ONDERZOEK NEUROLOGISCHE PATIËNT
(incl. praktijk)
1
, Hoofdstuk 1 – Normaal bewegen
Wat is normaal bewegen?
• Afhankelijk van een intact neuromusculair systeem.
• Wordt gecontroleerd door:
o Centrale commando’s + spinale activiteit.
o Functionele & gedragsaspecten (bv. angst → afwijkend bewegen).
• Ontstaat door interactie tussen centraal en perifeer zenuwstelsel.
• Gebaseerd op motorisch leren en ervaring → variatie is normaal.
• Essentieel om afwijkend bewegen te herkennen en hypotheses te vormen (FAME).
Observatie van beweging
Let op:
• Positie/beweging van armen, benen, romp, hoofd/ogen.
• Alignment tussen lichaamsdelen.
• Evenwichtsreacties: normaal, overdreven of abnormaal.
Zit-tot-stand (STS/ZTS) & Sit (SIT)
Niet zelfstandig kunnen rechtstaan is belangrijke factor voor een opname alsook voor valrisico
Fasen van STS nagaan of deze 4 fases aanwezig zijn
1. Heupflexie → romp naar voren (voorwaarts momentum).
o Hoe sneller dit gebeurt hoe makkelijker je je hoofd voorbij voeten krijgt
2. Momentumtransfer = energieoverdracht: voorwaarts → opwaarts momentum
3. Maximale dorsiflexie naar totale extensie: knie naar voren over de voorvoet à rechtstaan
4. Balansfase → stabiliteit vinden = het integraal deel
Factoren die STS beïnvloeden
• Voetpositie: dichter bij stoel = makkelijker; asymmetrisch = makkelijker. (COM sneller over
BOS)
o Bij probleem gaat de voet van het goede been meestal het dichts staan
• Timing/snelheid heupflexie.
• Zithoogte: hoger = makkelijker.
• Zitvlak: hard > zacht.
• Arminzet: naar voren brengen of afduwen helpt (vanop armleuning).
SIT
• Omgekeerde beweging.
• Excentrisch spierwerk.
• Niet neerploffen.
Bij problematiek: afwijkingen (wat is anders?), hypothese (mogelijke oorzaak), test (bevestiging
hypothese), oefeningen (deficit verbeteren)
2
,Gang (lopen, onderste ledematen)
Kenmerken
• Complexe activiteit met minimale aandacht.
• “Stops walking when talking test” → positief = verhoogd valrisico bij CVA.
Standfase
1. Absorptie (hielcontact).
2. Steun (één been draagt gewicht, ander been zwaait).
3. Balans (in relatie met ander been)
4. Propulsie (PF activiteit, duw naar voor).
Zwaaifase
• Tenen los van de grond.
• Correct voetpad en voetplaatsing (hiel eerst landen).
Veelvoorkomende afwijkingen
• Zwakke PF → kleine paslengte door een klein momentum naar voor
• Zwakke hamstrings → hyperextensie knie. (dus bij te veel knie extensie test je MRC van de
hamstrings)
• Zwakke DF → tenen slepen → valrisico.
o Ook knie flexoren kunnen betrokken zijn. Verschil met hierboven is dat het bij tenen over de
zwaaifase gaat en dat de hyperextensie in de steunfase is)
Trappen lopen
• Meer kracht en balans nodig dan gewoon stappen.
• Enkelbewegingen meer uitgesproken
• Trap op = als veiliger ervaren (trap af is angstiger want ze zien naar beneden)
• Trap op = concentrisch; trap af = excentrisch.
Arm–hand functies
Grijpen: bestaande uit een transport component en een manipulatie component
• Transport: reikbeweging, hand opent al tijdens transportfase
o Verder reiken = meer schouderbeweging, romp- en heupflexie à posturale
aanpassingen
• Manipulatie: complex à distale component heeft veel verschillende bewegingsgraden
o Complexiteit maakt het moeilijker voor de kine in revalidatie
Reiken
• Proximale beweging BL (schouder/elleboog).
