HEMATOLOGIE
2025-2026
, H1 inleiding
BLOED
=viskeuze vloeistof ( ~ 1,06kg/l). Een suspensie van bloedcellen in een isotone
elektrolytoplossing (=plasma). Kleur bepaald door aanwezigheid van heel rode bloedcellen.
SAMENSTELLING
• Plasma en serum (~55%)
= gelige heldere isotone elektrolytoplossing
Elektrolytoplossing:
- Geleiding + buffer
- 7% proteïnen
→ albumine (58%)
→ globuline (38%)
→ fibrinogeen (4%)
*stolling:
Fibrinogeen → fibrine (draden) → fibrine +RBC → klonter
- 91% water
- 2% diverse
Ionen, nutriënten, gassen, afval, regulerende stoffen
Isotoon
- [opgeloste stoffen]~ osmotische druk
→ geen lysis
→ geen vochtverlies
Opmerking:
Hypertoon: [binnen] < [buiten] → cel krimpt
Hypotoon: [binnen] > [buiten] → cel zwelt op
Serum
= plasma ZONDER fibrinogeen
AFWIJKINGEN
• Icterisch:
>> [bilirubine] stijgt = geel afbraakproduct van RBC
>> fel geel plasma
>> oorzaak: leverziekten
• Lipemisch:
>> lipiden aanwezig
>> witte vertroebeling
, • Hemolytisch
>> openbarsten van RBC
>> rood plasma
>> oorzaken:
1. Hemolyse
2. Foutieve bloedafname
3. Slechte staal hantering
VISCOSITEIT
= mate van weerstand die een vloeistof biedt tegen stroming/ stroperigheid
Factoren
1. Hematocriet
= % bloedvolume dat uit RBC bestaat
% RBC ~ viscositeit (~ = recht evenredig)
2. [plasmaeiwitten]
>> plasmaeiwitten dragen bij tot aggregatie van RBC → rouleau vorming
[] ~ viscositeit
3. Temperatuur
>> beïnvloed mobiliteit: T stijgt → mobiliteit stijgt
1/T ~ viscositeit (= omgekeerd evenredig)
4. Bloedstroom
>> vorming RBC aggregaten
>> v: laminaire stroom (=lage v) >< turbulente stroom (hoge v)
1/v ~ viscositeit
5. Deformabiliteit
= het vermogen van RBC om van vorm te veranderen
>> gezonde flexibiliteit: viscositeit = OK
>> ziekten → viscositeit stijg sikkelcelanemie
6. Erytrocytenaggregatie
>> Als # negatieve ladingen daalt → afstoting RBC → aggregatie
1/ # negatieve landingen ~ Aggregatie ~ viscositeit
7. [leukocyten] en [trombocyten]
[] stijgt =leukocytose/ trombocytose
[] ~ viscositeit
8. Totaal bloedvolume
Hoger volume → minder cellen t.o.v. water
1/V ~ viscositeit
9. Zuurtegraad
>> hogere pH → minder negatieve ladingen (zie factor 6)
1/pH ~ viscositeit
BLOEDVOLUME (~5/6l)
= totale hoeveelheid bloed in het lichaam (in L) Vuistregel:
Factoren 𝑙𝑖𝑐ℎ𝑎𝑎𝑚𝑠𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡 (𝑘𝑔)
𝑡𝑜𝑡𝑎𝑎𝑙 𝑉(𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑) =
13
Geslacht, leeftijd, grootte, gewicht….
