H1: antilichamen
Inleiding
Functie van het immuunsysteem
Immuunsysteem kan reageren op lichaamsvreemde deeltjes
Beschermt tegen infectieuze micro-organismen (virussen, bacteriën,
schimmels, protozoa)
Helpt bij eliminatie van parasieten en toxines
Speelt rol in bestrijding van tumorgroei
Twee vormen van immuniteit
Aangeboren immuniteit
o Direct actief bij eerste contact
o Uitgevoerd door WBC van myeloïde lijn (monocyten, macrofagen,
granulocyten)
o Kenmerken: weinig specifiek, snelle eerstelijnsverdediging
o Weinig in vitro toepassingen
Verworven immuniteit
o Actief na voorafgaande blootstelling aan antigen
o Hoofdrol: T- en B-lymfocyten
o Celgemedieerde immuniteit: T-lymfocyten (bv. cytotoxische T-
cellen).
Vooral nuttig voor studie van immuunrespons; beperkt
klinisch nut
o Humorale immuniteit: antilichamen geproduceerd door
plasmacellen (gedifferentieerde B-lymfocyten)
Antilichamen circuleren in bloed en organen, binden
specifiek aan antigenen → markeren voor afbraak
Eigenschappen van antilichamen (belangrijk voor in vitro toepassingen)
Stabiele, oplosbare glycoproteïnen
Hoge specificiteit en affiniteit voor antigenen
Tegen elk antigen kan een specifiek antilichaam gemaakt worden
Relatief eenvoudig te produceren, isoleren, koppelen aan labels
Mogelijkheden: polyklonaal of monoklonaal aangemaakt
Monovalent, bivalent of multivalent (of kleinere fragementen)
Variabele delen van een antilichaam kunnen aan verschillende types
van constante delen gekoppeld worden
Antilichamen kunnen op maat gemaakt worden mbv recombinante
DNA-technologie
Praktisch haalbare en kosteneffectieve tests
Conclusie
→ Immunologische technieken benutten deze eigenschappen van
, antilichamen (en deels complement) en zijn onmisbaar in onderzoek én
biochemische toepassingen.
Antilichaamstructuur
Algemeen
Antilichamen = immunoglobulines = antistoffen
Samenstelling:
Glycoproteïnen: 82–96% eiwit, 4–18%
suikers
Bestaan uit 4 (geglycosileerde) eiwitketens:
o 2 zware ketens (H): ± 50 kDa elk
o 2 lichte ketens (L): ± 25 kDa elk
Totale massa: ± 150 kDa
Y-vormige structuur, verbonden door zwavelbruggen
Hinge = dubbele zwavelbrug tussen zware ketens → flexibiliteit
Functie in vivo:
Bescherming tegen pathogenen
Bindt antigen → markeert voor eliminatie door immuunsysteem
Structuur en domeinen:
Variabele domeinen (VH, VL): N-terminaal,
grote variatie → antigenbinding
o Samen vormen ze paratoop (antigen-
bindingsplaats)
o Elk antilichaam heeft 2 paratopen
Constante domeinen (CH1, CH2, CH3, CL):
interactie met immuunsysteem
Domeinen zijn compact gevouwen → stabiel in diverse condities (pH,
ionsterkte, enzymen)
Fragmentatie door enzymen:
Papaïne: knipt N-terminaal van hinge →
o 2 × Fab (Fragment antigen binding)
o 1 × Fc (Fragment crystallizable) → effectorfunctie
Pepsine: knipt C-terminaal van hinge →
o F(ab')₂ (bevat beide paratopen)
o Stam splitst in kleinere fragmenten (grootste = pc')
Het variabele deel: de paratoop of antigenbindingsplaats
Samenstelling
o VH (variabel domein zware keten) + VL (variabel domein lichte
keten) → samen paratoop
Inleiding
Functie van het immuunsysteem
Immuunsysteem kan reageren op lichaamsvreemde deeltjes
Beschermt tegen infectieuze micro-organismen (virussen, bacteriën,
schimmels, protozoa)
Helpt bij eliminatie van parasieten en toxines
Speelt rol in bestrijding van tumorgroei
Twee vormen van immuniteit
Aangeboren immuniteit
o Direct actief bij eerste contact
o Uitgevoerd door WBC van myeloïde lijn (monocyten, macrofagen,
granulocyten)
o Kenmerken: weinig specifiek, snelle eerstelijnsverdediging
o Weinig in vitro toepassingen
Verworven immuniteit
o Actief na voorafgaande blootstelling aan antigen
o Hoofdrol: T- en B-lymfocyten
o Celgemedieerde immuniteit: T-lymfocyten (bv. cytotoxische T-
cellen).
Vooral nuttig voor studie van immuunrespons; beperkt
klinisch nut
o Humorale immuniteit: antilichamen geproduceerd door
plasmacellen (gedifferentieerde B-lymfocyten)
Antilichamen circuleren in bloed en organen, binden
specifiek aan antigenen → markeren voor afbraak
Eigenschappen van antilichamen (belangrijk voor in vitro toepassingen)
Stabiele, oplosbare glycoproteïnen
Hoge specificiteit en affiniteit voor antigenen
Tegen elk antigen kan een specifiek antilichaam gemaakt worden
Relatief eenvoudig te produceren, isoleren, koppelen aan labels
Mogelijkheden: polyklonaal of monoklonaal aangemaakt
Monovalent, bivalent of multivalent (of kleinere fragementen)
Variabele delen van een antilichaam kunnen aan verschillende types
van constante delen gekoppeld worden
Antilichamen kunnen op maat gemaakt worden mbv recombinante
DNA-technologie
Praktisch haalbare en kosteneffectieve tests
Conclusie
→ Immunologische technieken benutten deze eigenschappen van
, antilichamen (en deels complement) en zijn onmisbaar in onderzoek én
biochemische toepassingen.
Antilichaamstructuur
Algemeen
Antilichamen = immunoglobulines = antistoffen
Samenstelling:
Glycoproteïnen: 82–96% eiwit, 4–18%
suikers
Bestaan uit 4 (geglycosileerde) eiwitketens:
o 2 zware ketens (H): ± 50 kDa elk
o 2 lichte ketens (L): ± 25 kDa elk
Totale massa: ± 150 kDa
Y-vormige structuur, verbonden door zwavelbruggen
Hinge = dubbele zwavelbrug tussen zware ketens → flexibiliteit
Functie in vivo:
Bescherming tegen pathogenen
Bindt antigen → markeert voor eliminatie door immuunsysteem
Structuur en domeinen:
Variabele domeinen (VH, VL): N-terminaal,
grote variatie → antigenbinding
o Samen vormen ze paratoop (antigen-
bindingsplaats)
o Elk antilichaam heeft 2 paratopen
Constante domeinen (CH1, CH2, CH3, CL):
interactie met immuunsysteem
Domeinen zijn compact gevouwen → stabiel in diverse condities (pH,
ionsterkte, enzymen)
Fragmentatie door enzymen:
Papaïne: knipt N-terminaal van hinge →
o 2 × Fab (Fragment antigen binding)
o 1 × Fc (Fragment crystallizable) → effectorfunctie
Pepsine: knipt C-terminaal van hinge →
o F(ab')₂ (bevat beide paratopen)
o Stam splitst in kleinere fragmenten (grootste = pc')
Het variabele deel: de paratoop of antigenbindingsplaats
Samenstelling
o VH (variabel domein zware keten) + VL (variabel domein lichte
keten) → samen paratoop