• Zwakke armspieren → extra rompflexie om iets dat binnen armlengte ligt te grijpen
Manipuleren
• Distale beweging BL (pols/hand/vingers).
• Precisiegrip (weinig kracht nodig) vs krachtgrip.
• “Shaping the hand to the object” = onze greep weerspiegelt de vorm van het object
3
,Balans
Wat is balans?
• COM binnen BOS houden (lichaamszwaartepunt binnen steunvlak)
• Posturale controle = automatische aanpassingen = balans
• Posturale aanpassing met 3 doelen: samenwerking neuro systemen à sensomotorische
interactie
o COM binnen BOS houden
o Lichaamsdelen stabiliseren als andere bewegen
o Hoofd en lichaam oprichten tegen zwaartekracht
Sensorische systemen:
• Vestibulair (evenwicht)
• Visueel
• Somatosensorisch (exteroceptie + proprioceptie)
Motorisch systeem: MSK systeem
• Nodig om posturale aanpassingen aan te voelen en uit te voeren.
Postural sway: testen adhv Romberg test
• Altijd aanwezig, je staat nooit echt stil
• Neemt toe bij:
o Ogen dicht
o Onstabiele ondergrond
o Sensorimotorische stoornissen
Perturbaties: plotse verandering in evenwichtsreacties
3 posturale spier synergiën:
1. Enkelstrategie – kleine verstoringen (DF en PF uitvoeren)
2. Heupstrategie – grotere verstoringen (flexie, extensie, ab- en adductie)
3. Stepstrategie – voet verplaatsen om balans te redden (1 of beide voeten)
Of vasthouden (of vallen ofc)
Functionele testen die terugkomen
• 5x STS – functionele kracht OL.
• MRC – spierkracht.
• Handheld dynamometer – objectieve krachtmeting.
• Berg Balance Scale (BBS) – 0–56 punten.
• Eén-been-stand – relevant voor gang.
4
, Hoofdstuk 2 – Taal en Spraak
Neurologisch systeem
Centraal zenuwstelsel (CZS)
• Cerebrum (grote hersenen)
o 4 kwabben: frontaal, pariëtaal, temporaal, occipitaal.
o Bestaat uit telencephalon en diëncephalon.
• Cerebellum (kleine hersenen)
o Coördinatie, balans, motoriek.
• Hersenstam
o Mesencephalon (middel), pons (brug), medulla oblongata.
o Bevat kernen en banen tussen hersenen en ruggenmerg à dus is belangrijk
• Ruggenmerg
o Begint onder de medulla
o Cervicaal → thoracaal → lumbaal → sacraal.
o Beschermd door wervelzuil en hersenvliezen.
Perifeer zenuwstelsel (PZS)
• Zenuwen vanuit elke zijde vh ruggenmerg: C1 tot Co1 die naar periferie lopen.
Afferent vs efferent: bi-directioneel verloop van info
• Afferent: info van periferie → hersenen (gevoel, wordt waargenomen in de hersenen).
• Efferent: info van hersenen → periferie (motoriek).
ICF-model
• Gezondheidstoestand → veroorzaakt stoornissen in lichaam -functie en -eigenschappen
o bv. parese = minder kracht in spieren
• Stoornissen beïnvloeden activiteiten (bv. evenwicht verstoord door krachtprobleem).
• Activiteiten beïnvloeden participatie (bv. werk verstoord door evenwicht probleem en
parese).
• Contextfactoren (omgeving- + persoonsfactoren) beïnvloeden alles positief/negatief.
o Invloed op relatie tussen stoornis, activiteit en participatie
o Negatief = appartement zonder lift ó positief. = huis op gelijkvloers
• Basis voor revalidatie: onderzoek à interpreteren → doelen → behandeling → evaluatie.
