Samenvatting Personenbelasting (WIB 92)
Hoofdstuk 2 – Algemeen belastingplicht
1. Personenbelasting: algemene kenmerken
Van toepassing op natuurlijke personen
Progressieve tarieven: hoe hoger het inkomen, hoe hoger het
gemiddeld tarief
Belastbaar tijdperk = kalenderjaar
Aanslagjaar = jaar volgend op het inkomstenjaar
2. Belastingplichtigen
Rijksinwoners
Personen met woonplaats of zetel van fortuin in België
Belast op het wereldwijd netto-inkomen
Beoordeling is feitelijk (duurzaam verblijf)
Niet-rijksinwoners
Geen woonplaats in België
Enkel belast op Belgische inkomsten
Niet onderworpen aan personenbelasting
Diplomaten en consulaire ambtenaren (onder voorwaarden)
Bepaalde internationale ambtenaren
Personen in het wachtregister (beperkte uitzonderingen)
3. Fiscale woonplaats en gewest
Bepaald op 1 januari van het aanslagjaar
Gewest bepaalt de toepassing van gewestelijke
belastingverminderingen en opcentiemen
4. Aanslagstelsel
Principe: één aangifte en één aanslag per belastingplichtige
Gemeenschappelijke aanslag bij huwelijk of wettelijke samenwoning
Uitzonderingen: jaar van huwelijk, scheiding, overlijden (keuzerecht)
5. Kinderen en personen ten laste
Inkomsten van minderjarige kinderen worden bij de ouders gevoegd
Uitzonderingen: onderhoudsgelden en beroepsinkomsten
Belangrijk voor bepaling van personen ten laste
,Hoofdstuk 3 – Roerende inkomsten
1. Begrip roerende inkomsten
Inkomsten uit kapitalen en roerende goederen: - Interest - Dividenden -
Auteursrechten - Roerende verhuur - Renten
2. Belastbare grondslag
Netto-roerend inkomen = bruto-inkomen – aftrekbare kosten
Vaak wordt roerende voorheffing ingehouden aan de bron
3. Roerende voorheffing (RV)
Standaardtarief: 30%
In principe bevrijdend (geen aangifte nodig)
4. Vrijstellingen in de personenbelasting
Eerste schijf interesten op gereglementeerde spaardeposito’s (€ 1.020)
Eerste schijf dividenden (€ 833)
Specifieke vrijstellingen voor startersleningen en liquidatiereserves
5. Verplichte aangifte
Buitenlandse roerende inkomsten
Auteursrechten
Interest boven vrijgestelde grens bij meerdere spaardeposito’s
6. Belasting
Afzonderlijk tarief van 30%
Geen gemeentebelasting op interesten en dividenden
Globalisatie mogelijk indien voordelig
, Hoofdstuk 4 – Winst (vak XVII) – Deel I
1. Begrip winst
Winst = beroepsinkomsten van: - Handelaars - Industriëlen - Landbouwers
2. Brutowinst
Bestaat uit: - Omzet (excl. btw) - Voorraadwijzigingen - Andere
beroepsopbrengsten (subsidies, schadevergoedingen)
Formule: > Omzet + eindvoorraad – aankopen – beginvoorraad
3. Beroepskosten
Aftrekbaar indien: - Gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen -
Werkelijk en verantwoord - Betrekking hebben op het belastbaar tijdperk
Voorbeelden: - Handelsgoederen - Huur en energie - Sociale bijdragen -
Afschrijvingen
Hoofdstuk 2 – Algemeen belastingplicht
1. Personenbelasting: algemene kenmerken
Van toepassing op natuurlijke personen
Progressieve tarieven: hoe hoger het inkomen, hoe hoger het
gemiddeld tarief
Belastbaar tijdperk = kalenderjaar
Aanslagjaar = jaar volgend op het inkomstenjaar
2. Belastingplichtigen
Rijksinwoners
Personen met woonplaats of zetel van fortuin in België
Belast op het wereldwijd netto-inkomen
Beoordeling is feitelijk (duurzaam verblijf)
Niet-rijksinwoners
Geen woonplaats in België
Enkel belast op Belgische inkomsten
Niet onderworpen aan personenbelasting
Diplomaten en consulaire ambtenaren (onder voorwaarden)
Bepaalde internationale ambtenaren
Personen in het wachtregister (beperkte uitzonderingen)
3. Fiscale woonplaats en gewest
Bepaald op 1 januari van het aanslagjaar
Gewest bepaalt de toepassing van gewestelijke
belastingverminderingen en opcentiemen
4. Aanslagstelsel
Principe: één aangifte en één aanslag per belastingplichtige
Gemeenschappelijke aanslag bij huwelijk of wettelijke samenwoning
Uitzonderingen: jaar van huwelijk, scheiding, overlijden (keuzerecht)
5. Kinderen en personen ten laste
Inkomsten van minderjarige kinderen worden bij de ouders gevoegd
Uitzonderingen: onderhoudsgelden en beroepsinkomsten
Belangrijk voor bepaling van personen ten laste
,Hoofdstuk 3 – Roerende inkomsten
1. Begrip roerende inkomsten
Inkomsten uit kapitalen en roerende goederen: - Interest - Dividenden -
Auteursrechten - Roerende verhuur - Renten
2. Belastbare grondslag
Netto-roerend inkomen = bruto-inkomen – aftrekbare kosten
Vaak wordt roerende voorheffing ingehouden aan de bron
3. Roerende voorheffing (RV)
Standaardtarief: 30%
In principe bevrijdend (geen aangifte nodig)
4. Vrijstellingen in de personenbelasting
Eerste schijf interesten op gereglementeerde spaardeposito’s (€ 1.020)
Eerste schijf dividenden (€ 833)
Specifieke vrijstellingen voor startersleningen en liquidatiereserves
5. Verplichte aangifte
Buitenlandse roerende inkomsten
Auteursrechten
Interest boven vrijgestelde grens bij meerdere spaardeposito’s
6. Belasting
Afzonderlijk tarief van 30%
Geen gemeentebelasting op interesten en dividenden
Globalisatie mogelijk indien voordelig
, Hoofdstuk 4 – Winst (vak XVII) – Deel I
1. Begrip winst
Winst = beroepsinkomsten van: - Handelaars - Industriëlen - Landbouwers
2. Brutowinst
Bestaat uit: - Omzet (excl. btw) - Voorraadwijzigingen - Andere
beroepsopbrengsten (subsidies, schadevergoedingen)
Formule: > Omzet + eindvoorraad – aankopen – beginvoorraad
3. Beroepskosten
Aftrekbaar indien: - Gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen -
Werkelijk en verantwoord - Betrekking hebben op het belastbaar tijdperk
Voorbeelden: - Handelsgoederen - Huur en energie - Sociale bijdragen -
Afschrijvingen