DEEL 1
Accommodatie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Aanpassen van bestaande cognitieve schemas omdat nieuwe informatie er niet in past.[1]
Adaptieve evaluatie – H2, p. 45, 2.2.2 Kwaliteitsvolle evaluatie
Evaluatie die rekening houdt met kenmerken of noden van speciCieke leerlingen (bv. dyslexie)
zodat leerlingen hun kennen en kunnen eerlijk kunnen tonen.[2]
Adaptieve leeromgeving (digitaal gepersonaliseerd leren) – H3, p. 71–72, 3.5
Onderwijsleeromgevingen personaliseren
Digitale leeromgeving die taken, hulp of volgorde automatisch aanpast aan kenmerken van de
leerling (bv. niveau, tempo, interesses).[3]
Agentic AI – H3, p. 66, 2. Historisch overzicht
Nieuwe generatie AI-systemen die niet alleen antwoorden genereren, maar ook zelfstandig acties
kunnen uitvoeren (bv. websites bezoeken, lessen ontwerpen).[3]
AI-ACT (EU-verordening) – H3, p. 87, 6.6 Ethiek, privacy en duurzaamheid
Europees regelgevend kader dat AI-toepassingen indeelt in risicocategorieë n en strenge
verplichtingen oplegt voor hoog-risico-systemen, waaronder veel onderwijs-AI.[3]
Algoritme – H1, p. 18, 4.1.3 Procedures
Strak voorgeschreven procedure die, als je elke stap correct uitvoert, altijd tot de juiste oplossing
leidt.[1]
Amotivatie – H1, p. 23–24, 4.3.1 Leermotivatie
Toestand waarin iemand geen motivatie ervaart en geen bereidheid heeft om met de taak te
beginnen.[1]
Assessment for learning – H2, p. 39, 2.1.2 Soorten evaluaties
Formatieve evaluatie: evaluatie die bedoeld is om het leren te ondersteunen, niet om punten te
geven.[2]
Assessment of learning – H2, p. 39, 2.1.2 Soorten evaluaties
Summatieve evaluatie: evaluatie om na te gaan of doelen bereikt zijn en resultaten vast te
leggen.[2]
Assimilatie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Nieuw materiaal inpassen in bestaande cognitieve schemas zonder dat deze zelf sterk wijzigen.[1]
,Attituden – H1, p. 1, 26, Inleiding; 4.3.2 Attituden
Verzameling van gedachten, emoties en gedragsintenties over een object of thema, die het gedrag
mee bepalen.[1]
Augmented reality (AR) – H3, p. 69, 3.2 Levensechte contexten simuleren
Technologie die een digitale laag (beelden, info) legt bovenop de echte wereld, bijvoorbeeld via
smartphone of bril.[3]
Autonomie (basisbehoefte) – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Behoefte om eigen gedrag als zelfgekozen en niet als opgelegd te ervaren.[1]
Autonome motivatie – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Motivatie omdat je iets zelf waardevol of interessant vindt; hangt samen met diep leren en
welbevinden.[1]
Bednet / synchroon internetonderwijs – H3, p. 73, 3.8 Plaats en tijd
Organisatie die zieke leerlingen via live video laat deelnemen aan de les (synchroon
afstandsonderwijs).[3]
Begripskennis – H1, p. 17–18, 4.1.2 Begrippen
Kennis van begrippen en de relaties daartussen; onderdeel van declaratieve kennis.[1]
Begripsvaliditeit – H2, p. 43–44, 2.2.2 Kwaliteitsvolle evaluatie
Mate waarin een toets of vraag precies meet wat men wil meten.[2]
Behaviorisme – H1, p. 1–4, 2.1 Het behaviorisme
Leertheorie die leren ziet als waarneembare gedragsverandering via S-R-associaties, zonder
interne processen te bestuderen.[1]
Beheersingsleren – H1, p. 4, 2.1.3 Impact; H2, p. 54–55, 4.3.1 Beheersingsleren
Onderwijsaanpak waarbij leerstof in eenheden wordt verdeeld, formatief getoetst en pas wordt
verlaten als bijna iedereen de stof beheerst.[2][1]
Black box – H1, p. 2, 2.1 Het behaviorisme
Metafoor: de interne processen tussen stimulus en respons blijven buiten beschouwing.[1]
Buggy procedures – H1, p. 18, 4.1.3 Procedures
Foutief aangeleerde procedures die systematisch tot verkeerde oplossingen leiden.[1]