• Uiteindelijk doel: patiënt terug in actie met de omgeving
FAME-model (neurologische kinesitherapie)
1. Feedback & motorisch leren
o Positieve (zeggen dat het is gelukt) en negatieve feedback nodig.
2. Therapeutische alliantie
o Vertrouwensband, coach zijn, langdurige samenwerking.
3. Bewegingsanalyse (movement)
o Normaal vs afwijkend bewegen herkennen.
4. Omgeving (environment)
o Veilig, ondersteunend, optimale leeromgeving
5
,Taal ≠ spraak
• Spraak = mechaniek van spreken (ademhaling, larynx, articulatie).
• Taal = begrip + productie van taal (1 dominante hemisfeer, meestal links) bij rechts- + 50%
linkshandig
Hemisfeerspecialisatie
Linker hemisfeer
• Taal (lexicaal, syntactisch), spraak, schrijven.
• Analyse rechter gezichtsveld, stereognosie rechterhand.
Rechter hemisfeer
• Emotionele kleuring van taal.
• Ruimtelijke vaardigheden.
• Analyse linker gezichtsveld, stereognosie linkerhand.
Spraakstoornissen
1. Dysfonie / Afonie
• Probleem met stembanden (n. vagus).
• Dysfonie = heesheid (unilateraal). (stembanden gezwollen/slecht
functie)
• Afonie = geen stem (bilateraal), stridor = sissend ademgeluid (stembanden in mediaanstand)
2. Dysartrie (motorische spraakproductie)
Testen door tongtwisters te laten uitspreken, let ook op ademhaling, luidheid, toonhoogte, kwaliteit
Kan ontstaan door: letsel craniale zenuw of laesie van extrapiramidale/cerebellair systeem
Bulbaire dysartrie (LMN, slappe) bij dubbelzijdige perifere parese vd bulbaire musculatuur
• Slechte articulatie letters P & K, nasale spraak, zwakke/hese stem.
• Bv. Guillain-Barré.
Pseudobulbaire dysartrie (UMN, spastisch) bij dubbelzijdige centrale, spastische parese vd bulbaire
m.
• Slechte articulatie, weinig lettergrepen per ademstoot, piepend geluid.
• Dwanglachen/-huilen.
• Bv. basilaristrombose.
Cerebellaire dysartrie (atactische)
• Atactische, explosieve, gescandeerde spraak.
• Geen vloeiende zinnen. (opgedeeld in verschillende stukjes) à wel nog goed verstaanbaar
• Bv. cerebellum/cerebellaire banen letsel
Extrapiramidale dysartrie (Parkinson)
• Zachte, monotone stem, murmelen, festinerend (dan traag, dan snel) spreken.
• Palilalie, echolalie. Bij ernstige vorm is patiënt niet meer verstaanbaar
6
,Taalstoornissen (Afasieën)
Afasie = begrip of productie v taal gestoord
1. Wernicke-afasie: sensorisch/receptief
• Begrip gestoord.
• Vlotte maar inhoudsloze spraak. Spreken + schrijven
• Maar gedeeltelijk bewust van fouten.
• Wernicke’s zone is verantwoordelijk voor ontvangen van klanken en deze krijgen daar een
betekenis, dit ligt in de temporale kwab.
2. Broca-afasie: motorisch/expressief
• Productie gestoord.
• Moeizaam spreken, weinig woorden, bewust van probleem. Spreken + schrijven
• Patiënt is er van bewust, pijnlijke ervaring.
• Broca is gelegen in de frontale kwab
3. Conductieve afasie
• Verbinding Broca ↔ Wernicke beschadigd.
• Moeite met nazeggen.
• Begrijpen en spontane spraak oké.
4. Globale/totale afasie: gemengde afasie
• Zowel begrip als productie zwaar gestoord.
• Enkel automatismen of stereotypieën klankenreeksen
• Fronto-temporale laesie
5. Transcorticale afasieën
• Sensorisch: zoals Wernicke, maar kan nazeggen.
