zit
daar een tegenspraak in?
- Geloofwaardigheid: van resultaten
- Overdraagbaarheid: “externe validiteit” (vaak zeer moeilijk)
- Overtuigingskracht:
=> law in action: hoe is het recht ontstaan, hoe werkt het recht in de samenleving?
Interne perspectief
- Er wordt van binnen in het recht naar het recht gekeken.
- Het is de perspectief van iemand die deelneemt aan het rechtsverkeer (meestal rolmodel
rechter).
- Er wordt gekeken naar de interne, autonome logica van het recht (zoals rechtszekerheid en
rechtseenheid).
- Hierbij is het ‘is’ gelijk aan het ‘ought’ = het gedrag dat in de wet staat zou ook zo moeten zijn
in de samenleving.
- Het is gericht op het bewaken van de coherentie van het recht.
- Er is sprake van een vooronderstelling dat recht praktisch een verschil
uitmaakt → dat wetten effectief gedrag sturen en dat juridische regels impact hebben
- Het is gericht op rechtspraktijk (heel toegepast) en is monodisciplinair: binnen 1 discipline en
vooral gericht op casussen.
→ komt onder druk te staan bij activistische rechters: rechters die beleid
beïnvloeden of politieke keuzes maken via hun uitspraken. Voorbeelden:
● Urgenda-zaak (NL): rechter verplicht de overheid klimaatbeleid te voeren.
● Belgische klimaatzaak: rechter oordeelt dat de overheid haar zorgplicht schendt.
Waarom is dit een probleem voor het interne perspectief? Omdat rechters dan buiten de interne
logica van het recht treden en maatschappelijke doelen nastreven. Ze gaan dus richting extern
perspectief, wat de klassieke interne rol onder druk zet.
Externe perspectief
- Van buitenaf naar het recht kijken en richten op hoe mensen zich gedragen volgens de wet
en de gevolgen van wetten voor de samenleving (het antwoord vind je niet in de wet: variatie
en onzekerheid).
- Men hanteert een toeschouwersperspectief: niet alleen naar de rechter kijken, maar ook
wetgever, handhaver, uitvoerder, ….
- Een rechtssocioloog zal vaak subversief zijn: vaak bereik je uw doel niet, de resultaten zijn
anders dan verwacht (perverse effecten)
- ‘Is’ is niet gelijk aan het ‘ought’: je kan niet zomaar van de feiten afleiden hoe dingen zouden
moeten zijn.
- Men gaat kijken of het recht daadwerkelijk werkt zoals het bedoeld is (effectiviteitsstudie).
2
, - Dit perspectief is gericht op beleid en wetenschap: hoe het recht kan bijdragen aan
maatschappelijke doelen.
- Het is interdisciplinair = verschillende inzichten en disciplines combineren zoals de sociologie
met de rechtswetenschap.
=> kan het interne perspectief aanvullen / versterken: valt niet samen bv. rechtsfilosofie
Waarom rechtssociologie?
1) Academisering van de rechtenstudie = de focus ligt meer op het begrijpen van het recht als
een wetenschappelijk vakgebied dan op het leren van enkel beroepsgerichte vaardigheden
(hier is discussie over)
→ Daarbij horen 3 belangrijke componenten:
- Ten eerste worden inzichten uit sociaal-wetenschappelijke disciplines (zoals
sociologie, psychologie en economie) geïntegreerd in de studie van het recht;
- Ten tweede is er aandacht voor theorievorming, waarbij studenten leren nadenken
over wat recht is, hoe het werkt en welke concepten erachter zitten;
- Ten derde wordt het belang benadrukt van een wetenschappelijke benadering van
maatschappelijke problemen, waarbij je leert hoe recht kan worden gebruikt om
complexe sociale kwesties te analyseren en op te lossen.
2) Maatschappelijke ontwikkelingen en het recht
- Door de toenemende complexiteit van de te reguleren maatschappelijke domeinen
groeit het belang van rechtswetenschap: De samenleving wordt ingewikkelder (bv.
klimaat, migratie, technologie), waardoor het moeilijker wordt om goede wetten te
maken. Daarom heb je meer wetenschappelijke kennis nodig om het recht goed te
laten functioneren.