, FUNCTIES
1. Transport
O2→ weefsels
CO2→ longen
2. Bescherming
- Leukocyten: infecties en lichaamsvreemde voorwerpen
- Trombocyten + stollingsfactoren: bloedverlies → onderhoud en herstel van
bloedwand
3. Regulatie
- Tlichaam
- Zuur-base evenwicht (pH ~ 7,35-7,45) → nier longen
Opmerking:
Acidose: pH te laag
Alkalose: pH te hoog
- H2O- en zouthuishouding
: 60% van het lichaamsgewicht
: 55%
BLOEDSTAAL/ -AFNAME
! Veneus: rechtstreeks met perifere katheder
→ meest betrouwbaar
→ eenvoudig → gesloten vacuümsysteem (correct afnamevolume d.m.v. onderdruk)
Capillair: steriel stilet
Arterieel: alleen artsen
Bloedafnametubes
Met anticoagulantia >< Zonder anticoagulantia
- Onstolbaar - Serumtube
- 2 soorten: 1. Met silica, geen gel (rode tube)
Methode 1: Ca2+ onttrekken 2. Met silica, met gel (oker tube)
EDTA (paarse tube) 3. Met trombine, met gel (oranje)
>> irreversibel
>> hemocytometrisch onderzoek
>> K-/ Na-zouten
>> 1,5g/l [EDTA] eind
>> bewaring: RBC, WBC, PLT
en RBC-indices
→ WBC en PLT < 2u
→ bloeduitstrijkje < 3u
→ NIET invriezen
, Met anticoagulantia (vervolg)
Natriumcitraat Met anticoagulantia (vervolg)
>> reversibel Acid citraat dextrose (gele tube)
>> Stollingsonderzoek (blauwe tube) >> HLA
>> Sedimentatie (zwarte tube) >> immunologische genetica
>> Eindconcentraties
[citraat]eind= 11mmol/l Methode 2: trombineremmers
[citraat]eind= 21mmol/l Heparine (groene tube)
>> (ir)reversibel
Natriumfluoride (grijze tube) >> polysachariden → sulfaatgroepen
>> [glucose] en [lactaat] >> []eind = 20-60mg/l bloed
→ Met Na-/K-oxalaat:
>> reversibel
>> binding Ca 2+
→ Met NaF: Volgorde
1. Hemocultuur: aeroob >< anaëroob
>> irreversibel 2. Natriumcitraat
>> glycolyseremmer 3. Serumtube/ SST tube
>> 6 nadelen 4. Heparinetube (of lichtgroen)
1. Beperkte toepassing 5. EDTA tube
2. Lagere reactiesnelheid 6. ACD tube
3. Invloed [Ca 2+] 7. Fluoride-oxalaat tube
4. Lange t stabilisatie 8. sporen
5. Hemolyse
6. Niet voor hematologisch onderzoek
H2 hemopoïse
= aanmaak van bloed (beenmerg en lymfatisch stelsel)
Proliferatie =celdeling + differentiatie = uitrijping tot bepaalde cel soort
HIËRARCHIE VAN STAMCELLEN
1° stamcel (HSC) >< 2° stamcellen (progenitorcellen)
→ zelfvernieuwend → lymfoïde progenitorcel (CFUL = colony
forming unit) → lymfocyten
→ myeloïde progenitorcellen (CFUGEMM
= colony forming unit granulocygten,
erytrocyten, megakaryocyten,
monocyten
, 5 CELLIJNEN
1. Erytroïde cellijn→ erytrocyten (RBC)
= erytropoëse
2. Granulopoïese → granulocyten
3. Monocytoïde → monocyten =
monopoïese
4. Lymfoïde → lymfocyten =
lymfopoïese
5. Trombocytoïde → bloedplaatjes
vanuit megakaryocyten =
megakaryopoïese
LEVENSDUUR
1° stamcel → uitgerijpte cel: duurt 7-10 dagen
- Erytrocyten: 120 dagen
- Trombocyten: 9-12 dagen
- Leukocyten: enkele uren tot jaren
REGULATIE
= samenspel van groei- (cytokines) en inhibitiefactoren
1. Erytropoëtine (epo): productie door nieren als
[O2] daalt.