• Motorisch: zoals Broca, maar kan nazeggen.
6. Anomische afasie
• Woordvindingsstoornis.
• Voorwerp wordt herkend en functie gegeven maar naam ontbreekt.
• Temporo-occipitale laesie
Parafasieën & neologismen
Neologismen = volledig nieuwe, onbegrijpelijke woorden.
Parafrasie = aan dingen een foutieve naam geven
• Literale parafasie: klankverwant met werkelijk woord (lappel i.p.v. appel) à typische bij
Broca
• Semantische parafasie: betekenisverwant (peer i.p.v. appel) à vooral bij Wernicke
Gevolgen van letsels
• Broca (zone 44–45) → expressieve afasie, begrip intact.
(oefening begrijpen maar niet antwoorden)
• Wernicke (zone 22) → receptieve afasie, vloeiend maar foutief. (geen feedback van eigen taal)
• Gyrus angularis (zone 39) → woordblindheid of alexie (woorden zien maar niet kunnen lezen) +
vaak ook agrafie (niet kunnen schrijven)
7
,Communicatie met patiënten met taalstoornissen
Vraagt veel geduld en aanpassing: kan zo tot spanningen leiden tss omgeving en patiënt
• Korte, eenvoudige zinnen.
• Duidelijke intonatie, mimiek, gebaren.
• Intellect kan volledig intact zijn.
Van klanken naar taalproductie
• Klanken herkennen en opgenomen in zone van Wernicke.
o Krijgen hier betekenis en gevormd tot taal
o In de bovenste temporaal winding + in verbinding met conceptregio
• Antwoord geven wordt geproduceerd in zone van Broca
o Spraakoutput
o In de onderste frontale winding
8
, Hoofdstuk 3 – Algemeen Onderzoek
Onderzoek hoofd en hals
1. Inspectie & palpatie
• Visuele screening op afwijkingen.
• Palpatie van botstructuren en deficiënties opsporen
• Hoofdomtrek meten bij vermoeden van micro-/macrofecalie.
2. Hersenvliezen (meningen)
3 hersenvliezen omgeven hersenweefsel opgeborgen in de hersenpan
• Dura mater – stevig, buitenste laag.
• Subdurale ruimte – gevuld met sereus vocht. (smeermiddel)
• Arachnoidea – dunne tussenlaag.
• Subarachnoïdale ruimte – gevuld met CSF, schokdemping. (CSF = cerebrospinaal vocht)
o Trabeculae: zit hiertussen en verankert de hersenen
• Pia mater – direct vast aan hersenen, gevolgd door gyri/sulci.
3. Meningitis & nekstijfheid
Meningitis = ontsteking meningen aka hersenvliezen
• Vooral ontsteking van arachnoidea + pia mater → ontstoken structuur zeer gevoelig aan rek.
• Nekstijfheid: pijn + weerstand bij nekflexie, niet bij rotatie (eerst van L naar R, dan kin tegen
borst)
o Graad v stijfheid bepaalt door aantal vingers tss sternum en kin
o Nekstijfheid kan evolueren naar = Opisthotonus
§ Dorsale boog = enkel hielen en vertex hebben contact met het bed
• Onderscheid stijve nek = Parkinson ó geblokkeerde nek = nektrauma
• Niet testen bij cervicale instabiliteit.
4. Klinische meningeale tekenen
• Brudzinski 1: passieve nekflexie → benen trekken op.
• Brudzinski 2: passief heffen 1 gestrekt been → ander been buigt.
• Kernig: heup 90° → knie zo ver mogelijk strekken → pijn/krampen voor 145/165° = positief.
Onderzoek wervelzuil
1. Inspectie
• Alignment processus spinosi.
• Kyfose/lordose beoordelen.
• Laterale afwijkingen (scoliose).
• Scoliose → accentuatie bij vooroverbuigen controleren.
