“oudheid”, zoals gegeven op de Radboud universiteit Nijmegen. Als uitgangspunt is
hiervoor de opzet van de colleges gebruikt, aangevuld met informatie uit het handboek
“een kennismaking met de oude wereld” (de Blois & van der Spek)
Een samenvatting van het gedeelte over Rome volgt later.
In het rood de bijbehorende pagina’s uit het handboek “een kennismaking met de oude
wereld” (de Blois & van der Spek)
Dikgedrukt het college waar het bij hoort
Onderstreept zijn belangrijke termen/concepten (niet altijd de begrippen uit het handboek)
Aangevuld met afbeeldingen die gebruikt zijn in de colleges.
, 1. Inleiding in Oude Geschiedenis: Periodisering en labels 11-23
Periodisering en standplaatsgebondenheid
Alle periodisering is een keuze en is relatief: wegens het nog steeds bestaan van de paus zou het
Romeinse rijk tot nu door kunnen lopen. Hoewel periodisering arbitrair is, is het wel essentieel om een
verhaal te kunnen vertellen.
Wat is bijzonder voor ‘de oudheid’? (Mentale/sociaal-economische factoren)
Religieus fundamentalisme: religie is het fundament van alles, het bovennatuurlijke is bepalend in de
wereld. Die religie was polytheïstisch (onbeperkt aantal goden die ongeveer aan elkaar gelijk zijn). Er
was sprake van een gemeenschappelijke paideia (ontwikkeling van beeld, taal en concepten die voor
mensen herkenbaar waren in verschillende gebieden. Daarnaast heerste er een illusie dat alles
traditioneel moest zijn (hoe ouder, hoe beter), waardoor vernieuwingen werden ingevoerd door beroep
te doen op iets wat er altijd al was.
95% van de mensen was bezig met voedsel verbouwen: bestaanseconomie: mensen werken voor hun
eigen bestaan. Vruchtbare grond was van groot belang en de rivieren en de Middellandse Zee zorgden
voor connectiviteit en handel. De Nijldelta was het meest vruchtbare gebied uit de hele oudheid. Daar
ontstond een voedseloverschot, waardoor administratieve zaken en beroepen tot stand kwamen. Ze
hadden een lager sterftecijfer door honger, maar werden daarentegen wel aangevallen wegens hun goede
vruchtbaarheid.
Het mediterrane klimaat droeg, en draagt nog steeds, risico’s met zich mee. Er ontstaan microklimaten
door bergen en rivieren: mensen komen in contact met elkaar omdat ze niet overal hun eigen voedsel
kunnen verbouwen en het dus maar beter kunnen roven. Mensen zijn actief bezig met niet doodgaan,
waardoor ze de natuur altijd naar hun hand proberen te zetten (goden, irrigatie). Het Klimaat is dus
bepalend voor hoe de mens handelt in de loop van de geschiedenis.
Onderzoek naar de oudheid (bronnen)
Een heel beperkt percentage van het materiaal uit de oudheid is bewaard gebleven, waardoor er een
bronnenprobleem is ontstaan. Literaire bronnen zijn niet gericht op het vertellen van de waarheid en
vaak geschreven vanuit een gekleurd perspectief. Afwezigheid van bewijs is echter geen bewijs van
afwezigheid.
Naast literaire bronnen zijn er ook hulpwetenschappen om onderzoek mee te doen: Epigrafie (inscripties,
waaruit bijvoorbeeld handelsstromen blijken. Ze kunnen echter ook liegen of verkeerd worden
geïnterpreteerd), Numismatiek (munten, waarbij voor hun de nominale waarde veel groter was dan de
intrinsieke waarde, kan je de monetarisering van de samenleving uit aflezen, vertrouwen in de
samenleving daalt als het zilverpercentage in munten afneemt), Papyrologie (vooral administratief,
bewaard door klimaat in Egypte), Archeologie (uit bijvoorbeeld de resten van Pompeï kunnen urbane
structuren worden afgeleid, uit botten wat mensen aten en hoe goed ze gevoed werden, vanuit de lucht
kan je bij droogte bijvoorbeeld zien waar dingen hebben gestaan en hoe groot ze waren.)
Onderzoek naar de oudheid (theorie en methode)
Wij construeren vooral een verleden van wat wij denken dat klopt: we gaan creatief om met bronnen,
en het is makkelijk te missen waar je niet naar zoekt. Ooggetuigen zijn niet objectief, zelfs al hebben ze
geen motief om te liegen (want herinneringen vervormen).
