LES 1 – INLEIDING EN
FILMHISTORIOGRAFIE
1. FILM ALS SOCIAAL-CULTUREEL GEGEVEN
VOORBEELD: CINEMA TUSCHINSKI, AMSTERDAM (1929)
Promofilmpje voor de film ICH GLAUB NIE MEHR AN EINE FRAU (Reichmann, 1930) met
Richard Tauber.
Het fragment toont:
• lange wachtrijen → film als massafenomeen; de cinema was hét populaire
vrijetijdsvermaak;
• sociale menging: mensen van verschillende klassen, generaties en genders samen;
o vrouwen stonden meestal bij vrouwen, mannen bij mannen, maar het publiek
was gemengd;
• de sfeer van plezier, zang en collectieve beleving.
In Vlaanderen werd de populariteit van cinema bijvoorbeeld weerspiegeld in lokale
krantenadvertenties, zoals DE VOLKSSTEM (Aalst, 1933) die Taubers film aankondigde.
→ Dit illustreert hoe film vanaf het interbellum een volkse, alledaagse praktijk werd, niet enkel
een artistiek medium.
Toevoeging uit Cook:
Volgens Cook was film van bij de oorsprong een cultureel medium dat het moderne industriële leven
vormgaf:
“Moving photographic images have become part of the total environment of modern industrial society …
they have a shaping impact on our lives” (reader, p. xvii).
Hij beschouwt film als een nieuwe taalvorm die de mens “omringt, beïnvloedt en structureert”,
vergelijkbaar met taal of schrift, maar veel minder begrepen (reader, p. xviii).
SOCIAAL-CULTURELE ARGUMENTEN
• Star system: acteurs en actrices fungeren als maatschappelijke voorbeelden; sterren
creëren sociale identificatie.
• Leisure culture: film werd het belangrijkste medium voor ontspanning in de 20e eeuw.
• Film als collectieve ervaring: bioscoopbezoek droeg bij aan stedelijke moderniteit,
nieuwe vormen van samenleven en identiteit.
2. ECONOMISCH BELANG VAN FILM
,2.1 ARGUMENTEN CONTRA
• Film lijkt op het eerste gezicht iets “van het verleden”:
o Daling van bioscoopinfrastructuur en bezoekfrequentie.
o Kleinere, artisanale filmproductie met beperkte budgetten.
o Blijvende overheidssteun noodzakelijk.
→ Toch blijft film relevant en economisch levendig.
2.2 ARGUMENTEN PRO
HISTORISCH BELANG
• Film creëerde werkgelegenheid voor technici, regisseurs, acteurs, distributeurs,
exploitanten.
• Een volwaardige industriële activiteit: productie – distributie – exploitatie.
ACTUEEL BELANG
• Ondanks tanende bioscoopexploitatie en concurrentie met andere “screen media” (tv,
streaming, internet) is er nog steeds een:
o stijgend productievolume wereldwijd (met name in China en India).
o stijgende ticketverkoop (EAO-statistieken).
• Let op voor eurocentrisme: de globale filmindustrie is vandaag veel breder dan
Hollywood of Europa.
GEBRUIK EN DUURZAAMHEID
• Gebruikswaarde: films behouden een lange culturele en commerciële levensduur door
archieven, re-releases, streaming.
• “Blijvende kwaliteit”: herbruikbaarheid van films via nieuwe distributievormen (DVD,
VOD, Netflix, enz.).
FILMGESCHIEDENIS = VOORTDUREND HERGEBRUIK EN HERINTERPRETATIE.
ECONOMISCH SCHEMA
(zoals op slide 15)
PRODUCTION → DISTRIBUTION → EXHIBITION
Film als circulerend economisch product door een keten van producenten, distributeurs,
exploitanten en mediaplatforms.
Reader-aanvulling:
Cook wijst erop dat technologische innovatie altijd voorafgaat aan esthetische vernieuwing:
“No artist can express him- or herself in cinema in ways which exceed the technological
capabilities of the machines” (reader, p. 6).
Dat betekent dat de filmindustrie niet enkel economisch maar ook technologisch bepalend is
voor de mogelijkheden van filmkunst.
,3. POLITIEK BELANG VAN FILM
• Film als propagandamiddel: gebruikt door regimes om ideologie te verspreiden.