2. Palpatie
• Paravertebrale spieren: hypertrofie, hypotrofie, asymmetrie, verhardingen/verkortingen
9
(incl. praktijk)
1
, Hoofdstuk 1 – Normaal bewegen
Wat is normaal bewegen?
• Afhankelijk van een intact neuromusculair systeem.
• Wordt gecontroleerd door:
o Centrale commando’s + spinale activiteit.
o Functionele & gedragsaspecten (bv. angst → afwijkend bewegen).
• Ontstaat door interactie tussen centraal en perifeer zenuwstelsel.
• Gebaseerd op motorisch leren en ervaring → variatie is normaal.
• Essentieel om afwijkend bewegen te herkennen en hypotheses te vormen (FAME).
Observatie van beweging
Let op:
• Positie/beweging van armen, benen, romp, hoofd/ogen.
• Alignment tussen lichaamsdelen.
• Evenwichtsreacties: normaal, overdreven of abnormaal.
Zit-tot-stand (STS/ZTS) & Sit (SIT)
Niet zelfstandig kunnen rechtstaan is belangrijke factor voor een opname alsook voor valrisico
Fasen van STS nagaan of deze 4 fases aanwezig zijn
1. Heupflexie → romp naar voren (voorwaarts momentum).
o Hoe sneller dit gebeurt hoe makkelijker je je hoofd voorbij voeten krijgt
2. Momentumtransfer = energieoverdracht: voorwaarts → opwaarts momentum
3. Maximale dorsiflexie naar totale extensie: knie naar voren over de voorvoet à rechtstaan
4. Balansfase → stabiliteit vinden = het integraal deel
Factoren die STS beïnvloeden
• Voetpositie: dichter bij stoel = makkelijker; asymmetrisch = makkelijker. (COM sneller over
BOS)
o Bij probleem gaat de voet van het goede been meestal het dichts staan
• Timing/snelheid heupflexie.
• Zithoogte: hoger = makkelijker.
• Zitvlak: hard > zacht.
• Arminzet: naar voren brengen of afduwen helpt (vanop armleuning).
SIT
• Omgekeerde beweging.
• Excentrisch spierwerk.
• Niet neerploffen.
Bij problematiek: afwijkingen (wat is anders?), hypothese (mogelijke oorzaak), test (bevestiging
hypothese), oefeningen (deficit verbeteren)
2
,Gang (lopen, onderste ledematen)
Kenmerken
• Complexe activiteit met minimale aandacht.
• “Stops walking when talking test” → positief = verhoogd valrisico bij CVA.
Standfase
1. Absorptie (hielcontact).
2. Steun (één been draagt gewicht, ander been zwaait).
3. Balans (in relatie met ander been)
4. Propulsie (PF activiteit, duw naar voor).
Zwaaifase
• Tenen los van de grond.
• Correct voetpad en voetplaatsing (hiel eerst landen).
Veelvoorkomende afwijkingen
• Zwakke PF → kleine paslengte door een klein momentum naar voor
• Zwakke hamstrings → hyperextensie knie. (dus bij te veel knie extensie test je MRC van de
hamstrings)
• Zwakke DF → tenen slepen → valrisico.
o Ook knie flexoren kunnen betrokken zijn. Verschil met hierboven is dat het bij tenen over de
zwaaifase gaat en dat de hyperextensie in de steunfase is)
Trappen lopen
• Meer kracht en balans nodig dan gewoon stappen.
• Enkelbewegingen meer uitgesproken
• Trap op = als veiliger ervaren (trap af is angstiger want ze zien naar beneden)
• Trap op = concentrisch; trap af = excentrisch.
Arm–hand functies
Grijpen: bestaande uit een transport component en een manipulatie component
• Transport: reikbeweging, hand opent al tijdens transportfase
o Verder reiken = meer schouderbeweging, romp- en heupflexie à posturale
aanpassingen
• Manipulatie: complex à distale component heeft veel verschillende bewegingsgraden
o Complexiteit maakt het moeilijker voor de kine in revalidatie
Reiken
• Proximale beweging BL (schouder/elleboog).
