Algemene voedingsleer
Voedsel: brandstof. Aanbreng energie en stoffen voor lichaamsfuncties.
Essentiele voedingsstoffen: noodzakelijk om te overleven.
▪ Groei, functioneren en
herstel.
▪ Niet: Kleurstoffen en
additieven.
Indeling voedingsstoffen:
1. Grootte/behoeften:
➢ Macronutriënten
➢ Micronutriënten
➢ Bioactieve stoffen en
voedingsvezels
o Niet nodig voor overleving
2. Functies:
➢ Energieleverende stoffen
➢ Bouwstoffen
➢ Beschermende stoffen
➢ Voedingsvezels
Voeding/dieet geïnduceerde thermogenese (DIT)= energie die we
nodig hebben om alles wat we opeten te verteren.
Energie-inname
Koolhydraten: snelste en belangrijkste energieleverancier.
• 1 g Kh → 4kcal
- 1 klontje suiker (5 g Kh)= 20 kcal
Vetten: trage energie(reserve), bescherming/ isolatie.
• 1 g V→ 9 kcal
- 1 eetlepel olijfolie (10g V) = 90 kcal
Eiwitten: bouwstoffen. Kan energie.
• 1 g E → 4kcal
Alcohol: lege energiebron.
• 1 g alcohol→ 7 kcal
,Bouwstoffen
- Groei, aanmaak weefsels, cellen, opbouw skelet
- Eiwitten, mineralen(calcium) en water
Beschermende stoffen
- Lichaamsprocessen
- Vitaminen en mineralen
- Vb: ijzer
Voedingsvezels
- Gunstige gezondheidseffecten
Basisregels van evenwichtige voeding
1. Voeding moet dagelijks alle energie en voedingsstoffen aanbrengen.
2. Voeding moet energiebalans in evenwicht houden
- Positieve energiebalans= meer innemen dan verbruik
- Negatieve energiebalans= meer verbruiken dan innemen
3. Voeding moet een goede verhouding macronutriënten bevatten, te kennen:
• Minstens 50-55% van de energie > koolhydraten (Kh)
• Maximaal 30-35% van de energie > vetten (V)
• 15% van de energie > eiwitten (E)
Voeding deficiëntieziekten (tekorten)
- ijzer
- Bloedarmoede
Voeding gerelateerde ziekten (te veel)
- Hart- en vaatziekten
- Diabetes type 2
Spijsvertering
- Afgebroken (verteren)
• Micronutrienten hebben geen afbraak nodig
- opnemen (absorberen)
- Verwerkt (gebruiken)
- Uitscheiden (excretie)
- Opgeslagen (reserve)
Koolhydraten
= Sachariden (suikers, niet alle koolhydraten zijn suikers)
- Koolstof atomen C, H, O
• Hexosen in voeding: 6 koolatomen
- Verteerbare (afgebroken in het maagdarmstesel)
- Niet verteerbare (voedingsvezels)
1 monosacharide- moleculen (enkelvoudige suiker)
- “suiker”
- Glucose (dextrose, duivensuiker)
- Fructose (fruit)
- Galactose (lactosevrije melk)
, Disachariden (tweevoudige suikers)
= 2 monosacharide-moleculen
- “suiker”
- Sacharose = glucose + fructose (koekjes, snoep, chocolade)
- Lactose = glucose + galactose (melk, yoghurt, kaas)
- Maltose= glucose + glucose (moutsuiker)
Oligosachariden
= 3-9 monosacharide-moleculen ketens
- Dieet koolhydraat
- Extra nood aan energie
Polysachariden (meervoudige/complexe koolhydraten)
= duizenden monosacharide-moleculen
- Reserve Kh
- Zetmeel in planten
- Opslaan als glycogeen
• In lever en spieren
- Granen/volkoren
Wit en bruin brood: Vezels anders dan koolhydraten, niet over soort koolhydraten.
Glycemie
=bloedsuikerspiegel
- Snel opneembare Kh (enkelvoudige Kh)
- Traag opneembare Kh (meervoudige Kh)
Niet kennen uit je hoofd, voor illustratie→
• Zetmeel moet een lange weg
afleggen voor het in de bloedbaan
komt
• Hoe verder naar rechts, hoe
kortere weg.
• Glucose heeft geen omvorming
nodig
Glycemische index (GI)
- Maat voor de snelheid waarmee
de Kh de bloedglucosespiegel doen stijgen.
- Hoe langzamer —> hoe lager GI
- Beïnvloeding:
1. Verschilt per persoon
2. Hangt af van hoeveel koolhydraten in een portie zitten
3. Combinatie met andere voedingstoffen en -middelen
Glycemische lading (GL)
- Rekening houdend met hoeveelheid Kh in een portie
- (GI/100) x verteerbare koolhydraten per portie (g)
Tips om glycemische index/lading te verlagen: