Les 1: interieur als gedeelde/sociale ruimte
1. algemene terminologie
Geschiedenis beschrijft en vertelt het verleden, een systematische studie op chronologische
volgorde zonder meningen, feiten gebaseerd
Theorie is een coherente verklaring, stelt alternatieve oplossingen voor, het creëert een
nieuwe oplossing of benadering. Ze zijn levend en er komen er telkens nieuwe
Kritiek is vaak gebaseerd op persoonlijke waarden en normen Bv Adolf Loos met zijn kritiek
op de victoriaanse stijlperiode
Interieur is als een gebeurtenis, een bewoonde ruimte met een verhaal, het materiaal (de
ruimte zelf) is gewoon een vertaling
vormen van theorie:
1. Paradigma is een dominant denkkader dat een gemeenschap deelt (Thomas Kuhn).
Bestaat uit: theorieën, filosofische vooronderstellingen, waarden en
canon-voorbeelden. Evolueert in fases:
- Pre-paradigmatisch: nog geen consensus.
- Paradigmatisch: “normale wetenschap” → iedereen volgt hetzelfde kader.
- Paradigmaverschuiving: revolutionaire wetenschap → huidig paradigma kan
anomalieën niet meer verklaren, dus wordt vervangen.
2. Theorie
- Samenhangende reeks beweringen die iets beschrijven of verklaren.
- Biedt een intern consistent kennissysteem dat een discipline ondersteunt.
- Meer dan een hypothese: theorie legt systematische verbanden uit.
3. Conceptueel raamwerk / theoretisch model
- Een visueel schema dat laat zien hoe elementen en processen met elkaar verbonden
zijn.
- Geeft een dynamisch beeld van relaties, bv. hoe klanttevredenheid ontstaat of
communicatiestijlen werken.
- Helpt complexe processen te structureren en te begrijpen.
4. Taxonomie (empirisch, classificatie)
- Indeling van objecten of fenomenen in groepen op basis van kenmerken.
- Oorsprong in de biologie (indeling soorten), maar toegepast in vele disciplines.
- Geeft een hiërarchische ordening, vb. taxonomie van Bloom in onderwijs.
5. Typologie (conceptueel, beschrijvend)
- Onderverdeling van objecten of fenomenen volgens gemeenschappelijke
eigenschappen.
- Niet hiërarchisch, maar beschrijvend.
- Voorbeelden:steden indelen per provincie of inwoneraantal, fotoreeksen van Hans
Eijkelboom of Bernd & Hilla Becher (industriefotografie)
,2. belang van theorie en interieur theorie
Theorie organiseert kennis, helpt bij reflectie en generalisatie zonder theorie mist de
discipline de academische basis
Interieur theorie vaak gezien als een ‘slippery discipline’ (jong), weinig uitgewerkt tov
architectuur, nood aan verdere theoretische onderbouwing om interieur als volwaardige
discipline te erkennen
Theorie staat nooit vast maar groeit mee met de context het is een oneindig proces en
vraagt vaak een interdisciplinaire samenwerking
3. theoretisch framework UA Inge Somers
Vijf invalshoeken voor interieur:
1. Bestaande ruimte
2. Gedeelde ruimte ← focus van dit vak
3. Persoonlijke ruimte
4. Fenomenologische ruimte
5. Fluïde ruimte
4. interieur als gedeelde ruimte
= een ruimte die collectief gebruikt wordt en wordt gevormd door sociale praktijken en
ontwerp, geen statische container maar performatief en dynamisch, product en producent
van het gemeenschapsleven
Kenmerken:
- Co-aanwezigheid & interactie → faciliteert ontmoeting en groepsactiviteiten.
- Cultureel & temporeel gesitueerd → betekenis verandert door cultuur/tijd.
- Onderhandeld & betwist → spanning rond privacy, territorium, eigenaarschap.
- Gevormd door gedrag én ontwerp → bewoners performen de ruimte.
