Examenvragen Psychiatrie
Hoofdstuk: inleiding tot de psychiatrie
Bespreek trias psychica. Welke 4e knn we daaraan toevoegen?
De psychische functies die we onderscheiden :
1. Cognitief: denken en waarnemen
- Bewustzijn: lichte bwz daling, somnolent, soporeus (laatste 2 denk aan
intoxicatie/delier)
- Aandacht: verhoogde afleidbaarheid (delier/ manie), hypervigiliteit (overmatig
oplettend, reageert op elke prikkel)(manische episode)
- Geheugen: stoornis KTG, stoornis LTG, confabulatie (denk aan Korsakov)
- Intellectuele functies: mild, matige of ernstige intellectuele beperking (vb
beperkte woordenschat)
- Waarneming : visuele, auditieve hallucinaties
- Denken: incoherentie, gedachtenstop (denk aan schizofrenie), gedachten vlucht
(associatief denken, denk manie), dwanggedachten, suïcidaliteit
2. Affectief: gevoelsleven
- Stemming: eufoor, depressief, dysfoor
- Affect: labiel affect (snel wisselende emoties zonder externe aanleiding), vlak
affect, inadequaat affect, angst/ paniekaanvallen, fobie en vermijdingsgedrag
3. Connatief: motivatie, wil
- Psychomotoriek: psychomotore agitatie, psychomotore retardatie, katatonie
- Motivatie en gedrag: middelengebruik, eetgedrag, dwanghandelingen
4. Het lichaam en het interpersoonlijk functioneren
Bijvraag: geef de connatieve S bij een schizofrene pt
- Apathie: emotionele en motivationele onverschilligheid-> verlies v motivatie
- Initiatiefverlies
- Sociaal terugtrekgedrag
- Anhedonie
- Alogia: verminderde spraakproductie (verminderd denken dat zich uit als
verminderde spraak)
- Psychomotore stoornissen: katatonie
Bijvraag: wat is katatonie? Bij welke stoornissen komt het voor en hoe zou je het
behandelen ?
= psychomotorische stoornis in beweging, houding, spraak en die niet verklaard w dr
een neurologische aandoening
Dus stoornis in het connatieve domein
- Bij schizofrenie, ernstige depressie, bipolaire stoornis
, - Ook bij schizo affectieve stoornis
- Somatisch/ neurologisch: bij delier, intoxicatie/ medicatie (vb ook bij AP)
Behandeling:
- 1e keus is benzo
- 2e keus ECT
+ behandelen van de onderliggende aandoening
NIET AP; kan het verergeren en kans op maligne neuroloptisch syndroom
Bijvraag : wat is stupor?
= een toestand v bijna volledige afwezigheid v spontane beweging en spraak, geen
reactie op pijn of stimuli
➔ Bwz stoornis
Vb dissociatieve stoornis, intoxicatie, katatonie
Bijvraag: bij welk soort stoornissen zou je veel connatieve kenmerken knn zien?
Schizofrenie, depressie, bipolaire stoornis, neurocognitieve stoornis (dementie)
Bespreek voor- en nadelen van de DSM. Waar houdt de DSM geen rekening mee?
Voordelen
- Gestandaardiseerde classificatie: op basis v clusters v S die samen voorkomen
een psychiatrische D stellen
- Laat flexibiliteit toe: als dit er niet was dan zou classificatie vr onderzoek
onmogelijk w + anders zou je ook evenveel D als pt hebben
Nadelen:
- Op basis v klinische S dus niet echt objectiveerbaar vb bloed oz
- Psychiatrische stoornissen zn niet homogeen : bemoeilijkt de zoektocht nr de
onderliggende neurobiologie en de optimale behandeling
- Zegt weinig of niets over de oorzaak vd aandoening, de hersenfuncties die
verstoord zn bij een bepaalde aandoening, het levensverhaal vd pt, de betekenis
vr de pt en zijn omgeving
Bijvraag: is de DSM goed voor wetenschappelijk onderzoek?
