1. Nieren
1.1. Algemeen
Herhaling Patho I:
Totaal lichaamswater = 50-70% lichaamsgewicht
Intracellulair: 25L (30-40%)
Extracellulair: 16L (20%)
- Interstitieel: 11L
- Plasma: 3L
- Transcellulair: 2L
Lichaamsvloeistoffen meten: door bepaalde hoeveelheid molecule toe te
dienen die enkel homogeen verdeeld is over bewust compartiment
Distributievolume = totale hoeveelheid toegediend/ concentratie in
staal
Totale hoeveelheid lichaamswater = dilutiemethode met D2O
(deuteriumoxide of zwaar water)
Plasmavolume = kleurstoffen die op plasma-eiwitten binden
toevoegen of radioactief gemerkt albumine
Volume extracellulaire vloeistof = moeilijk omdat weinig stoffen
enkel extracellulair zijn; beste is via inuline
Volume interstitiële vloeistof = ECV – plasmavolume
Volume intracellulaire vloeistof = totale lichaamswater - ECV
Functies:
Zuivering van wateroplosbare toxines uit lichaam
Zout- en waterbalans bewaren
Zuur-base evenwicht bewaren
Elektrolytbalans
Bloeddrukregeling door activatie RAAS as
Endocriene functie: EPO-productie & activatie van Vit D via hydroxylering
(1-OH)
Gebeurt door:
Primaire die gevormd w door massale filtratie van bloed
Massale heropname/reabsorptie in bloed van nuttige & niet-toxische
gefiltreerde elementen
secretie van bepaalde elementen uit bloed in urine
excretie van elementen (Na+, K+, water, …) waardoor definitieve urine
gevormd w
Boonvormig element thv lenden & bestaat uit nefronen (1-1,5 miljoen per nier
& heeft eigen doorbloeding)
DE NIERDOORBLOEDING
, Arterieel bloed via Arteria renalis
Nierperfusie: 1200 mL/min (20% van hartdebiet)
Zuurstofextractie: klein (<10%)
Perfusieweerstand afh. van myogene tonus & neurogene beïnvloeding
1. Myogene tonus vrij laag in rust, dus maximale perfusie, maar stijgt
als bloeddruk stijgt
Zo blijft bloeddruk cst. binnen bepaalde grenzen van bloeddruk (nier
ingesloten in kapsel dat niet tegen drukverandering kan) =
autoregulatie
2. Neurogene invloed = belangrijkste component voor renale
doorbloeding
Is in rust verwaarloosbaar
α-receptoren: verhoogde orthosympatische activiteit
nierarteriolen contraheren/ vasoconstrictie verminderde
doorbloeding
β-receptoren: verminderde renine vrijstelling
vasoconstrictie o.i.v. angiotensine II & verhoogd zout- en
waterretentie
Redistributie bij bloedingen, inspanningen, …
Intrarenale bloedvaten vertakken tot afferente/ aanvoerende arteriolen (1 per
nefron) bloed naar glomerulus = capillair netwerk waar bloed gefilterd wordt
gefilterd bloed naar nefron
niet-gefilterd bloed naar efferente/ afvoerende arteriol in peritubulair
capillair netwerk: uitwisseling met nierweefsel
Veneus/ zuurstofarm bloed in Vena renalis
STRUCTUUR VAN HET NEFRON
1. Afferente arteriole
2. Kapsel van Bowman
3. Glomerulus
4. Proximale tubulus
5. Efferente arteriole
6. Waterdoorlaatbaar dalende deel van lis v
Henle
7. Water impermeabel drijgend deel van lis v
Henle
8. Distale tubulus
9. Verzamelbuisje
Glomerulus = capillair netwerk + kapsel van Bowman met functie:
glomulaire filtratie
, Tubulus = lusvormige buis bestaande uit proxiamel kronkelbuis, lis van
Henle met afdalende en stijgende tak & distale kronkelbuis
Verzamelbuisje/ ducti colligentes =collecteren urine uit verschillende
nefronen & leiden urine naar nierkelk
MACROSCOPISCH UITZICHT VAN DE NIER
cortex/ schors aan
buitenkant met korrelige
structuur door aanwezigheid
glomeruli
Medulla/ merg heeft
gestreept uitzicht door
convergerende lissen van
Henle en ducti colligentes
(vormen samen
nierpyramiden)
Urine druppelt bij nierpapillen
uit nierpyramiden naar
nierkelk/ calyx
Verschillende calyxen verzamelen in nierbekken/ pelvis via
urineleider/urether naar blaas via urinebuis/ urethra naar buiten
1.2. Algemene waterhuishouding
Water = belangrijkste component (50-70%)
Extracellulaire vloeistoffen: rijk aan NaCl
Intracellulaire vloeistoffen: rijk aan KCl
Overgang van water naar ≠ compartimenten afh. van
Osmotische, oncotische krachten (colloïd osmotische druk)
Hydraulische krachten
Actieve pompen die water & elektrolyten naar andere compartimenten
brengen
Intracellulair milieu cst. door actieve pompen (Na+/K+-ATPase)
Interstitieel vocht = vocht tussen de cellen
Transcellulair vocht = vocht gevangen in bv. extracellulaire matrix
Extracellulair milieu cst. gehouden door plasma osmolariteit < NaCl
Zoutinname retentie van water dorstgevoel door stimulatie van ADH
= antidiuretisch hormoon
Overmaat aan zout excreteren stimulatie ANP = atrial natriuretic
peptide inhibitie renine-angiotensine-aldosteron systeem
Dagelijks: 180L primaire urine in glomeruli