Interieur bepaalt hoe mensen samenleven
5. Sleutelconcepten
Publieke ruimte = eigendom overheid, vrij toegankelijk (bv. park, straat).
Semipublieke ruimte = privé eigendom, publiek toegankelijk onder voorwaarden (bv.
bibliotheek, museum, shoppingcenter).
Private ruimte = eigendom individu, enkel toegankelijk voor intimi (bv. huis, kantoor).
, Interiority = gevoel van binnen-zijn, geborgenheid, intimiteit (immaterieel). → meer proces
van interiorisatie dan enkel fysiek interieur.
6. Ethiek en interieur
Ethiek = nadenken over goed/fout handelen → verbonden met normen & waarden.
Normen = gedragsregels, waarden = onderliggende voorkeuren.
Ruimtes drukken sociale ongelijkheid of gelijkheid uit.
Ethische theorieën:
- Plichtenethiek (deontologie) → handelen volgens regels/principes (bv.
mensenrechten).
- Gevolgenethiek (utilitarisme) → beste uitkomst voor de meeste mensen (bv.
milieuschade beperken).
- Deugdethiek → handelen vanuit karakter en deugden (bv. moed, rechtvaardigheid,
gulden middenweg).
→ Vaak gecombineerd toegepast, afhankelijk van context.
Les 2: interieur als gedeelde/sociale ruimte
1. Geschiedenis: wonen als gedeelde ruimte
Oudheid
Grieken
- “Oikos” = huis + gezin + huishouden + bezittingen + land.
- De oikos was de basis van de samenleving.
- Bestond uit man, familie, slaven en concubines.
- Introvert gebouwd rond binnenhof.
○ Gynaikonitis = vrouwenruimte
○ Andron = mannenruimte
- Pastas = halfopen overgangsruimte tussen kamers en binnenplaats.
Kenmerk: duidelijke scheiding tussen man/vrouw en publiek/privé.
Romeinen
- Domus = rijke woning met:
○ Atrium (publiek ontvangstgedeelte)
○ Peristylium (privé binnenhof)
- Insulae = appartementsblokken voor gewone burgers.
1. algemene terminologie
Geschiedenis beschrijft en vertelt het verleden, een systematische studie op chronologische
volgorde zonder meningen, feiten gebaseerd
Theorie is een coherente verklaring, stelt alternatieve oplossingen voor, het creëert een
nieuwe oplossing of benadering. Ze zijn levend en er komen er telkens nieuwe
Kritiek is vaak gebaseerd op persoonlijke waarden en normen Bv Adolf Loos met zijn kritiek
op de victoriaanse stijlperiode
Interieur is als een gebeurtenis, een bewoonde ruimte met een verhaal, het materiaal (de
ruimte zelf) is gewoon een vertaling
vormen van theorie:
1. Paradigma is een dominant denkkader dat een gemeenschap deelt (Thomas Kuhn).
Bestaat uit: theorieën, filosofische vooronderstellingen, waarden en
canon-voorbeelden. Evolueert in fases:
- Pre-paradigmatisch: nog geen consensus.
- Paradigmatisch: “normale wetenschap” → iedereen volgt hetzelfde kader.
- Paradigmaverschuiving: revolutionaire wetenschap → huidig paradigma kan
anomalieën niet meer verklaren, dus wordt vervangen.
2. Theorie
- Samenhangende reeks beweringen die iets beschrijven of verklaren.
- Biedt een intern consistent kennissysteem dat een discipline ondersteunt.
- Meer dan een hypothese: theorie legt systematische verbanden uit.
3. Conceptueel raamwerk / theoretisch model
- Een visueel schema dat laat zien hoe elementen en processen met elkaar verbonden
zijn.
- Geeft een dynamisch beeld van relaties, bv. hoe klanttevredenheid ontstaat of
communicatiestijlen werken.
- Helpt complexe processen te structureren en te begrijpen.
4. Taxonomie (empirisch, classificatie)
- Indeling van objecten of fenomenen in groepen op basis van kenmerken.
- Oorsprong in de biologie (indeling soorten), maar toegepast in vele disciplines.
