Geschiedenis hoofdstuk 5 Monniken en ridders
§1
Tijd van de monniken en ridders: 500-1000 na Chr.
Karel de Grote was de keizer van het Frankische Rijk. De Franken waren
een Germaans volk dat na de ondergang van het West-Romeinse Rijk een
koninkrijk had gesticht in Frankrijk en Belgie. Daarna breiden diverse
koningen het rijk uit. In 768 werd Karel de Grote de koning (en in 800 door
de paus tot keizer gekroond) en toen was ook het grootste deel van
Nederland, deel van Duitsland en Zwitserland onderdeel van het
Frankische Rijk. Karel breidde het rijk nog verder uit. In 814 stierf Karel de
Grote en hoorde het grootste deel van Europa tot zijn rijk.
Karel bestuurd zijn rijk door zelf rond te reizen en bouwde op verschillende
plekken paleizen zoals in Nijmegen en Aken (belangrijkste). Hij bleef
steeds een aantal weken in een paleis en reisde dan door. Hij bestuurde
zijn rijk m.b.v. hertogen en graven, hoge edelen die door Karel benoemd
waren om een gebied te besturen; hertogdom of graafschap. Bij de
benoeming sprak de hertog of graaf een eed van trouw uit en was daarna
de leenman of vazal van de koning en de koning was zijn leenheer. Het
gebied werd geen eigendom van de leenman, maar was in leen. Hij mocht
er inkomsten uithalen en moest rechtspreken namens de koning en zorgen
voor orde en veiligheid. Ook moest hij militairen leveren voor het leger van
de koning. Stelsel met leenheren en leenmannen heet een leenstelsel of
feodalisme.
Onder Karel was het Frankische Rijk een politieke eenheid. Na zijn dood
kwamen zwakkere vorsten en viel het rijk uiteen in twee rijken; West- en
Oost Frankische Rijk. Daaruit ontstonden eeuwen later Frankrijk en
Duitsland.
Onder zwakke vorsten veranderde de verhouding leenman-leenheer.
Leenmannen gingen hun gebied als eigendom beschouwen waarover ze
zelfstandig heersten. Ook stonden zwakke vorsten toe dat na de dood het
gebied overging op de zoon van de leenman. Zo werd de macht erfelijk.
Hoge edelen gingen zelf ook leenmannen benoemen. Deze
achterleenmannen waren trouw aan hun eigen leenheer en bestuurden
namens hem een kleiner gebied. Europa raakte nog meer verdeeld toen
ook deze achterleenmannen zich weinig aantrokken van hun leenheer en
hun gebied als eigendom beschouwden en zelfstandig gingen besturen. Er
waren veel conflicten en oorlogen tussen koningen, hoge edelen en lage
edelen door deze verdeeldheid.
In 9e en 10e eeuw was Europa minder veilig dan onder Karel de Grote. O.a.
door politieke verdeeldheid maar ook door overvallen van roversbenden
§1
Tijd van de monniken en ridders: 500-1000 na Chr.
Karel de Grote was de keizer van het Frankische Rijk. De Franken waren
een Germaans volk dat na de ondergang van het West-Romeinse Rijk een
koninkrijk had gesticht in Frankrijk en Belgie. Daarna breiden diverse
koningen het rijk uit. In 768 werd Karel de Grote de koning (en in 800 door
de paus tot keizer gekroond) en toen was ook het grootste deel van
Nederland, deel van Duitsland en Zwitserland onderdeel van het
Frankische Rijk. Karel breidde het rijk nog verder uit. In 814 stierf Karel de
Grote en hoorde het grootste deel van Europa tot zijn rijk.
Karel bestuurd zijn rijk door zelf rond te reizen en bouwde op verschillende
plekken paleizen zoals in Nijmegen en Aken (belangrijkste). Hij bleef
steeds een aantal weken in een paleis en reisde dan door. Hij bestuurde
zijn rijk m.b.v. hertogen en graven, hoge edelen die door Karel benoemd
waren om een gebied te besturen; hertogdom of graafschap. Bij de
benoeming sprak de hertog of graaf een eed van trouw uit en was daarna
de leenman of vazal van de koning en de koning was zijn leenheer. Het
gebied werd geen eigendom van de leenman, maar was in leen. Hij mocht
er inkomsten uithalen en moest rechtspreken namens de koning en zorgen
voor orde en veiligheid. Ook moest hij militairen leveren voor het leger van
de koning. Stelsel met leenheren en leenmannen heet een leenstelsel of
feodalisme.
Onder Karel was het Frankische Rijk een politieke eenheid. Na zijn dood
kwamen zwakkere vorsten en viel het rijk uiteen in twee rijken; West- en
Oost Frankische Rijk. Daaruit ontstonden eeuwen later Frankrijk en
Duitsland.
Onder zwakke vorsten veranderde de verhouding leenman-leenheer.
Leenmannen gingen hun gebied als eigendom beschouwen waarover ze
zelfstandig heersten. Ook stonden zwakke vorsten toe dat na de dood het
gebied overging op de zoon van de leenman. Zo werd de macht erfelijk.
Hoge edelen gingen zelf ook leenmannen benoemen. Deze
achterleenmannen waren trouw aan hun eigen leenheer en bestuurden
namens hem een kleiner gebied. Europa raakte nog meer verdeeld toen
ook deze achterleenmannen zich weinig aantrokken van hun leenheer en
hun gebied als eigendom beschouwden en zelfstandig gingen besturen. Er
waren veel conflicten en oorlogen tussen koningen, hoge edelen en lage
edelen door deze verdeeldheid.
In 9e en 10e eeuw was Europa minder veilig dan onder Karel de Grote. O.a.
door politieke verdeeldheid maar ook door overvallen van roversbenden