,Centrale uitvoerder (central executive) – H1, p. 5–6, 2.2.1 De organisatie van het
informatieverwerkingssysteem
Controlecentrum in het werkgeheugen dat aandacht regelt en de informatiestroom stuurt.[1]
Cognitive load theory – H3, p. 68, 3.1 Toegang tot informatie
Theorie over hoe het werkgeheugen belast wordt bij leren; onderscheidt extraneous, essential en
generative processing.[3]
Cognitie – H1, p. 1, Kernwoorden / Inleiding
Verzamelnaam voor mentale processen zoals waarnemen, denken, onthouden en problemen
oplossen.[1]
Cognitieve dissonantie – H1, p. 26–27, 4.3.2 Attituden
Onaangename spanning bij tegenstrijdigheid tussen attitude en gedrag, die meestal leidt tot
aanpassing van een van beide.[1]
Cognitieve strategieën – H1, p. 18–19, 4.1.4 Cognitieve strategieë n
Manieren om informatie op te nemen, verwerken en opslaan (bijvoorbeeld samenvatten,
schema’s maken).[1]
Cognitief schema – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Gestructureerd kennisnetwerk waarin informatie over een onderwerp is georganiseerd.[1]
Cognitivisme – H1, p. 1, 5–9, 2.2 Het cognitivisme
Leertheorie die de mens ziet als actieve informatieverwerker; focust op geheugen,
kennisstructuren en probleemoplossend denken.[1]
Community of practice – H1, p. 11, 2.3.2 Leren in formele en informele contexten
Praktijkgemeenschap waarin beginners deelnemen aan reë le activiteiten en geleidelijk expert
worden.[1]
Competentie (basisbehoefte) – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Behoefte om zich bekwaam en effectief te voelen in activiteiten.[1]
Conceptual change – H1, p. 13–14, 3.2 Leren is een cumulatief proces
Proces waarbij foutieve voorkennis of concepten worden hervormd tot meer wetenschappelijke
opvattingen.[1]
Constructive alignment – H2, p. 33–34, 50, 3–4
Principe dat doelen, evaluatie, leertaken, leerinhouden, werkvormen en media goed op elkaar
afgestemd moeten zijn.[2]
, Constructivisme / kennisconstructie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Opvatting dat leerlingen nieuwe kennis actief opbouwen door die te verbinden met bestaande
schemas.[1]
Contextualisatie / decontextualisatie / recontextualisatie – H1, p. 16, 3.4 Leren is een
gesitueerd proces
Kennis in context leren, losmaken van die context en opnieuw toepassen in andere contexten.[1]
Criteriumgerichte toetsing (criterion-referenced assessment) – H2, p. 46, 2.2.2
Kwaliteitsvolle evaluatie
Beoordeling waarbij prestaties worden vergeleken met vooraf vastgelegde doelen/criteria.[2]
Declaratief geheugen – H1, p. 5–6, 2.2.1 De organisatie van het informatieverwerkingssysteem
Geheugensysteem voor kennis die verbaal uitgedrukt kan worden (feiten, begrippen,
gebeurtenissen).[1]
Declaratieve kennis – H2, p. 38, Figuur 2
Kennis van feiten, begrippen en principes (“weten dat”), in de herziene Bloom o.a. feitelijke en
conceptuele kennis.[2]
Digitalisering (in onderwijs) – H3, p. 63, 1. Inleiding
Evolutie waarbij analoge informatie, processen en materialen omgezet worden naar digitale
vormen en systemen.[3]
Digitale geletterdheid / computer- en informatiegeletterdheid – H3, p. 81, 5. Realiteit
Vermogen om ICT zinvol te gebruiken, informatie online te zoeken, beoordelen en verwerken, en
computationeel denken toe te passen.[3]
Digitale kloof – H3, p. 63–64, 6.4 Digitale kloof
Verschillen tussen groepen in toegang tot, gebruik van en vaardigheden met digitale technologie,
die ongelijkheid kunnen vergroten.[3]
Digisprong – H3, p. 77–78, 4. Randvoorwaarden
Vlaams investeringsplan om digitalisering in scholen te versnellen (toestellen, infrastructuur,
professionalisering).[3]
DigiCompEdu-raamwerk – H3, p. 76–77, 4. Randvoorwaarden
Europees referentiekader dat digitale competenties van leraren beschrijft.[3]
