REGISTREREN
Ongestructureerde registratie
- Vrije registratie (bv dagrapportage: dagelijks noteren: wat viel op? (in een schriftje)
Meestal na een bepaalde periode -> onderzoeken “hoe is het kind iedere de ochtend”
- Nadeel: subjectiviteit komt aan te pas
Gestructureerde registratie
- Formulier: opgesteld met een specifiek doel
- Observatie wordt beperkt tot een bepaald moment (specifieke situatie waardoor je
de aandacht kan toespitsen op gebeurtenis + erbij vertoonde gedrag)
- Wordt onderverdeeld in:
Kwalitatieve registratie (inhoud van het gedrag + de nuances worden weergegeven)
Verschillende methodes:
Beschrijvende observatie
- Alles wat gezien wordt -> beschreven
- Voordeel: ontstaan compleet beeld van het gebeuren
- Nadeel: metingen van een korte periode kunnen worden verricht
Filmisch observeren: observator schrijft zoveel mogelijk uit pas daarna tijd nemen om dat
te interpreteren en het gedrag te verklaren
Logboekmethode: (gebruik bij open observatie) afgesproken situatie: voorvallen +
uitspraken genoteerd + de relatie daartussen -> trefwoorden en later uitgewerkt
Kenmerk hiervan: toevoeging eigen overwegingen en interpretaties
Codeersysteem
= Schematische voorstelling: processen op duidelijke manier worden weergegeven “Wat
gebeurt er?” “Tussen wie of wat gebeurt het?”
- Nadeel: verschillende codes moeten eerst geleerd worden
ABC – schema
Antecedenten Behaviour Consequenties
= voorafgaand = gedrag = gevolg/invloed/nasleep
Wat is de situatie? Welk (on)gewenst gedrag Wat versterkt het gedrag?
Wat lokt (on)gewenst gedrag uit ? doet zich voor ? Wat houdt het gedrag in stand ?
Kwantitatieve registratie
- Meting: frequentie + de ernst van voorkomen van gedrag in een bepaalde periode/ situatie
geobjectiveerd
Verschillende methodes:
Telmethode of turven (bij gedrag dat frequent voorkomt)
= Elke keer wanneer welomschreven gedrag zich binnen een bepaalde periode voordoet,
wordt geturfd
(Tijd als uitgangspunt -> bv om de 2 minuten geobserveerd + genoteerd
Duurmethode
= Gemeten hoe lang het gedrag duurt (gebruik bij weinig/ onregelmatig voorkomend gedrag)
Ratio-methode/ relatieve frequentie
= Aantal keer dat gedrag voorkomt -> gedeeld door het aantal keer dat het wordt geobserveerd
Beoordelingsschalen
= Lijsten: waarbij gedragsomschrijvingen aan waardeoordelen (vorm van cijfers) gekoppeld zijn
- Voordeel: bepaald kan worden hoeveel een bepaalde factor aanwezig is
- Nadeel: subjectief ingevuld worden
Ongestructureerde registratie
- Vrije registratie (bv dagrapportage: dagelijks noteren: wat viel op? (in een schriftje)
Meestal na een bepaalde periode -> onderzoeken “hoe is het kind iedere de ochtend”
- Nadeel: subjectiviteit komt aan te pas
Gestructureerde registratie
- Formulier: opgesteld met een specifiek doel
- Observatie wordt beperkt tot een bepaald moment (specifieke situatie waardoor je
de aandacht kan toespitsen op gebeurtenis + erbij vertoonde gedrag)
- Wordt onderverdeeld in:
Kwalitatieve registratie (inhoud van het gedrag + de nuances worden weergegeven)
Verschillende methodes:
Beschrijvende observatie
- Alles wat gezien wordt -> beschreven
- Voordeel: ontstaan compleet beeld van het gebeuren
- Nadeel: metingen van een korte periode kunnen worden verricht
Filmisch observeren: observator schrijft zoveel mogelijk uit pas daarna tijd nemen om dat
te interpreteren en het gedrag te verklaren
Logboekmethode: (gebruik bij open observatie) afgesproken situatie: voorvallen +
uitspraken genoteerd + de relatie daartussen -> trefwoorden en later uitgewerkt
Kenmerk hiervan: toevoeging eigen overwegingen en interpretaties
Codeersysteem
= Schematische voorstelling: processen op duidelijke manier worden weergegeven “Wat
gebeurt er?” “Tussen wie of wat gebeurt het?”
- Nadeel: verschillende codes moeten eerst geleerd worden
ABC – schema
Antecedenten Behaviour Consequenties
= voorafgaand = gedrag = gevolg/invloed/nasleep
Wat is de situatie? Welk (on)gewenst gedrag Wat versterkt het gedrag?
Wat lokt (on)gewenst gedrag uit ? doet zich voor ? Wat houdt het gedrag in stand ?
Kwantitatieve registratie
- Meting: frequentie + de ernst van voorkomen van gedrag in een bepaalde periode/ situatie
geobjectiveerd
Verschillende methodes:
Telmethode of turven (bij gedrag dat frequent voorkomt)
= Elke keer wanneer welomschreven gedrag zich binnen een bepaalde periode voordoet,
wordt geturfd
(Tijd als uitgangspunt -> bv om de 2 minuten geobserveerd + genoteerd
Duurmethode
= Gemeten hoe lang het gedrag duurt (gebruik bij weinig/ onregelmatig voorkomend gedrag)
Ratio-methode/ relatieve frequentie
= Aantal keer dat gedrag voorkomt -> gedeeld door het aantal keer dat het wordt geobserveerd
Beoordelingsschalen
= Lijsten: waarbij gedragsomschrijvingen aan waardeoordelen (vorm van cijfers) gekoppeld zijn
- Voordeel: bepaald kan worden hoeveel een bepaalde factor aanwezig is
- Nadeel: subjectief ingevuld worden