• Zwakke armspieren → extra rompflexie om iets dat binnen armlengte ligt te grijpen
Manipuleren
• Distale beweging BL (pols/hand/vingers).
• Precisiegrip (weinig kracht nodig) vs krachtgrip.
• “Shaping the hand to the object” = onze greep weerspiegelt de vorm van het object
3
,Balans
Wat is balans?
• COM binnen BOS houden (lichaamszwaartepunt binnen steunvlak)
• Posturale controle = automatische aanpassingen = balans
• Posturale aanpassing met 3 doelen: samenwerking neuro systemen à sensomotorische
interactie
o COM binnen BOS houden
o Lichaamsdelen stabiliseren als andere bewegen
o Hoofd en lichaam oprichten tegen zwaartekracht
Sensorische systemen:
• Vestibulair (evenwicht)
• Visueel
• Somatosensorisch (exteroceptie + proprioceptie)
Motorisch systeem: MSK systeem
• Nodig om posturale aanpassingen aan te voelen en uit te voeren.
Postural sway: testen adhv Romberg test
• Altijd aanwezig, je staat nooit echt stil
• Neemt toe bij:
o Ogen dicht
o Onstabiele ondergrond
o Sensorimotorische stoornissen
Perturbaties: plotse verandering in evenwichtsreacties
3 posturale spier synergiën:
1. Enkelstrategie – kleine verstoringen (DF en PF uitvoeren)
2. Heupstrategie – grotere verstoringen (flexie, extensie, ab- en adductie)
3. Stepstrategie – voet verplaatsen om balans te redden (1 of beide voeten)
Of vasthouden (of vallen ofc)
Functionele testen die terugkomen
• 5x STS – functionele kracht OL.
• MRC – spierkracht.
• Handheld dynamometer – objectieve krachtmeting.
• Berg Balance Scale (BBS) – 0–56 punten.
• Eén-been-stand – relevant voor gang.
4
, Hoofdstuk 2 – Taal en Spraak
Neurologisch systeem
Centraal zenuwstelsel (CZS)
• Cerebrum (grote hersenen)
o 4 kwabben: frontaal, pariëtaal, temporaal, occipitaal.
o Bestaat uit telencephalon en diëncephalon.
• Cerebellum (kleine hersenen)
o Coördinatie, balans, motoriek.
• Hersenstam
o Mesencephalon (middel), pons (brug), medulla oblongata.
o Bevat kernen en banen tussen hersenen en ruggenmerg à dus is belangrijk
• Ruggenmerg
o Begint onder de medulla
o Cervicaal → thoracaal → lumbaal → sacraal.
o Beschermd door wervelzuil en hersenvliezen.
Perifeer zenuwstelsel (PZS)
• Zenuwen vanuit elke zijde vh ruggenmerg: C1 tot Co1 die naar periferie lopen.
Afferent vs efferent: bi-directioneel verloop van info
• Afferent: info van periferie → hersenen (gevoel, wordt waargenomen in de hersenen).
• Efferent: info van hersenen → periferie (motoriek).
ICF-model
• Gezondheidstoestand → veroorzaakt stoornissen in lichaam -functie en -eigenschappen
o bv. parese = minder kracht in spieren
• Stoornissen beïnvloeden activiteiten (bv. evenwicht verstoord door krachtprobleem).
• Activiteiten beïnvloeden participatie (bv. werk verstoord door evenwicht probleem en
parese).
• Contextfactoren (omgeving- + persoonsfactoren) beïnvloeden alles positief/negatief.
o Invloed op relatie tussen stoornis, activiteit en participatie
o Negatief = appartement zonder lift ó positief. = huis op gelijkvloers
• Basis voor revalidatie: onderzoek à interpreteren → doelen → behandeling → evaluatie.