Ja en neen: ja want het is een gestandaardiseerde definitie dus iedereen gebruikt wel
dezelfde criterie: min of meer gelijke groepen populaties
Neen, het is te categorisch (terwijl net veel stoornissen dimensioneel zijn)
,Pt A met een depressie zal andere cluster v S hebben dan pt B hoewel ze wel beide
mogelijks voldoen aan de D v depressive volgens DSM5=> veel heterogeniteit binnen D
+ houdt gn rekening met comorbiditeiten hoewel veel pt eigl voldoen aan meerdere D
Bijvraag: Wat zou het voordeel zijn van het minder categorisch te maken en meer op
symptoom dimensie
- Zou beter aansluiten bij de werkelijkheid dan aangezien veel D een continuum zn
- Betere behandeling opties want dan kan je meer inschatten hoe “agressief de
therapie moet zn” vb lichte katatonie vs extreme
- Monitoring v progressie: dimensies zn gevoelig vr veranderingen over de tijd!
Bijvraag: Wat is de tegenhanger
ICD11
Bijvraag: Er is veel overlap tussen verschillende ziektes, hoe zou je dit op een andere
manier kunnen voorstellen (tip het komt uit mijn lessen)
- Eerder symptoom gebaseerd: dus onderscheid op basis v S -> verschillende
dimensies die dan wel overlappen
- Dus S bij elkaar nemen ipv categoriën (vb depressie)
- Sommige S komen bij meerdere stoornissen voor
- Je kan dan ook T meer richten op het kernsymptoom ipv op de D
Dus symptoom clusters en dimensies als uitgangspunt nemen
Bespreek de psychiatrische anamnese in 5 stappen
1. Speciële anamnese
- Bevragen hoofdklacht
2. Algemene psychiatrische anamnese (cognitief, affectief, conatief dus onderzoek
vd 3 psychopathologische domeinen zowel dr anamnese als dr observatie)
3. Persoonlijke psychiatrische VG en familiale psychiatrische VG
- Bij de familiale dan focus op de 1e graads verwanten (ouders/ kinderen/ broer en
zus)
- Sterke genetische component bij: bipolaire stoornis, ASS, schizofrenie, manisch
depressieve ziekte
4. Somatisch anamnese en lich onderzoek
- Vermoeid, pijn, druk op borst, duizelig, tintelingen etc knn een functioneel
karakter hebben => somatisch oz
5. Sociale anamnese
, - Leefsituatie, werk/ hobby, toekomstplannen en zingeving
6. Ontwikkelingsanamnese
- Polsen nr factoren die voortbeschikken/ beschermen tegen psychiatrische
stoornissen
- Opvoedingsstijl ouders, verlating, trauma
Hoofdstuk: neurocognitieve stoornissen
Bespreek de cognitieve domeinen van neurocognitieve stoornissen
6 cognitieve domeinen in DSM5
1. Complexe aandacht
- Volgehouden aandacht
- Selectieve aandacht (kleuren lees test: Stroop test)
- Verdeelde aandacht: aandacht richten op meerdere taken
2. Executieve functies
Plannen, redeneren, genereren (vb zo veel mogelijk dieren in 1 min), werkgeheugen,
bijsturen
Vaak gestoord bij frontale pathologie
3. Geheugen
- Zintuiglijk geheugen: iconisch/ echoïsch geheugen
- KTG/ werkgeheugen: enkele sec/ min
- LTG:
o Impliciet geheugen (onbewust) -> procedureel geheugen (vaardigheden/
conditionering)
o Expliciet geheugen (bewust) -> declaratief geheugen (vanaf 3j,
oproepbaar)
▪ Semantisch (algemene kennis; meer corticaal in brein)
▪ Episodisch geheugen (gebeurtenis; erg afh v hippocampus) ->
autobiografisch
- Opslaan info: (test: woorden voorlezen)
Input (zintuiglijk geheugen) -aandacht-> inprenting-herhaling/verwerking->
consolidatie
Inprenting: KTG
Consolidatie: LTG
V LTG nr KTG: oproeping/ herkenning; herinnering
Als oproepingsprobleem (proces FTC) maar geen herkenningsprobleem (proces
mesiaal temporale cortex): vaak een frontal probleem of depressie (ZvA: zowel
herkenning als oproeping gestoord)
Hoofdstuk: inleiding tot de psychiatrie
Bespreek trias psychica. Welke 4e knn we daaraan toevoegen?
