© 2026 – Kato Van de Velde
Zakelijke & juridische communicatie:
2. publiekgericht schrijven:
2.1 doelgroep:
om doelgroep te behalen op zoek gaan naar antwoorden op een paar vragen
demografische kenmerken:
woonplaats?
leeftijd?
geslacht?
opleidingsniveau?
functie of beroep?
sociaal – economische status?
kennisniveau & expertise:
wat weet de doelgroep al over het onderwerp?
hebben ze vakkenkennis of moet je dingen uitleggen?
zijn er technische termen die je kunt gebruiken of juist moet vermijden?
doelen, belangen & behoeften:
wat wil de doelgroep bereiken?
waar liggen hun prioriteiten?
welke problemen of wensen hebben zij?
welke ideeën of vooroordelen hebben zij?
relatie tot jou & jouw organisatie:
is het een klant, partner, leverancier, collega of overheidsdienst?
wat is de machtsverhouding of hiërarchische relatie?
is het contact louter formeel of informeel?
culturele achtergrond of bedrijfscultuur:
zijn er culturele gewoonten of gevoeligheden?
hoe word er normaal gecommuniceerd binnen dat bedrijf of die sector?
lekentaal = vooral vak externe communicatie
juristentaal = voor vak interne communicatie
2.2 boodschap:
volgende zaken zouden helder moeten zijn voor de lezer:
wie jij bent (schrijver)
waarover het precies gaat
wat dit voor de lezer betekent
welke concrete actie de lezer moet ondernemen & tegen wanneer
hoe het nu verder gaat
wie de lezer kan contacteren met vragen
4 aspecten van communicatieve boodschappen:
referentiële aspect: de zakelijke inhoud van de boodschap
1
, © 2026 – Kato Van de Velde
expressieve aspect: zender verraad iets over zijn persoonlijkheid, opvattingen, waarden, …
relationele aspect: de houding die de zender tegenover de lezer aanneemt
appellerend aspect: wat de zender wil bereiken
zender boodschap ontvanger
2.3 tekstdoel:
informeren (bv. nieuwsartikel)
overtuigen (bv. opiniestuk)
aansporen tot actie (bv. betogingsoproep)
vragen om informatie (bv. enquête)
primaire teksten = hebben officiële status & vaste opbouw
secundaire teksten = dienen als ondersteuning voor primaire & hebben geen officiële waarde
dagvaarding van gerechtsdeurwaarder (aansporen tot actie)
notariële verkoopakte (informeren)
vonnis van vrederechter (informeren / overtuigen / aansporen tot actie)
folder over echtscheidingsprocedures (informeren)
3. spelling:
3.1 werkwoordspelling:
3.1.1 basisregels:
OTT:
1e persoon enkelvoud: stam
2e persoon enkelvoud: stam + t
inversieregel: geen -t als ‘je’ onderwerp is na w.w.
3e persoon enkelvoud: stam + t
OVT:
stam + de of te
regel: ’t kofschip
Voltooid deelwoord:
ge + stam + d of t
regel: ’t kofschip
eindigt nooit op dt !!!
Imperatief (bevelvorm):
stam
U = onderwerp: stam + t
U = lijdend voorwerp: stam (reflexieve w.w. zich)
’t kofschip regel: als stam van w.w. eindigt met medeklinker uit ’t kofschip, -t vanachter geen
dt !!
3.1.2 Engelse werkwoorden:
2
, © 2026 – Kato Van de Velde
Basisregel: volgen regel van ’t kofschip
bv. brunchen - brunchte - gebruncht
Uitzonderingen:
als -e op einde van stam nodig is voor uitspraak blijft ze staan, geen invloed
op regel van ’t kofschip
vb. skaten - skatete - geskatet
dubbele medeklinker in stam verdwijnt alleen als klank is vernederlandst
vb. crossen - croste - gecrost
lange -o in infinitief word verdubbeld in vervoeging
vb. quoten - quootte - gequoot
3.1.3 moeilijke werkwoorden:
infinitief OVT voltooid deelwoord
aanzien zag aan aangezien
afgelasten gelastte af afgelast
bederven bedierf bedorven
benijden benijdde benijd
bevallen beviel bevallen
bevelen beval bevolen
bidden bad gebeden
blazen blies geblazen
breien breide gebreid
brouwen brouwde gebrouwen
durven durfde gedurfd
ervaren ervaarde / ervoer ervaren
eten at gegeten
gelden gold gegolden
genezen genas genezen
graven groef gegraven
hangen hing gehangen
heffen hief geheven
hijsen hees gehesen
houden hield gehouden
jagen jaagde / joeg gejaagd
klagen klaagde geklaagd
krimpen kromp gekrompen
kunnen kon gekund
lezen las gelezen
lijden lees geleden
meten mat, meette gemeten
mogen mocht gemogen
overhalen (Ned.) haalde over overgehaald
overhalen (Belg.) overhaalde overhaald
plegen (moord) pleegde gepleegd
pluizen ploos / pluisde geplozen / gepluisd
initiatief OVT voltooid deelwoord
3
Zakelijke & juridische communicatie:
2. publiekgericht schrijven:
2.1 doelgroep:
om doelgroep te behalen op zoek gaan naar antwoorden op een paar vragen
demografische kenmerken:
woonplaats?