Accommodatie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Aanpassen van bestaande cognitieve schemas omdat nieuwe informatie er niet in past.[1]
Adaptieve evaluatie – H2, p. 45, 2.2.2 Kwaliteitsvolle evaluatie
Evaluatie die rekening houdt met kenmerken of noden van speciCieke leerlingen (bv. dyslexie)
zodat leerlingen hun kennen en kunnen eerlijk kunnen tonen.[2]
Adaptieve leeromgeving (digitaal gepersonaliseerd leren) – H3, p. 71–72, 3.5
Onderwijsleeromgevingen personaliseren
Digitale leeromgeving die taken, hulp of volgorde automatisch aanpast aan kenmerken van de
leerling (bv. niveau, tempo, interesses).[3]
Agentic AI – H3, p. 66, 2. Historisch overzicht
Nieuwe generatie AI-systemen die niet alleen antwoorden genereren, maar ook zelfstandig acties
kunnen uitvoeren (bv. websites bezoeken, lessen ontwerpen).[3]
AI-ACT (EU-verordening) – H3, p. 87, 6.6 Ethiek, privacy en duurzaamheid
Europees regelgevend kader dat AI-toepassingen indeelt in risicocategorieë n en strenge
verplichtingen oplegt voor hoog-risico-systemen, waaronder veel onderwijs-AI.[3]
Algoritme – H1, p. 18, 4.1.3 Procedures
Strak voorgeschreven procedure die, als je elke stap correct uitvoert, altijd tot de juiste oplossing
leidt.[1]
Amotivatie – H1, p. 23–24, 4.3.1 Leermotivatie
Toestand waarin iemand geen motivatie ervaart en geen bereidheid heeft om met de taak te
beginnen.[1]
Assessment for learning – H2, p. 39, 2.1.2 Soorten evaluaties
Formatieve evaluatie: evaluatie die bedoeld is om het leren te ondersteunen, niet om punten te
geven.[2]
Assessment of learning – H2, p. 39, 2.1.2 Soorten evaluaties
Summatieve evaluatie: evaluatie om na te gaan of doelen bereikt zijn en resultaten vast te
leggen.[2]
Assimilatie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Nieuw materiaal inpassen in bestaande cognitieve schemas zonder dat deze zelf sterk wijzigen.[1]
,Attituden – H1, p. 1, 26, Inleiding; 4.3.2 Attituden
Verzameling van gedachten, emoties en gedragsintenties over een object of thema, die het gedrag
mee bepalen.[1]
Augmented reality (AR) – H3, p. 69, 3.2 Levensechte contexten simuleren
Technologie die een digitale laag (beelden, info) legt bovenop de echte wereld, bijvoorbeeld via
smartphone of bril.[3]
Autonomie (basisbehoefte) – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Behoefte om eigen gedrag als zelfgekozen en niet als opgelegd te ervaren.[1]
Autonome motivatie – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Motivatie omdat je iets zelf waardevol of interessant vindt; hangt samen met diep leren en
welbevinden.[1]
Bednet / synchroon internetonderwijs – H3, p. 73, 3.8 Plaats en tijd
Organisatie die zieke leerlingen via live video laat deelnemen aan de les (synchroon
afstandsonderwijs).[3]
Begripskennis – H1, p. 17–18, 4.1.2 Begrippen
Kennis van begrippen en de relaties daartussen; onderdeel van declaratieve kennis.[1]
Begripsvaliditeit – H2, p. 43–44, 2.2.2 Kwaliteitsvolle evaluatie
Mate waarin een toets of vraag precies meet wat men wil meten.[2]
Behaviorisme – H1, p. 1–4, 2.1 Het behaviorisme
Leertheorie die leren ziet als waarneembare gedragsverandering via S-R-associaties, zonder
interne processen te bestuderen.[1]
Beheersingsleren – H1, p. 4, 2.1.3 Impact; H2, p. 54–55, 4.3.1 Beheersingsleren
Onderwijsaanpak waarbij leerstof in eenheden wordt verdeeld, formatief getoetst en pas wordt
verlaten als bijna iedereen de stof beheerst.[2][1]
Black box – H1, p. 2, 2.1 Het behaviorisme
Metafoor: de interne processen tussen stimulus en respons blijven buiten beschouwing.[1]
Buggy procedures – H1, p. 18, 4.1.3 Procedures
Foutief aangeleerde procedures die systematisch tot verkeerde oplossingen leiden.[1]