- Geeft een hiërarchische ordening, vb. taxonomie van Bloom in onderwijs.
5. Typologie (conceptueel, beschrijvend)
- Onderverdeling van objecten of fenomenen volgens gemeenschappelijke
eigenschappen.
- Niet hiërarchisch, maar beschrijvend.
- Voorbeelden:steden indelen per provincie of inwoneraantal, fotoreeksen van Hans
Eijkelboom of Bernd & Hilla Becher (industriefotografie)
,2. belang van theorie en interieur theorie
Theorie organiseert kennis, helpt bij reflectie en generalisatie zonder theorie mist de
discipline de academische basis
Interieur theorie vaak gezien als een ‘slippery discipline’ (jong), weinig uitgewerkt tov
architectuur, nood aan verdere theoretische onderbouwing om interieur als volwaardige
discipline te erkennen
Theorie staat nooit vast maar groeit mee met de context het is een oneindig proces en
vraagt vaak een interdisciplinaire samenwerking
3. theoretisch framework UA Inge Somers
Vijf invalshoeken voor interieur:
1. Bestaande ruimte
2. Gedeelde ruimte ← focus van dit vak
3. Persoonlijke ruimte
4. Fenomenologische ruimte
5. Fluïde ruimte
4. interieur als gedeelde ruimte
= een ruimte die collectief gebruikt wordt en wordt gevormd door sociale praktijken en
ontwerp, geen statische container maar performatief en dynamisch, product en producent
van het gemeenschapsleven
Kenmerken:
- Co-aanwezigheid & interactie → faciliteert ontmoeting en groepsactiviteiten.
- Cultureel & temporeel gesitueerd → betekenis verandert door cultuur/tijd.
- Onderhandeld & betwist → spanning rond privacy, territorium, eigenaarschap.
- Gevormd door gedrag én ontwerp → bewoners performen de ruimte.
Interieur bepaalt hoe mensen samenleven
5. Sleutelconcepten
Publieke ruimte = eigendom overheid, vrij toegankelijk (bv. park, straat).
Semipublieke ruimte = privé eigendom, publiek toegankelijk onder voorwaarden (bv.
bibliotheek, museum, shoppingcenter).
Private ruimte = eigendom individu, enkel toegankelijk voor intimi (bv. huis, kantoor).
, Interiority = gevoel van binnen-zijn, geborgenheid, intimiteit (immaterieel). → meer proces
van interiorisatie dan enkel fysiek interieur.
6. Ethiek en interieur
Ethiek = nadenken over goed/fout handelen → verbonden met normen & waarden.
Normen = gedragsregels, waarden = onderliggende voorkeuren.
Ruimtes drukken sociale ongelijkheid of gelijkheid uit.
Ethische theorieën:
- Plichtenethiek (deontologie) → handelen volgens regels/principes (bv.
mensenrechten).
- Gevolgenethiek (utilitarisme) → beste uitkomst voor de meeste mensen (bv.
milieuschade beperken).
- Deugdethiek → handelen vanuit karakter en deugden (bv. moed, rechtvaardigheid,
gulden middenweg).
→ Vaak gecombineerd toegepast, afhankelijk van context.
Les 2: interieur als gedeelde/sociale ruimte
1. Geschiedenis: wonen als gedeelde ruimte
Oudheid
Grieken
- “Oikos” = huis + gezin + huishouden + bezittingen + land.
- De oikos was de basis van de samenleving.
- Bestond uit man, familie, slaven en concubines.
- Introvert gebouwd rond binnenhof.
○ Gynaikonitis = vrouwenruimte
○ Andron = mannenruimte
- Pastas = halfopen overgangsruimte tussen kamers en binnenplaats.
Kenmerk: duidelijke scheiding tussen man/vrouw en publiek/privé.
Romeinen
- Domus = rijke woning met:
○ Atrium (publiek ontvangstgedeelte)
○ Peristylium (privé binnenhof)
- Insulae = appartementsblokken voor gewone burgers.