leeftijd?
geslacht?
opleidingsniveau?
functie of beroep?
sociaal – economische status?
kennisniveau & expertise:
wat weet de doelgroep al over het onderwerp?
hebben ze vakkenkennis of moet je dingen uitleggen?
zijn er technische termen die je kunt gebruiken of juist moet vermijden?
doelen, belangen & behoeften:
wat wil de doelgroep bereiken?
waar liggen hun prioriteiten?
welke problemen of wensen hebben zij?
welke ideeën of vooroordelen hebben zij?
relatie tot jou & jouw organisatie:
is het een klant, partner, leverancier, collega of overheidsdienst?
wat is de machtsverhouding of hiërarchische relatie?
is het contact louter formeel of informeel?
culturele achtergrond of bedrijfscultuur:
zijn er culturele gewoonten of gevoeligheden?
hoe word er normaal gecommuniceerd binnen dat bedrijf of die sector?
lekentaal = vooral vak externe communicatie
juristentaal = voor vak interne communicatie
2.2 boodschap:
volgende zaken zouden helder moeten zijn voor de lezer:
wie jij bent (schrijver)
waarover het precies gaat
wat dit voor de lezer betekent
welke concrete actie de lezer moet ondernemen & tegen wanneer
hoe het nu verder gaat
wie de lezer kan contacteren met vragen
4 aspecten van communicatieve boodschappen:
referentiële aspect: de zakelijke inhoud van de boodschap
1
, © 2026 – Kato Van de Velde
expressieve aspect: zender verraad iets over zijn persoonlijkheid, opvattingen, waarden, …
relationele aspect: de houding die de zender tegenover de lezer aanneemt
appellerend aspect: wat de zender wil bereiken
zender boodschap ontvanger
2.3 tekstdoel:
informeren (bv. nieuwsartikel)
overtuigen (bv. opiniestuk)
aansporen tot actie (bv. betogingsoproep)
vragen om informatie (bv. enquête)
primaire teksten = hebben officiële status & vaste opbouw
secundaire teksten = dienen als ondersteuning voor primaire & hebben geen officiële waarde
dagvaarding van gerechtsdeurwaarder (aansporen tot actie)
notariële verkoopakte (informeren)
vonnis van vrederechter (informeren / overtuigen / aansporen tot actie)
folder over echtscheidingsprocedures (informeren)
3. spelling:
3.1 werkwoordspelling:
3.1.1 basisregels:
OTT:
1e persoon enkelvoud: stam
2e persoon enkelvoud: stam + t
inversieregel: geen -t als ‘je’ onderwerp is na w.w.
3e persoon enkelvoud: stam + t
OVT:
stam + de of te
regel: ’t kofschip
Voltooid deelwoord:
ge + stam + d of t
regel: ’t kofschip
eindigt nooit op dt !!!
Imperatief (bevelvorm):
stam
U = onderwerp: stam + t
U = lijdend voorwerp: stam (reflexieve w.w. zich)
’t kofschip regel: als stam van w.w. eindigt met medeklinker uit ’t kofschip, -t vanachter geen
dt !!
3.1.2 Engelse werkwoorden:
2
, © 2026 – Kato Van de Velde
Basisregel: volgen regel van ’t kofschip
bv. brunchen - brunchte - gebruncht
Uitzonderingen:
als -e op einde van stam nodig is voor uitspraak blijft ze staan, geen invloed
op regel van ’t kofschip
vb. skaten - skatete - geskatet
dubbele medeklinker in stam verdwijnt alleen als klank is vernederlandst
vb. crossen - croste - gecrost
lange -o in infinitief word verdubbeld in vervoeging
vb. quoten - quootte - gequoot
3.1.3 moeilijke werkwoorden:
infinitief OVT voltooid deelwoord
aanzien zag aan aangezien
afgelasten gelastte af afgelast
bederven bedierf bedorven
benijden benijdde benijd
bevallen beviel bevallen
bevelen beval bevolen
bidden bad gebeden
blazen blies geblazen
breien breide gebreid
brouwen brouwde gebrouwen
durven durfde gedurfd
ervaren ervaarde / ervoer ervaren
eten at gegeten
gelden gold gegolden
genezen genas genezen
graven groef gegraven
hangen hing gehangen
heffen hief geheven
hijsen hees gehesen
houden hield gehouden
jagen jaagde / joeg gejaagd
klagen klaagde geklaagd
krimpen kromp gekrompen
kunnen kon gekund
lezen las gelezen
lijden lees geleden
meten mat, meette gemeten
mogen mocht gemogen
overhalen (Ned.) haalde over overgehaald
overhalen (Belg.) overhaalde overhaald
plegen (moord) pleegde gepleegd
pluizen ploos / pluisde geplozen / gepluisd
initiatief OVT voltooid deelwoord
3