• Uiteindelijk doel: patiënt terug in actie met de omgeving
FAME-model (neurologische kinesitherapie)
1. Feedback & motorisch leren
o Positieve (zeggen dat het is gelukt) en negatieve feedback nodig.
2. Therapeutische alliantie
o Vertrouwensband, coach zijn, langdurige samenwerking.
3. Bewegingsanalyse (movement)
o Normaal vs afwijkend bewegen herkennen.
4. Omgeving (environment)
o Veilig, ondersteunend, optimale leeromgeving
5
,Taal ≠ spraak
• Spraak = mechaniek van spreken (ademhaling, larynx, articulatie).
• Taal = begrip + productie van taal (1 dominante hemisfeer, meestal links) bij rechts- + 50%
linkshandig
Hemisfeerspecialisatie
Linker hemisfeer
• Taal (lexicaal, syntactisch), spraak, schrijven.
• Analyse rechter gezichtsveld, stereognosie rechterhand.
Rechter hemisfeer
• Emotionele kleuring van taal.
• Ruimtelijke vaardigheden.
• Analyse linker gezichtsveld, stereognosie linkerhand.
Spraakstoornissen
1. Dysfonie / Afonie
• Probleem met stembanden (n. vagus).
• Dysfonie = heesheid (unilateraal). (stembanden gezwollen/slecht
functie)
• Afonie = geen stem (bilateraal), stridor = sissend ademgeluid (stembanden in mediaanstand)
2. Dysartrie (motorische spraakproductie)
Testen door tongtwisters te laten uitspreken, let ook op ademhaling, luidheid, toonhoogte, kwaliteit
Kan ontstaan door: letsel craniale zenuw of laesie van extrapiramidale/cerebellair systeem
Bulbaire dysartrie (LMN, slappe) bij dubbelzijdige perifere parese vd bulbaire musculatuur
• Slechte articulatie letters P & K, nasale spraak, zwakke/hese stem.
• Bv. Guillain-Barré.
Pseudobulbaire dysartrie (UMN, spastisch) bij dubbelzijdige centrale, spastische parese vd bulbaire
m.
• Slechte articulatie, weinig lettergrepen per ademstoot, piepend geluid.
• Dwanglachen/-huilen.
• Bv. basilaristrombose.
Cerebellaire dysartrie (atactische)
• Atactische, explosieve, gescandeerde spraak.
• Geen vloeiende zinnen. (opgedeeld in verschillende stukjes) à wel nog goed verstaanbaar
• Bv. cerebellum/cerebellaire banen letsel
Extrapiramidale dysartrie (Parkinson)
• Zachte, monotone stem, murmelen, festinerend (dan traag, dan snel) spreken.
• Palilalie, echolalie. Bij ernstige vorm is patiënt niet meer verstaanbaar
6
,Taalstoornissen (Afasieën)
Afasie = begrip of productie v taal gestoord
1. Wernicke-afasie: sensorisch/receptief
• Begrip gestoord.
• Vlotte maar inhoudsloze spraak. Spreken + schrijven
• Maar gedeeltelijk bewust van fouten.
• Wernicke’s zone is verantwoordelijk voor ontvangen van klanken en deze krijgen daar een
betekenis, dit ligt in de temporale kwab.
2. Broca-afasie: motorisch/expressief
• Productie gestoord.
• Moeizaam spreken, weinig woorden, bewust van probleem. Spreken + schrijven
• Patiënt is er van bewust, pijnlijke ervaring.
• Broca is gelegen in de frontale kwab
3. Conductieve afasie
• Verbinding Broca ↔ Wernicke beschadigd.
• Moeite met nazeggen.
• Begrijpen en spontane spraak oké.
4. Globale/totale afasie: gemengde afasie
• Zowel begrip als productie zwaar gestoord.
• Enkel automatismen of stereotypieën klankenreeksen
• Fronto-temporale laesie
5. Transcorticale afasieën
• Sensorisch: zoals Wernicke, maar kan nazeggen.
• Motorisch: zoals Broca, maar kan nazeggen.