De Oudheid als voorbeeld
In de moderne wereld geld de oudheid als referentiepunt voor het menselijk denken, maar vergelijkingen
met de antieke wereld zijn niet neutraal en zeker niet ongevaarlijk. Vaak wordt er door politici misbruik
gemaakt van de oudheid. Ook kan je veel over een periode te weten komen door te kijken naar de manier
waarop zij naar de oudheid keken.
, 2. Egypte en het Nabije oosten (3200-1200 v.Chr) 24-40, 70-84
Welke impact had de natuurlijke leefomgeving op het leven van mensen en wat was de respons
daarop?
- Irrigatie -> contacten -> verspreiding van kennis en producten
- Patronen: belang grondbezit; nomaden versus
boeren; tempels versus paleis;redistributie-economie
Rode draad: impact omgeving; irrigatie & organisatie
Zowel de Egyptische als Mesopotamische beschavingen
ontstonden rondom rivieren (Nijl, Eufraat, Tigris), en maakten
gebruik van irrigatielandbouw doormiddel van overstromingen.
Voedsel surplus zorgde voor specialisatie, en ook in
Mesopotamië het vastleggen van de irrigatie-organisatie
doormiddel van spijkerschrift (cuneïform), en in Egyptie met
Hiërogliefen (pictografisch). De overgang van Nomadisch
naar solitair wordt de Dawn of European Civilization
genoemd (neolithische revolutie).
Egypte
Indeling in rijken (ook verbinden met namen van
heersers in die tijd):
- Vroeg-dynastieke periode (3000-2600 v.chr)
- Oude Rijk (2600-2150 v.chr)
- Middenrijk (2000-1800 v.chr)
- Nieuwe Rijk (1550-1100 v.chr)
Egypte had van nature (woestijn) veel meer bescherming dan andere gebieden. Omdat het moeilijker
te veroveren was, bleef de cultuur zo goed als gelijk.
Mesopotamië: het gebied van de vruchtbare halve maan
Meer aanvallen en migratie door de ligging ervan. De Sumeriërs en Akkadiërs gaven in het vierde
millennium de Mesopotamische beschaving vorm. De Sumerische taal en wetenschap bleef lang
doorwerken. Zij leefden in stadstaten waarin een tempel of paleis centraal in de organisatie stond. Het
Akkadische Rijk (2300 v.Chr.) bestond niet uit stadstaten, maar was een groter rijk, gesticht door Sargon.
Ze spraken de Semitische taal Oud-Akkadisch. De Akkadiërs veroveren de Sumeriërs en nemen onder
andere het spijkerschrift over. In het derde millennium v.Chr. bloeien Sumerische steden weer op,
waardoor de koningen van de derde dynastie van Ur een groot rijk stichtte. Dit ging rond 2000 ten onder
wegens infiltratie van vreemdelingen: de Amorieten. Een rijk gaat ten onder door klimaatverandering
en politieke instabiliteit.
1800-1600: Hammurabi als grondlegger van het Oud Babylonische Rijk. Onder zijn opvolgers
brokkelde het rijk echter snel af en werd het geplunderd door de Hethieten.
De late bronstijd (1600-1200 v.chr): ‘Concert der mogendheden.’ De grote mogendheden Egypte
(Nieuwe Rijk), Mitanni, het Hethitische rijk, Assyrië en Babylonië hielden elkaar min of meer in
evenwicht. Deze macht berustte gedeeltelijk op de uitvinding van de strijdwagen. In 1200 stortte dit
evenwicht in door de invallen van zeevolken: Bronze Age Collapse. Rijken komen ten val, grote groepen
bouwen elders een bestaan op.
Economie en maatschappij
De basis van de maatschappij werd gevormd door landbouw. Als je veel grondbezit had, had je dus veel
macht. Redistributie-economie: groot deel van de oogst wordt afgedragen aan de koning die het land
bezit, die het weer redistribueert onder de mensen die zelf niks kunnen verbouwen (ambtenaren,
soldaten, tempels). Centrale plaatsen voor bestuur en religie waren Paleizen en Tempels.
Er wordt gedebatteerd over de vraag of er sprake was van een markteconomie (waarin handel en prijzen
tot stand komen in een vrij verkeer van goederen volgens de wet van vraag en aanbod), of een
redistributie-economie, zoals hierboven beschreven, vastgesteld vanuit bovenaf (paleis of tempel).