→ Stimulatie aanmaak RBC
2. Trombopoëtine (tpo): regulatie aanmaak
bloedplaatjes
3. SCF = stamcelfactor + IL = interleukine:
algemene en specifieke stimulatoren voor
verschillende cellijnen
2025-2026
, H1 inleiding
BLOED
=viskeuze vloeistof ( ~ 1,06kg/l). Een suspensie van bloedcellen in een isotone
elektrolytoplossing (=plasma). Kleur bepaald door aanwezigheid van heel rode bloedcellen.
SAMENSTELLING
• Plasma en serum (~55%)
= gelige heldere isotone elektrolytoplossing
Elektrolytoplossing:
- Geleiding + buffer
- 7% proteïnen
→ albumine (58%)
→ globuline (38%)
→ fibrinogeen (4%)
*stolling:
Fibrinogeen → fibrine (draden) → fibrine +RBC → klonter
- 91% water
- 2% diverse
Ionen, nutriënten, gassen, afval, regulerende stoffen
Isotoon
- [opgeloste stoffen]~ osmotische druk
→ geen lysis
→ geen vochtverlies
Opmerking:
Hypertoon: [binnen] < [buiten] → cel krimpt
Hypotoon: [binnen] > [buiten] → cel zwelt op
Serum
= plasma ZONDER fibrinogeen
AFWIJKINGEN
• Icterisch:
>> [bilirubine] stijgt = geel afbraakproduct van RBC
>> fel geel plasma
>> oorzaak: leverziekten
• Lipemisch:
>> lipiden aanwezig
>> witte vertroebeling
, • Hemolytisch
>> openbarsten van RBC
>> rood plasma
>> oorzaken:
1. Hemolyse
2. Foutieve bloedafname
3. Slechte staal hantering
VISCOSITEIT
= mate van weerstand die een vloeistof biedt tegen stroming/ stroperigheid
Factoren
1. Hematocriet
= % bloedvolume dat uit RBC bestaat
% RBC ~ viscositeit (~ = recht evenredig)
2. [plasmaeiwitten]
>> plasmaeiwitten dragen bij tot aggregatie van RBC → rouleau vorming
[] ~ viscositeit
3. Temperatuur
>> beïnvloed mobiliteit: T stijgt → mobiliteit stijgt
1/T ~ viscositeit (= omgekeerd evenredig)
4. Bloedstroom
>> vorming RBC aggregaten
>> v: laminaire stroom (=lage v) >< turbulente stroom (hoge v)
1/v ~ viscositeit
5. Deformabiliteit
= het vermogen van RBC om van vorm te veranderen
>> gezonde flexibiliteit: viscositeit = OK
>> ziekten → viscositeit stijg sikkelcelanemie
6. Erytrocytenaggregatie
>> Als # negatieve ladingen daalt → afstoting RBC → aggregatie
1/ # negatieve landingen ~ Aggregatie ~ viscositeit
7. [leukocyten] en [trombocyten]
[] stijgt =leukocytose/ trombocytose
[] ~ viscositeit
8. Totaal bloedvolume
Hoger volume → minder cellen t.o.v. water
1/V ~ viscositeit
9. Zuurtegraad
>> hogere pH → minder negatieve ladingen (zie factor 6)
1/pH ~ viscositeit
BLOEDVOLUME (~5/6l)
= totale hoeveelheid bloed in het lichaam (in L) Vuistregel:
Factoren 𝑙𝑖𝑐ℎ𝑎𝑎𝑚𝑠𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡 (𝑘𝑔)
𝑡𝑜𝑡𝑎𝑎𝑙 𝑉(𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑) =
13
Geslacht, leeftijd, grootte, gewicht….