- Mensen willen niet meer dat de overheid alles beslist zonder inspraak. Ze willen
meepraten, meebeslissen en uitleg krijgen. Dat verandert hoe wetten gemaakt
moeten worden
- Door digitalisering ontstaan nieuwe problemen (privacy, cybercrime, online
platformen). Het recht moet zich aanpassen aan deze digitale realiteit.
- AI roept nieuwe juridische vragen op: wie is verantwoordelijk als een algoritme een
fout maakt? Hoe voorkom je discriminatie door AI? Het recht moet antwoorden
vinden op deze nieuwe uitdagingen.
- Beter gaan reguleren: wetgeving optimaliseren, schaarse overheidsmiddelen.
- Meer aandacht voor handhaving, uitvoering en naleving van regels: een wet heeft
geen zin als ze niet wordt nageleefd.
3) Professionele ontwikkelingen (= evoluties binnen juridische beroepen) = rechters moeten ook
niet-juridische problemen kunnen begrijpen. Advocatenkantoren willen T-shaped lawyers =
advocaten met een breed algemeen inzicht. Alternative Dispute resolution (ADR):
alternatieve geschilbeslechting (informeel) introduceert inzichten uit de psychologie
4) Meerwaarde voor de rechtspraktijk = rechtssociologisch onderzoek versterkt de
rechtspraktijk en biedt een meerwaarde vb. meerwaarde voor de advocaat:
er zijn verschillende manieren om geschillen op te lossen →
rechtssociologie biedt inzichten in de voor- en nadelen van de
verschillende vormen van geschilbeslechtingmanieren
Situering van de rechtssociologie
3
, Evolutie: Rechtssociologie evolueerde van een kleine niche naar een zelfstandige wetenschap (vanaf
1950), en sinds 2005 doen juristen zelf steeds meer empirisch onderzoek. Daarnaast bestaan er
verwante onderzoeksstromingen zoals Empirical Legal Studies, Law in Context en Socio-legal
research, die allemaal het recht bestuderen in zijn maatschappelijke werkelijkheid
1.2 Belang van de sociologie voor de beoefening van het recht
1) De pleinvrees van juristen
● Stelling van Luc Huyse en Hilde Sabbe: juristen blijven weg van het politiek debat
→ Ze oefenen hun functie als ‘waakhond’ (= controleren dat bepaalde
zaken worden gerespecteerd) over de rechtsstaat te weinig uit. Als
de rechtsstaat niet gerespecteerd wordt, dan zou de ‘waakhond’ een
signaal moeten geven. Maar volgens deze auteurs gebeurt dit dus
niet. Voorbeeld: in de crisismaanden (zaak Marc Dutroux) waren de
juristen afwezig → falen van justitie en politie
● Veronderstelling / verwachting: juristen zouden wel de rechtsstaat moeten
verdedigen. Ze gaan ervan uit dat je op het moment dat je je diploma in de rechten
krijgt, neem je de missie met je mee om de rechtsstaat te gaan verdedigen
● Obstakel: juristen zien het recht als een instrument (middel) om bepaalde doelen te
bereiken. Het wordt ook gezien als een vaardigheid om het middel goed te kunnen
gebruiken bv. het vrijpleiten van hun cliënt.
2) Sire, il n’y a plus d’intellectuels
- Ze hebben geen pleinvrees (bv. op tv zie je advocaten), maar zien het
niet als doel om de universele en intrinsieke waarden van het recht
te verdedigen → utilitair individualistisch denken = hoe kan het
recht voor mij nut hebben?
- Niemand staat op om te vechten voor de rechtsstaat zoals studenten, juristen en
hoogleraren
→ Tegenargumenten: sommige advocaten / academici staan wel op om de
rechtsstaat te verdedigen.
- Voorbeeld: het initiatief van de Orde van de Vlaamse Balies
om de kiesprogramma’s van politieke partijen te gaan
doorlichten → niet verplicht.
- Voorbeeld: rechtsstaat met betrekking tot asielzoekers →
academici die hiervoor optreden (mensenrechten)
3) Rechtenstudenten zijn niet allen studenten in het recht
● Dahrendorf: heeft de studie ‘Rechten’ uitgevoerd in Duitsland in de jaren ‘60.
