Doorheen de cursus zijn verschillende opvattingen van vrijheid besproken: onder meer
negatieve vrijheid en democratische vrijheid.
- Leg deze twee opvattingen van vrijheid uit.
- Verduidelijk op welke manier deze opvattingen van vrijheid elkaar niet noodzakelijk
veronderstellen en eventueel zelfs met elkaar in conflict kunnen komen. Vermeld in
dat verband deze twee auteurs op een zinvolle manier: I. Berlin en J.S. Mill.
Negatieve vrijheid, zoals uitgewerkt door Isaiah Berlin, betekent de afwezigheid van inmenging door anderen of
door de staat. Iemand is vrij voor zover niemand zijn of haar handelen belemmert. Vrijheid wordt hier opgevat als
een handelingsruimte: zolang er geen obstakels of dwang zijn, is men vrij (non-interference). In deze liberale traditie
wordt vrijheid meestal beperkt via het schadebeginsel van John Stuart Mill: inmenging is alleen gerechtvaardigd
wanneer het handelen van iemand schade berokkent aan anderen. De staat moet zich dus zo veel mogelijk onthouden
van bemoeienis.
Democratische vrijheid (of republikeinse vrijheid) vertrekt van een andere gedachte. Vrijheid betekent hier niet
louter niet-gehinderd worden, maar niet onderworpen zijn aan willekeurige macht (non-domination). Iemand kan
onvrij zijn zelfs wanneer er geen feitelijke inmenging is, bijvoorbeeld wanneer men afhankelijk is van de willekeur
van een ander. Omgekeerd kan inmenging soms vrijheid bevorderen, namelijk wanneer die inmenging gebeurt via
democratisch tot stand gekomen wetten die rekening houden met de belangen en meningen van burgers. In dat geval
vormt de wet geen onderdrukking, maar net een voorwaarde voor vrijheid.
, In zijn gastcollege heeft Stefan Rummens dit citaat van Vivien Schmidt ter sprake gebracht.
“Op nationaal niveau hebben we politiek zonder beleid, op Europees niveau hebben we
beleid zonder politiek.” Leg uit wat met dit citaat wordt bedoeld (3p.), en waarom Rummens
het besproken heeft.
"Op nationaal niveau hebben we politiek zonder beleid, (...)"
Dit deel van het citaat wijst op het feit dat er op nationaal niveau nog veel politiek is, bijvoorbeeld verkiezingen en
debatten. Nationale politici hebben echter steeds minder beleidsruimte, doordat veel belangrijke beslissingen op
Europees niveau vastliggen. Beleid omtrent onder andere begrotingen en migratie ligt vast op Europees niveau.
"(...) op Europees niveau hebben we beleid zonder politiek."
Op Europees niveau gebeurt dan net het omgekeerde. Er wordt veel beleid gemaakt met grote gevolgen voor de
lidstaten, maar dit gebeurt op een technocratische manier. Er is weinig politiek aanwezig op Europees niveau. Zo is
er weinig zichtbaar politiek debat en weinig betrokkenheid van burgers.
Rummens besprak dit citaat van Vivien Schmidt omdat het laat zien dat de Europese Unie technocratisch werkt en
hoe dit een 'democratisch deficit' veroorzaakt. Doordat burgers het gevoel krijgen dat ze geen echte invloed hebben
op het beleid, ontstaat er onrust, wat kan uitlopen in een opkomst van populisme.
negatieve vrijheid en democratische vrijheid.
- Leg deze twee opvattingen van vrijheid uit.
- Verduidelijk op welke manier deze opvattingen van vrijheid elkaar niet noodzakelijk
veronderstellen en eventueel zelfs met elkaar in conflict kunnen komen. Vermeld in
dat verband deze twee auteurs op een zinvolle manier: I. Berlin en J.S. Mill.
Negatieve vrijheid, zoals uitgewerkt door Isaiah Berlin, betekent de afwezigheid van inmenging door anderen of
door de staat. Iemand is vrij voor zover niemand zijn of haar handelen belemmert. Vrijheid wordt hier opgevat als
een handelingsruimte: zolang er geen obstakels of dwang zijn, is men vrij (non-interference). In deze liberale traditie
wordt vrijheid meestal beperkt via het schadebeginsel van John Stuart Mill: inmenging is alleen gerechtvaardigd
wanneer het handelen van iemand schade berokkent aan anderen. De staat moet zich dus zo veel mogelijk onthouden
van bemoeienis.
Democratische vrijheid (of republikeinse vrijheid) vertrekt van een andere gedachte. Vrijheid betekent hier niet
louter niet-gehinderd worden, maar niet onderworpen zijn aan willekeurige macht (non-domination). Iemand kan
onvrij zijn zelfs wanneer er geen feitelijke inmenging is, bijvoorbeeld wanneer men afhankelijk is van de willekeur
van een ander. Omgekeerd kan inmenging soms vrijheid bevorderen, namelijk wanneer die inmenging gebeurt via
democratisch tot stand gekomen wetten die rekening houden met de belangen en meningen van burgers. In dat geval
vormt de wet geen onderdrukking, maar net een voorwaarde voor vrijheid.
, In zijn gastcollege heeft Stefan Rummens dit citaat van Vivien Schmidt ter sprake gebracht.
“Op nationaal niveau hebben we politiek zonder beleid, op Europees niveau hebben we
beleid zonder politiek.” Leg uit wat met dit citaat wordt bedoeld (3p.), en waarom Rummens
het besproken heeft.
"Op nationaal niveau hebben we politiek zonder beleid, (...)"
Dit deel van het citaat wijst op het feit dat er op nationaal niveau nog veel politiek is, bijvoorbeeld verkiezingen en
debatten. Nationale politici hebben echter steeds minder beleidsruimte, doordat veel belangrijke beslissingen op
Europees niveau vastliggen. Beleid omtrent onder andere begrotingen en migratie ligt vast op Europees niveau.
"(...) op Europees niveau hebben we beleid zonder politiek."
Op Europees niveau gebeurt dan net het omgekeerde. Er wordt veel beleid gemaakt met grote gevolgen voor de
lidstaten, maar dit gebeurt op een technocratische manier. Er is weinig politiek aanwezig op Europees niveau. Zo is
er weinig zichtbaar politiek debat en weinig betrokkenheid van burgers.
Rummens besprak dit citaat van Vivien Schmidt omdat het laat zien dat de Europese Unie technocratisch werkt en
hoe dit een 'democratisch deficit' veroorzaakt. Doordat burgers het gevoel krijgen dat ze geen echte invloed hebben
op het beleid, ontstaat er onrust, wat kan uitlopen in een opkomst van populisme.