De psychische functies die we onderscheiden :
1. Cognitief: denken en waarnemen
- Bewustzijn: lichte bwz daling, somnolent, soporeus (laatste 2 denk aan
intoxicatie/delier)
- Aandacht: verhoogde afleidbaarheid (delier/ manie), hypervigiliteit (overmatig
oplettend, reageert op elke prikkel)(manische episode)
- Geheugen: stoornis KTG, stoornis LTG, confabulatie (denk aan Korsakov)
- Intellectuele functies: mild, matige of ernstige intellectuele beperking (vb
beperkte woordenschat)
- Waarneming : visuele, auditieve hallucinaties
- Denken: incoherentie, gedachtenstop (denk aan schizofrenie), gedachten vlucht
(associatief denken, denk manie), dwanggedachten, suïcidaliteit
2. Affectief: gevoelsleven
- Stemming: eufoor, depressief, dysfoor
- Affect: labiel affect (snel wisselende emoties zonder externe aanleiding), vlak
affect, inadequaat affect, angst/ paniekaanvallen, fobie en vermijdingsgedrag
3. Connatief: motivatie, wil
- Psychomotoriek: psychomotore agitatie, psychomotore retardatie, katatonie
- Motivatie en gedrag: middelengebruik, eetgedrag, dwanghandelingen
4. Het lichaam en het interpersoonlijk functioneren
Bijvraag: geef de connatieve S bij een schizofrene pt
- Apathie: emotionele en motivationele onverschilligheid-> verlies v motivatie
- Initiatiefverlies
- Sociaal terugtrekgedrag
- Anhedonie
- Alogia: verminderde spraakproductie (verminderd denken dat zich uit als
verminderde spraak)
- Psychomotore stoornissen: katatonie
Bijvraag: wat is katatonie? Bij welke stoornissen komt het voor en hoe zou je het
behandelen ?
= psychomotorische stoornis in beweging, houding, spraak en die niet verklaard w dr
een neurologische aandoening
Dus stoornis in het connatieve domein
- Bij schizofrenie, ernstige depressie, bipolaire stoornis
, - Ook bij schizo affectieve stoornis
- Somatisch/ neurologisch: bij delier, intoxicatie/ medicatie (vb ook bij AP)
Behandeling:
- 1e keus is benzo
- 2e keus ECT
+ behandelen van de onderliggende aandoening
NIET AP; kan het verergeren en kans op maligne neuroloptisch syndroom
Bijvraag : wat is stupor?
= een toestand v bijna volledige afwezigheid v spontane beweging en spraak, geen
reactie op pijn of stimuli
➔ Bwz stoornis
Vb dissociatieve stoornis, intoxicatie, katatonie
Bijvraag: bij welk soort stoornissen zou je veel connatieve kenmerken knn zien?
Schizofrenie, depressie, bipolaire stoornis, neurocognitieve stoornis (dementie)
Bespreek voor- en nadelen van de DSM. Waar houdt de DSM geen rekening mee?
Voordelen
- Gestandaardiseerde classificatie: op basis v clusters v S die samen voorkomen
een psychiatrische D stellen
- Laat flexibiliteit toe: als dit er niet was dan zou classificatie vr onderzoek
onmogelijk w + anders zou je ook evenveel D als pt hebben
Nadelen:
- Op basis v klinische S dus niet echt objectiveerbaar vb bloed oz
- Psychiatrische stoornissen zn niet homogeen : bemoeilijkt de zoektocht nr de
onderliggende neurobiologie en de optimale behandeling
- Zegt weinig of niets over de oorzaak vd aandoening, de hersenfuncties die
verstoord zn bij een bepaalde aandoening, het levensverhaal vd pt, de betekenis
vr de pt en zijn omgeving
Bijvraag: is de DSM goed voor wetenschappelijk onderzoek?
