Interpunctie
wat zijn leestekens
- leestekens (interpunctie) zorgen voor duidelijkheid en structuur in teksten
- ze geven pauzes aan, tonen relaties tussen zinnen en helpen misverstanden
voorkomen
1. De punt (.)
gebruik
- aan het einde van een mededelende zin.
- na afkortingen bijvoorbeeld: m.a.w.
- voorbeeld: het regent buiten
2. Vraagteken (?) en uitroepteken (!)
vraagteken
- na een vraagzin
- voorbeeld: ga jij mee?
uitroepteken
- bij een emotie of bevel
- voorbeeld: stop! wat mooi!
- gebruik uitroeptekens spaarzaam
3. De komma (,)
gebruik
- in opsommingen
- voor/na bijzinnen
- voor voegwoorden (maar, want, omdat)
- na aanspreking: Peter, kom eens!
- let op: nooit een komma plaatsen tussen onderwerp en persoonsvorm
4. Dubbele punt (:) en puntkomma (;)
dubbele punt:
- voor opsommingen of uitleg
- voor citaten
- voorbeeld: hij zei: “ik kom morgen.”
puntkomma:
- nauw samenhangende zinnen verbinden
- voorbeeld: ik wilde gaan wandelen; het begon echter te regenen
5. De opsomming
1
, - interpunctie bij opsommingen zorgt vaak voor verwarring, maar de regels zijn
duidelijk te structureren
5.1 Opsomming in doorlopende tekst
de delen van de opsomming staan achter elkaar in één zin
- gebruik komma’s tussen de onderdelen
- gebruik een dubbele punt als de opsomming wordt aangekondigd
- geen komma voor “en” (tenzij voor de duidelijkheid)
- de zin eindigt met een punt
voorbeeld
- Je hebt het volgende nodig: papier, een schaar, lijm en kleurpotloden.
- We kochten appels, peren, bananen en sinaasappels.
let op!
bij korte opsommingen zonder aankondiging volstaat enkel de komma: hij houdt van koffie,
thee en water
5.2 Opsomming onder elkaar (lijstvorm)
onderdelen zijn volledige zinnen
- begin elke opsomming met een hoofdletter
- eindel elk onderdeel met een punt
voorbeeld
je moet de volgende zaken doen:
- Stuur een e-mail naar het secretariaat.
- Vul het inschrijvingsformulier in.
- Wacht op bevestiging van je aanvraag.
5.3 Onderdelen zijn geen volledige zinnen (woordgroepen of zinsdelen):
2
, - begin met een kleine letter (tenzij er een eigennaam staat)
- eindig elk onderdeel met een komma of puntkomma
- het laatste onderdeel krijgt geen komma, maar een punt
voorbeeld
je hebt nodig:
- een pen,
- een schrift,
- een liniaal,
- een rekenmachine,
voorbeeld met puntkomma’s bij langere onderdelen
voor de vergadering hebben we nodig
- het verslag van vorige week;
- een overzicht van de uitgaven;
- de notulen van het secretariaat;
5.4 Dubbele punt (:) bij een aankondiging:
- de dubbele punt kondigt de opsomming aan
- gebruik ze alleen als de zin grammaticaal volledig is voor de dubbele punt
voorbeeld
- De leerlingen moeten het volgende meebrengen: een pen, een schrift en een map.
fout voorbeeld
- De leerlingen moeten: een pen, een schrift en een map meebrengen.
6. Beletselteken (...) en aanhalingstekens (“ ”)
beletselteken
- geeft pauze of weglating aan
- voorbeeld: tja … ik weet het niet
aanhalingstekens
- voor citaten of titels
- voorbeeld: ze zei:"ik kom morgen.”
- bij ironie en speciale betekenis
- voorbeeld: hij noemde dat “werken”.
7. Apostrof (‘) en koppelteken (-)
3
wat zijn leestekens
- leestekens (interpunctie) zorgen voor duidelijkheid en structuur in teksten
- ze geven pauzes aan, tonen relaties tussen zinnen en helpen misverstanden
voorkomen
1. De punt (.)
gebruik
- aan het einde van een mededelende zin.
- na afkortingen bijvoorbeeld: m.a.w.
- voorbeeld: het regent buiten
2. Vraagteken (?) en uitroepteken (!)
vraagteken
- na een vraagzin
- voorbeeld: ga jij mee?
uitroepteken
- bij een emotie of bevel
- voorbeeld: stop! wat mooi!
- gebruik uitroeptekens spaarzaam
3. De komma (,)
gebruik
- in opsommingen
- voor/na bijzinnen
- voor voegwoorden (maar, want, omdat)
- na aanspreking: Peter, kom eens!
- let op: nooit een komma plaatsen tussen onderwerp en persoonsvorm
4. Dubbele punt (:) en puntkomma (;)
dubbele punt:
- voor opsommingen of uitleg
- voor citaten
- voorbeeld: hij zei: “ik kom morgen.”
puntkomma:
- nauw samenhangende zinnen verbinden
- voorbeeld: ik wilde gaan wandelen; het begon echter te regenen
5. De opsomming
1
, - interpunctie bij opsommingen zorgt vaak voor verwarring, maar de regels zijn
duidelijk te structureren
5.1 Opsomming in doorlopende tekst
de delen van de opsomming staan achter elkaar in één zin
- gebruik komma’s tussen de onderdelen
- gebruik een dubbele punt als de opsomming wordt aangekondigd
- geen komma voor “en” (tenzij voor de duidelijkheid)
- de zin eindigt met een punt
voorbeeld
- Je hebt het volgende nodig: papier, een schaar, lijm en kleurpotloden.
- We kochten appels, peren, bananen en sinaasappels.
let op!
bij korte opsommingen zonder aankondiging volstaat enkel de komma: hij houdt van koffie,
thee en water
5.2 Opsomming onder elkaar (lijstvorm)
onderdelen zijn volledige zinnen
- begin elke opsomming met een hoofdletter
- eindel elk onderdeel met een punt
voorbeeld
je moet de volgende zaken doen:
- Stuur een e-mail naar het secretariaat.
- Vul het inschrijvingsformulier in.
- Wacht op bevestiging van je aanvraag.
5.3 Onderdelen zijn geen volledige zinnen (woordgroepen of zinsdelen):
2
, - begin met een kleine letter (tenzij er een eigennaam staat)
- eindig elk onderdeel met een komma of puntkomma
- het laatste onderdeel krijgt geen komma, maar een punt
voorbeeld
je hebt nodig:
- een pen,
- een schrift,
- een liniaal,
- een rekenmachine,
voorbeeld met puntkomma’s bij langere onderdelen
voor de vergadering hebben we nodig
- het verslag van vorige week;
- een overzicht van de uitgaven;
- de notulen van het secretariaat;
5.4 Dubbele punt (:) bij een aankondiging:
- de dubbele punt kondigt de opsomming aan
- gebruik ze alleen als de zin grammaticaal volledig is voor de dubbele punt
voorbeeld
- De leerlingen moeten het volgende meebrengen: een pen, een schrift en een map.
fout voorbeeld
- De leerlingen moeten: een pen, een schrift en een map meebrengen.
6. Beletselteken (...) en aanhalingstekens (“ ”)
beletselteken
- geeft pauze of weglating aan
- voorbeeld: tja … ik weet het niet
aanhalingstekens
- voor citaten of titels
- voorbeeld: ze zei:"ik kom morgen.”
- bij ironie en speciale betekenis
- voorbeeld: hij noemde dat “werken”.
7. Apostrof (‘) en koppelteken (-)
3