→ Karakteristieken van rechtenstudenten in 1964 in Duitsland:
- uit hogere klassen
- keuze voor rechten door weinig wetenschappelijk imago
- weinig vrouwelijke studenten
- elitaire status: beter gekleed, auto, …
- vooral interesse in politiek, minder in kunst of hard werken
- hebben geen wetenschappelijke belangstelling voor het recht
- vooral interesse in wat ze met hun diploma kunnen doen, dan in kennis
4
Hoofdstuk 1
Hoe verschilt de rechtssociologie van de rechtswetenschap?
→ De rechtssociologie hanteert een extern perspectief en gebruikt een empirische methode. De
rechtswetenschap, een intern perspectief en een doctrinaire methode.
Doctrinaire (juridische) methode = klassieke benadering binnen de RW waarbij men juridisch
relevante feiten verzamelt en deze vervolgens onder de toepasselijke juridische regels brengt. Dit
proces houdt in dat men moet achterhalen welke rechtsregel van toepassing is op een concreet
geval, wat ook wel een heuristiek wordt genoemd: een methode om systematisch tot de juiste regel
te komen.
- Een voorbeeld hiervan is een auto-ongeval: welke juridische gevolgen zijn daar van
toepassing?
→ subsumptie: onderbrengen van de feiten onder een juridische norm.
Daarnaast houdt de doctrinaire methode zich bezig met het interpreteren van open normen, zoals
"redelijk", "billijk" of "zorgplicht", via juridische interpretatietechnieken. Men onderzoekt ook de
geldigheid van normen bv. door te kijken of ze in overeenstemming zijn met hogere rechtsnormen of
grondrechten (beoordelen volgens interne systematiek).
Wanneer grondrechten met elkaar in conflict komen, zoals het recht op privacy tegenover de
vrijheid van meningsuiting (denk aan een fotograaf die iemand ongevraagd fotografeert), moet men
deze rechten tegen elkaar afwegen om tot een rechtvaardige oplossing te komen.
Tot slot kijkt men binnen deze methode ook naar situaties waarin het recht leemtes of
onduidelijkheden (lacunes) bevat. In zulke gevallen onderzoekt men hoe het recht zou moeten zijn,
door bestaande regels en beginselen te analyseren. Soms wordt hiervoor in beperkte mate ook
empirisch onderzoek gebruikt. Het uiteindelijke doel van de doctrinaire methode is steeds om de
coherentie, duidelijkheid en eenheid van het recht te bewaken en versterken.
=> law in the books: hoe luidt het recht? Wat is het toepasselijke recht?
Empirische methode = op een wetenschappelijke (niet-anekdotisch) en systematische manier
gegevens verzamelen en analyseren over de relatie tussen recht en samenleving.
Onderzoeksstrategie: kwantitatief (= identificeren van trends obv meetbare variabelen, gebaseerd op
cijfers en adhv surveys, experimenten, …) en kwalitatief (= begrijpen van houdingen, ervaringen,
interpretaties, gebaseerd op betekenissen en ervaringen adhv interviews, focusgroepen,
observatie, ..) onderzoek
Hierbij hangen bepaalde criteria samen voor wetenschappelijk onderzoek
→ voor kwantitatief onderzoek:
- Betrouwbaarheid (repliceerbaarheid): in welke mate zijn de gegevens die je hebt verzameld
betrouwbaar? Stel dat je het onderzoek opnieuw uitvoert, zou je dan tot dezelfde resultaten
komen?
- Externe validiteit (representativiteit): gaat over de vraag of de resultaten
van het onderzoek ook buiten de specifieke situatie waarin het is
uitgevoerd, toepasbaar zijn → kunnen de bevindingen van het onderzoek ook
gelden voor andere mensen, plaatsen, …
1
, - Interne validiteit: gaat over de vraag of de resultaten van een onderzoek wel echt het effect
van de onderzochte variabele laten zien.
- Objectiviteit van de data: positionaliteit van de onderzoeker kan een invloed hebben op de
data
→ voor kwalitatief onderzoek
- Afhankelijkheid: Is het onderzoek logisch opgebouwd? Zijn de resultaten consistent of zit
daar een tegenspraak in?
- Geloofwaardigheid: van resultaten
- Overdraagbaarheid: “externe validiteit” (vaak zeer moeilijk)
- Overtuigingskracht:
=> law in action: hoe is het recht ontstaan, hoe werkt het recht in de samenleving?