6. Anomische afasie
• Woordvindingsstoornis.
• Voorwerp wordt herkend en functie gegeven maar naam ontbreekt.
• Temporo-occipitale laesie
Parafasieën & neologismen
Neologismen = volledig nieuwe, onbegrijpelijke woorden.
Parafrasie = aan dingen een foutieve naam geven
• Literale parafasie: klankverwant met werkelijk woord (lappel i.p.v. appel) à typische bij
Broca
• Semantische parafasie: betekenisverwant (peer i.p.v. appel) à vooral bij Wernicke
Gevolgen van letsels
• Broca (zone 44–45) → expressieve afasie, begrip intact.
(oefening begrijpen maar niet antwoorden)
• Wernicke (zone 22) → receptieve afasie, vloeiend maar foutief. (geen feedback van eigen taal)
• Gyrus angularis (zone 39) → woordblindheid of alexie (woorden zien maar niet kunnen lezen) +
vaak ook agrafie (niet kunnen schrijven)
7
,Communicatie met patiënten met taalstoornissen
Vraagt veel geduld en aanpassing: kan zo tot spanningen leiden tss omgeving en patiënt
• Korte, eenvoudige zinnen.
• Duidelijke intonatie, mimiek, gebaren.
• Intellect kan volledig intact zijn.
Van klanken naar taalproductie
• Klanken herkennen en opgenomen in zone van Wernicke.
o Krijgen hier betekenis en gevormd tot taal
o In de bovenste temporaal winding + in verbinding met conceptregio
• Antwoord geven wordt geproduceerd in zone van Broca
o Spraakoutput
o In de onderste frontale winding
8
, Hoofdstuk 3 – Algemeen Onderzoek
Onderzoek hoofd en hals
1. Inspectie & palpatie
• Visuele screening op afwijkingen.
• Palpatie van botstructuren en deficiënties opsporen
• Hoofdomtrek meten bij vermoeden van micro-/macrofecalie.
2. Hersenvliezen (meningen)
3 hersenvliezen omgeven hersenweefsel opgeborgen in de hersenpan
• Dura mater – stevig, buitenste laag.
• Subdurale ruimte – gevuld met sereus vocht. (smeermiddel)
• Arachnoidea – dunne tussenlaag.
• Subarachnoïdale ruimte – gevuld met CSF, schokdemping. (CSF = cerebrospinaal vocht)
o Trabeculae: zit hiertussen en verankert de hersenen
• Pia mater – direct vast aan hersenen, gevolgd door gyri/sulci.
3. Meningitis & nekstijfheid
Meningitis = ontsteking meningen aka hersenvliezen
• Vooral ontsteking van arachnoidea + pia mater → ontstoken structuur zeer gevoelig aan rek.
• Nekstijfheid: pijn + weerstand bij nekflexie, niet bij rotatie (eerst van L naar R, dan kin tegen
borst)
o Graad v stijfheid bepaalt door aantal vingers tss sternum en kin
o Nekstijfheid kan evolueren naar = Opisthotonus
§ Dorsale boog = enkel hielen en vertex hebben contact met het bed
• Onderscheid stijve nek = Parkinson ó geblokkeerde nek = nektrauma
• Niet testen bij cervicale instabiliteit.
4. Klinische meningeale tekenen
• Brudzinski 1: passieve nekflexie → benen trekken op.
• Brudzinski 2: passief heffen 1 gestrekt been → ander been buigt.
• Kernig: heup 90° → knie zo ver mogelijk strekken → pijn/krampen voor 145/165° = positief.
Onderzoek wervelzuil
1. Inspectie
• Alignment processus spinosi.
• Kyfose/lordose beoordelen.
• Laterale afwijkingen (scoliose).
• Scoliose → accentuatie bij vooroverbuigen controleren.
2. Palpatie
• Paravertebrale spieren: hypertrofie, hypotrofie, asymmetrie, verhardingen/verkortingen
9