Ja en neen: ja want het is een gestandaardiseerde definitie dus iedereen gebruikt wel
dezelfde criterie: min of meer gelijke groepen populaties
Neen, het is te categorisch (terwijl net veel stoornissen dimensioneel zijn)
,Pt A met een depressie zal andere cluster v S hebben dan pt B hoewel ze wel beide
mogelijks voldoen aan de D v depressive volgens DSM5=> veel heterogeniteit binnen D
+ houdt gn rekening met comorbiditeiten hoewel veel pt eigl voldoen aan meerdere D
Bijvraag: Wat zou het voordeel zijn van het minder categorisch te maken en meer op
symptoom dimensie
- Zou beter aansluiten bij de werkelijkheid dan aangezien veel D een continuum zn
- Betere behandeling opties want dan kan je meer inschatten hoe “agressief de
therapie moet zn” vb lichte katatonie vs extreme
- Monitoring v progressie: dimensies zn gevoelig vr veranderingen over de tijd!
Bijvraag: Wat is de tegenhanger
ICD11
Bijvraag: Er is veel overlap tussen verschillende ziektes, hoe zou je dit op een andere
manier kunnen voorstellen (tip het komt uit mijn lessen)
- Eerder symptoom gebaseerd: dus onderscheid op basis v S -> verschillende
dimensies die dan wel overlappen
- Dus S bij elkaar nemen ipv categoriën (vb depressie)
- Sommige S komen bij meerdere stoornissen voor
- Je kan dan ook T meer richten op het kernsymptoom ipv op de D
Dus symptoom clusters en dimensies als uitgangspunt nemen
Bespreek de psychiatrische anamnese in 5 stappen
1. Speciële anamnese
- Bevragen hoofdklacht
2. Algemene psychiatrische anamnese (cognitief, affectief, conatief dus onderzoek
vd 3 psychopathologische domeinen zowel dr anamnese als dr observatie)
3. Persoonlijke psychiatrische VG en familiale psychiatrische VG
- Bij de familiale dan focus op de 1e graads verwanten (ouders/ kinderen/ broer en
zus)
- Sterke genetische component bij: bipolaire stoornis, ASS, schizofrenie, manisch
depressieve ziekte
4. Somatisch anamnese en lich onderzoek
- Vermoeid, pijn, druk op borst, duizelig, tintelingen etc knn een functioneel
karakter hebben => somatisch oz
5. Sociale anamnese
, - Leefsituatie, werk/ hobby, toekomstplannen en zingeving
6. Ontwikkelingsanamnese
- Polsen nr factoren die voortbeschikken/ beschermen tegen psychiatrische
stoornissen
- Opvoedingsstijl ouders, verlating, trauma
Hoofdstuk: neurocognitieve stoornissen
Bespreek de cognitieve domeinen van neurocognitieve stoornissen
6 cognitieve domeinen in DSM5
1. Complexe aandacht
- Volgehouden aandacht
- Selectieve aandacht (kleuren lees test: Stroop test)
- Verdeelde aandacht: aandacht richten op meerdere taken
2. Executieve functies
Plannen, redeneren, genereren (vb zo veel mogelijk dieren in 1 min), werkgeheugen,
bijsturen
Vaak gestoord bij frontale pathologie
3. Geheugen
- Zintuiglijk geheugen: iconisch/ echoïsch geheugen
- KTG/ werkgeheugen: enkele sec/ min
- LTG:
o Impliciet geheugen (onbewust) -> procedureel geheugen (vaardigheden/
conditionering)
o Expliciet geheugen (bewust) -> declaratief geheugen (vanaf 3j,
oproepbaar)
▪ Semantisch (algemene kennis; meer corticaal in brein)
▪ Episodisch geheugen (gebeurtenis; erg afh v hippocampus) ->
autobiografisch
- Opslaan info: (test: woorden voorlezen)
Input (zintuiglijk geheugen) -aandacht-> inprenting-herhaling/verwerking->
consolidatie
Inprenting: KTG
Consolidatie: LTG
V LTG nr KTG: oproeping/ herkenning; herinnering
Als oproepingsprobleem (proces FTC) maar geen herkenningsprobleem (proces
mesiaal temporale cortex): vaak een frontal probleem of depressie (ZvA: zowel
herkenning als oproeping gestoord)