Interne perspectief
- Er wordt van binnen in het recht naar het recht gekeken.
- Het is de perspectief van iemand die deelneemt aan het rechtsverkeer (meestal rolmodel
rechter).
- Er wordt gekeken naar de interne, autonome logica van het recht (zoals rechtszekerheid en
rechtseenheid).
- Hierbij is het ‘is’ gelijk aan het ‘ought’ = het gedrag dat in de wet staat zou ook zo moeten zijn
in de samenleving.
- Het is gericht op het bewaken van de coherentie van het recht.
- Er is sprake van een vooronderstelling dat recht praktisch een verschil
uitmaakt → dat wetten effectief gedrag sturen en dat juridische regels impact hebben
- Het is gericht op rechtspraktijk (heel toegepast) en is monodisciplinair: binnen 1 discipline en
vooral gericht op casussen.
→ komt onder druk te staan bij activistische rechters: rechters die beleid
beïnvloeden of politieke keuzes maken via hun uitspraken. Voorbeelden:
● Urgenda-zaak (NL): rechter verplicht de overheid klimaatbeleid te voeren.
● Belgische klimaatzaak: rechter oordeelt dat de overheid haar zorgplicht schendt.
Waarom is dit een probleem voor het interne perspectief? Omdat rechters dan buiten de interne
logica van het recht treden en maatschappelijke doelen nastreven. Ze gaan dus richting extern
perspectief, wat de klassieke interne rol onder druk zet.
Externe perspectief
- Van buitenaf naar het recht kijken en richten op hoe mensen zich gedragen volgens de wet
en de gevolgen van wetten voor de samenleving (het antwoord vind je niet in de wet: variatie
en onzekerheid).
- Men hanteert een toeschouwersperspectief: niet alleen naar de rechter kijken, maar ook
wetgever, handhaver, uitvoerder, ….
- Een rechtssocioloog zal vaak subversief zijn: vaak bereik je uw doel niet, de resultaten zijn
anders dan verwacht (perverse effecten)
- ‘Is’ is niet gelijk aan het ‘ought’: je kan niet zomaar van de feiten afleiden hoe dingen zouden
moeten zijn.
- Men gaat kijken of het recht daadwerkelijk werkt zoals het bedoeld is (effectiviteitsstudie).
2
, - Dit perspectief is gericht op beleid en wetenschap: hoe het recht kan bijdragen aan
maatschappelijke doelen.
- Het is interdisciplinair = verschillende inzichten en disciplines combineren zoals de sociologie
met de rechtswetenschap.
=> kan het interne perspectief aanvullen / versterken: valt niet samen bv. rechtsfilosofie
Waarom rechtssociologie?
1) Academisering van de rechtenstudie = de focus ligt meer op het begrijpen van het recht als
een wetenschappelijk vakgebied dan op het leren van enkel beroepsgerichte vaardigheden
(hier is discussie over)
→ Daarbij horen 3 belangrijke componenten:
- Ten eerste worden inzichten uit sociaal-wetenschappelijke disciplines (zoals
sociologie, psychologie en economie) geïntegreerd in de studie van het recht;
- Ten tweede is er aandacht voor theorievorming, waarbij studenten leren nadenken
over wat recht is, hoe het werkt en welke concepten erachter zitten;
- Ten derde wordt het belang benadrukt van een wetenschappelijke benadering van
maatschappelijke problemen, waarbij je leert hoe recht kan worden gebruikt om
complexe sociale kwesties te analyseren en op te lossen.
2) Maatschappelijke ontwikkelingen en het recht
- Door de toenemende complexiteit van de te reguleren maatschappelijke domeinen
groeit het belang van rechtswetenschap: De samenleving wordt ingewikkelder (bv.
klimaat, migratie, technologie), waardoor het moeilijker wordt om goede wetten te
maken. Daarom heb je meer wetenschappelijke kennis nodig om het recht goed te
laten functioneren.
- Mensen willen niet meer dat de overheid alles beslist zonder inspraak. Ze willen
meepraten, meebeslissen en uitleg krijgen. Dat verandert hoe wetten gemaakt
moeten worden
- Door digitalisering ontstaan nieuwe problemen (privacy, cybercrime, online
platformen). Het recht moet zich aanpassen aan deze digitale realiteit.
- AI roept nieuwe juridische vragen op: wie is verantwoordelijk als een algoritme een
fout maakt? Hoe voorkom je discriminatie door AI? Het recht moet antwoorden
vinden op deze nieuwe uitdagingen.
- Beter gaan reguleren: wetgeving optimaliseren, schaarse overheidsmiddelen.
- Meer aandacht voor handhaving, uitvoering en naleving van regels: een wet heeft
geen zin als ze niet wordt nageleefd.
3) Professionele ontwikkelingen (= evoluties binnen juridische beroepen) = rechters moeten ook
niet-juridische problemen kunnen begrijpen. Advocatenkantoren willen T-shaped lawyers =
advocaten met een breed algemeen inzicht. Alternative Dispute resolution (ADR):
alternatieve geschilbeslechting (informeel) introduceert inzichten uit de psychologie
4) Meerwaarde voor de rechtspraktijk = rechtssociologisch onderzoek versterkt de
rechtspraktijk en biedt een meerwaarde vb. meerwaarde voor de advocaat:
er zijn verschillende manieren om geschillen op te lossen →
rechtssociologie biedt inzichten in de voor- en nadelen van de
verschillende vormen van geschilbeslechtingmanieren
Situering van de rechtssociologie
3
, Evolutie: Rechtssociologie evolueerde van een kleine niche naar een zelfstandige wetenschap (vanaf
1950), en sinds 2005 doen juristen zelf steeds meer empirisch onderzoek. Daarnaast bestaan er
verwante onderzoeksstromingen zoals Empirical Legal Studies, Law in Context en Socio-legal
research, die allemaal het recht bestuderen in zijn maatschappelijke werkelijkheid
1.2 Belang van de sociologie voor de beoefening van het recht
1) De pleinvrees van juristen
● Stelling van Luc Huyse en Hilde Sabbe: juristen blijven weg van het politiek debat
→ Ze oefenen hun functie als ‘waakhond’ (= controleren dat bepaalde
zaken worden gerespecteerd) over de rechtsstaat te weinig uit. Als
de rechtsstaat niet gerespecteerd wordt, dan zou de ‘waakhond’ een
signaal moeten geven. Maar volgens deze auteurs gebeurt dit dus
niet. Voorbeeld: in de crisismaanden (zaak Marc Dutroux) waren de
juristen afwezig → falen van justitie en politie
● Veronderstelling / verwachting: juristen zouden wel de rechtsstaat moeten
verdedigen. Ze gaan ervan uit dat je op het moment dat je je diploma in de rechten
krijgt, neem je de missie met je mee om de rechtsstaat te gaan verdedigen
● Obstakel: juristen zien het recht als een instrument (middel) om bepaalde doelen te
bereiken. Het wordt ook gezien als een vaardigheid om het middel goed te kunnen
gebruiken bv. het vrijpleiten van hun cliënt.
2) Sire, il n’y a plus d’intellectuels
- Ze hebben geen pleinvrees (bv. op tv zie je advocaten), maar zien het
niet als doel om de universele en intrinsieke waarden van het recht
te verdedigen → utilitair individualistisch denken = hoe kan het
recht voor mij nut hebben?
- Niemand staat op om te vechten voor de rechtsstaat zoals studenten, juristen en
hoogleraren
→ Tegenargumenten: sommige advocaten / academici staan wel op om de
rechtsstaat te verdedigen.
- Voorbeeld: het initiatief van de Orde van de Vlaamse Balies
om de kiesprogramma’s van politieke partijen te gaan
doorlichten → niet verplicht.
- Voorbeeld: rechtsstaat met betrekking tot asielzoekers →
academici die hiervoor optreden (mensenrechten)
3) Rechtenstudenten zijn niet allen studenten in het recht
● Dahrendorf: heeft de studie ‘Rechten’ uitgevoerd in Duitsland in de jaren ‘60.
→ Karakteristieken van rechtenstudenten in 1964 in Duitsland:
- uit hogere klassen
- keuze voor rechten door weinig wetenschappelijk imago
- weinig vrouwelijke studenten
- elitaire status: beter gekleed, auto, …
- vooral interesse in politiek, minder in kunst of hard werken
- hebben geen wetenschappelijke belangstelling voor het recht
- vooral interesse in wat ze met hun diploma kunnen doen, dan in kennis
4