• Voorbeelden: Sovjetcinema, nazi-cinema, hedendaagse Chinese oorlogsfilms (The
Battle at Lake Changjin, 2021).
• Film als ideologisch wapen: beïnvloedt publieke perceptie, nationalisme, collectieve
herinnering.
Politieke context en ideologie vormen een rode draad doorheen de cursus.
Reader-aanvulling:
Cook noemt film “the quintessential art form of our century” omdat het zowel collectieve als
individuele lotsbestemmingen uitdrukt (reader, p. xix).
Daarmee benadrukt hij dat film steeds een maatschappelijke en politieke dimensie heeft —
het vertelt verhalen over mensen én over de structuren waarin zij leven.
4. FILM ALS ESTHETIEK EN VERTELVORM
FILMISCHE ANALYSE
Vragen die filmesthetiek oproept:
• Logica van ruimte, tijd, handeling en personages;
• Verteltechniek: spanningsboog, montage, informatieverdeling;
• Relatie tussen kijker en verbeelde wereld;
• Film als systeem van representatie en betekenisgeving.
→ Doel van de cursus: inzicht in de groei van film- en audiovisuele beeldtaal.
VOORBEELD: La Garçonne (DU PLESSY, 1923)
• Problematische film: in verschillende landen verboden (Fr., enz.).
• Gaat over een burgerlijke vrouw met een traumatische ervaring met een man, die zich
genderfluïde ontwikkelt (trans, biseksueel).
• In België niet gecensureerd → toont de relatieve vrijzinnigheid van het Belgische
filmlandschap.
• Vertelt zonder woorden, via gebaren en montage.
→ Film als esthetische én morele grensverkenning.
Reader-aanvulling:
Cook verklaart dat film gebaseerd is op perceptuele illusies — de “persistence of vision” en het
“phi phenomenon” laten ons stilstaande beelden als beweging ervaren (reader, p. 1–2).
Deze illusie vormt de kern van filmesthetiek: cinema creëert een mentale werkelijkheid die niet
fysiek bestaat maar als waar wordt ervaren.
→ “The continuity of movement and light that seems to be the most palpable quality of the cinema
exists only in our brains” (reader, p. 2).
, 5. IMPACT VAN FILM EN DE “CINEMATIC IMAGINATION”
Film beïnvloedt niet enkel kijkgedrag, maar ook literatuur, kunst en denken.
LITERATUUR
• Don DeLillo (in VALLENDE MAN):
“More than writers, the major influences on me have been European movies.”
→ Film beïnvloedt schrijfstijl, ritme, visuele verbeelding.
KUNST
• Marlene Dumas: “It was film that taught me the rules of the imagination, not reality.”
→ Film verandert hoe kunstenaars denken over representatie.
RENE MAGRITTE EN DE CINEMATIC IMAGINATION
• Belgische schilder (1898–1967), grote filmfan en amateurfilmer.
• Noemde film de “trampoline de l’imagination” — een springplank voor verbeelding.
• Rebelse, stedelijke, modernistische geest: geïnspireerd door volkse cinema, niet de
avant-garde.
• Verwerkte filmische technieken in zijn schilderijen:
o doek als motief
o close-ups en uitvergrotingen
o trompe-l’œil en projecties
o montage en juxtapositie
o narrativiteit en illusie van werkelijkheid
• Maakte ook surrealistische “home movies” (CINEMA BLEU, L’ASSASSIN MENACE, LE
RETOUR DE LA FLAMME).
• Zie: Lucy Fischer (2019), CINEMAGRITTE.
Reader-aanvulling:
Cook schrijft dat cinema van bij de oorsprong functioneerde als een universele taal, een
“audiovisual language form” waarmee mensen verhalen konden vertellen zonder woorden
(reader, p. xviii).
→ Dit ondersteunt het idee van de cinematic imagination: film als collectieve taal van
verbeelding, die kunstenaars als Magritte of Dumas inspireerde.
6. CONCEPTEN: FILM VS. CINEMA
Begrip Betekenis
Film Het geprojecteerde beeld, het audiovisuele product.
Cinema De sociale en industriële context: de plaats, beleving, infrastructuur, industrie.