, FUNCTIES
1. Transport
O2→ weefsels
CO2→ longen
2. Bescherming
- Leukocyten: infecties en lichaamsvreemde voorwerpen
- Trombocyten + stollingsfactoren: bloedverlies → onderhoud en herstel van
bloedwand
3. Regulatie
- Tlichaam
- Zuur-base evenwicht (pH ~ 7,35-7,45) → nier longen
Opmerking:
Acidose: pH te laag
Alkalose: pH te hoog
- H2O- en zouthuishouding
: 60% van het lichaamsgewicht
: 55%
BLOEDSTAAL/ -AFNAME
! Veneus: rechtstreeks met perifere katheder
→ meest betrouwbaar
→ eenvoudig → gesloten vacuümsysteem (correct afnamevolume d.m.v. onderdruk)
Capillair: steriel stilet
Arterieel: alleen artsen
Bloedafnametubes
Met anticoagulantia >< Zonder anticoagulantia
- Onstolbaar - Serumtube
- 2 soorten: 1. Met silica, geen gel (rode tube)
Methode 1: Ca2+ onttrekken 2. Met silica, met gel (oker tube)
EDTA (paarse tube) 3. Met trombine, met gel (oranje)
>> irreversibel
>> hemocytometrisch onderzoek
>> K-/ Na-zouten
>> 1,5g/l [EDTA] eind
>> bewaring: RBC, WBC, PLT
en RBC-indices
→ WBC en PLT < 2u
→ bloeduitstrijkje < 3u
→ NIET invriezen
, Met anticoagulantia (vervolg)
Natriumcitraat Met anticoagulantia (vervolg)
>> reversibel Acid citraat dextrose (gele tube)
>> Stollingsonderzoek (blauwe tube) >> HLA
>> Sedimentatie (zwarte tube) >> immunologische genetica
>> Eindconcentraties
[citraat]eind= 11mmol/l Methode 2: trombineremmers
[citraat]eind= 21mmol/l Heparine (groene tube)
>> (ir)reversibel
Natriumfluoride (grijze tube) >> polysachariden → sulfaatgroepen
>> [glucose] en [lactaat] >> []eind = 20-60mg/l bloed
→ Met Na-/K-oxalaat:
>> reversibel
>> binding Ca 2+
→ Met NaF: Volgorde
1. Hemocultuur: aeroob >< anaëroob
>> irreversibel 2. Natriumcitraat
>> glycolyseremmer 3. Serumtube/ SST tube
>> 6 nadelen 4. Heparinetube (of lichtgroen)
1. Beperkte toepassing 5. EDTA tube
2. Lagere reactiesnelheid 6. ACD tube
3. Invloed [Ca 2+] 7. Fluoride-oxalaat tube
4. Lange t stabilisatie 8. sporen
5. Hemolyse
6. Niet voor hematologisch onderzoek
H2 hemopoïse
= aanmaak van bloed (beenmerg en lymfatisch stelsel)
Proliferatie =celdeling + differentiatie = uitrijping tot bepaalde cel soort
HIËRARCHIE VAN STAMCELLEN
1° stamcel (HSC) >< 2° stamcellen (progenitorcellen)
→ zelfvernieuwend → lymfoïde progenitorcel (CFUL = colony
forming unit) → lymfocyten
→ myeloïde progenitorcellen (CFUGEMM
= colony forming unit granulocygten,
erytrocyten, megakaryocyten,
monocyten
, 5 CELLIJNEN
1. Erytroïde cellijn→ erytrocyten (RBC)
= erytropoëse
2. Granulopoïese → granulocyten
3. Monocytoïde → monocyten =
monopoïese
4. Lymfoïde → lymfocyten =
lymfopoïese
5. Trombocytoïde → bloedplaatjes
vanuit megakaryocyten =
megakaryopoïese
LEVENSDUUR
1° stamcel → uitgerijpte cel: duurt 7-10 dagen
- Erytrocyten: 120 dagen
- Trombocyten: 9-12 dagen
- Leukocyten: enkele uren tot jaren
REGULATIE
= samenspel van groei- (cytokines) en inhibitiefactoren
1. Erytropoëtine (epo): productie door nieren als
[O2] daalt.
→ Stimulatie aanmaak RBC
2. Trombopoëtine (tpo): regulatie aanmaak
bloedplaatjes
3. SCF = stamcelfactor + IL = interleukine:
algemene en specifieke stimulatoren voor
verschillende cellijnen