,Centrale uitvoerder (central executive) – H1, p. 5–6, 2.2.1 De organisatie van het
informatieverwerkingssysteem
Controlecentrum in het werkgeheugen dat aandacht regelt en de informatiestroom stuurt.[1]
Cognitive load theory – H3, p. 68, 3.1 Toegang tot informatie
Theorie over hoe het werkgeheugen belast wordt bij leren; onderscheidt extraneous, essential en
generative processing.[3]
Cognitie – H1, p. 1, Kernwoorden / Inleiding
Verzamelnaam voor mentale processen zoals waarnemen, denken, onthouden en problemen
oplossen.[1]
Cognitieve dissonantie – H1, p. 26–27, 4.3.2 Attituden
Onaangename spanning bij tegenstrijdigheid tussen attitude en gedrag, die meestal leidt tot
aanpassing van een van beide.[1]
Cognitieve strategieën – H1, p. 18–19, 4.1.4 Cognitieve strategieë n
Manieren om informatie op te nemen, verwerken en opslaan (bijvoorbeeld samenvatten,
schema’s maken).[1]
Cognitief schema – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Gestructureerd kennisnetwerk waarin informatie over een onderwerp is georganiseerd.[1]
Cognitivisme – H1, p. 1, 5–9, 2.2 Het cognitivisme
Leertheorie die de mens ziet als actieve informatieverwerker; focust op geheugen,
kennisstructuren en probleemoplossend denken.[1]
Community of practice – H1, p. 11, 2.3.2 Leren in formele en informele contexten
Praktijkgemeenschap waarin beginners deelnemen aan reë le activiteiten en geleidelijk expert
worden.[1]
Competentie (basisbehoefte) – H1, p. 24–25, 4.3.1 Leermotivatie
Behoefte om zich bekwaam en effectief te voelen in activiteiten.[1]
Conceptual change – H1, p. 13–14, 3.2 Leren is een cumulatief proces
Proces waarbij foutieve voorkennis of concepten worden hervormd tot meer wetenschappelijke
opvattingen.[1]
Constructive alignment – H2, p. 33–34, 50, 3–4
Principe dat doelen, evaluatie, leertaken, leerinhouden, werkvormen en media goed op elkaar
afgestemd moeten zijn.[2]
, Constructivisme / kennisconstructie – H1, p. 7, 2.2.2 Kennisconstructie
Opvatting dat leerlingen nieuwe kennis actief opbouwen door die te verbinden met bestaande
schemas.[1]
Contextualisatie / decontextualisatie / recontextualisatie – H1, p. 16, 3.4 Leren is een
gesitueerd proces
Kennis in context leren, losmaken van die context en opnieuw toepassen in andere contexten.[1]
Criteriumgerichte toetsing (criterion-referenced assessment) – H2, p. 46, 2.2.2
Kwaliteitsvolle evaluatie
Beoordeling waarbij prestaties worden vergeleken met vooraf vastgelegde doelen/criteria.[2]
Declaratief geheugen – H1, p. 5–6, 2.2.1 De organisatie van het informatieverwerkingssysteem
Geheugensysteem voor kennis die verbaal uitgedrukt kan worden (feiten, begrippen,
gebeurtenissen).[1]
Declaratieve kennis – H2, p. 38, Figuur 2
Kennis van feiten, begrippen en principes (“weten dat”), in de herziene Bloom o.a. feitelijke en
conceptuele kennis.[2]
Digitalisering (in onderwijs) – H3, p. 63, 1. Inleiding
Evolutie waarbij analoge informatie, processen en materialen omgezet worden naar digitale
vormen en systemen.[3]
Digitale geletterdheid / computer- en informatiegeletterdheid – H3, p. 81, 5. Realiteit
Vermogen om ICT zinvol te gebruiken, informatie online te zoeken, beoordelen en verwerken, en
computationeel denken toe te passen.[3]
Digitale kloof – H3, p. 63–64, 6.4 Digitale kloof
Verschillen tussen groepen in toegang tot, gebruik van en vaardigheden met digitale technologie,
die ongelijkheid kunnen vergroten.[3]
Digisprong – H3, p. 77–78, 4. Randvoorwaarden
Vlaams investeringsplan om digitalisering in scholen te versnellen (toestellen, infrastructuur,
professionalisering).[3]
DigiCompEdu-raamwerk – H3, p. 76–77, 4. Randvoorwaarden
Europees referentiekader dat digitale competenties van leraren beschrijft.[3]