Samenvatting Forensische psychopathologie
,Week 1 – Inleiding forensische psychiatrie en psychopathologie 3
Leerdoelen week 1 3
1.1 Psychiatrische stoornis en diagnostiek 3
1.2 Forensische psychiatrie en het juridisch kader 4
1.3 Settingen forensische zorg 4
1.4 Criteria voor psychopathologie en risico’s 5
Week 2 – Psychiatrisch onderzoek en (on)toerekeningsvatbaarheid 5
Leerdoelen week 2 5
2.1 Toerekeningsvatbaarheid 5
2.2 Daderschap VS slachtofferschap 6
2.3 TBS en risicotaxatie 6
Week 3 – Stoornissen ontstaan in de jeugd: neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen 7
Leerdoel week 3 7
3.1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen 7
3.1.1 Autismespectrumstoornis 7
3.1.2 ADHD en ADD 8
3.1.3 Verstandelijke beperking 8
3.2 Jeugdige delinquentie en maatregelen 8
Week 4 – Verslavingsproblematiek en forensische psychiatrie 9
Leerdoel week 4 9
4.1 Stoornis in het gebruik van middelen 9
4.2 Behandeling dubbele problematiek 10
4.3 Middelen en hun effect 10
4.4 Neurobiologie van verslaving 11
4.5 Werken in gedwongen kader en verslaving 12
Week 5 – Psychotische stoornissen 13
Leerdoelen week 5 13
5.1 Psychotische stoornis 13
5.2 Psychotische symptomen 13
5.3 Belangrijkste psychotische stoornissen 14
5.4 Psychotische stoornissen en forensische psychiatrie 15
Week 6 – Seksuele stoornissen en zedendelinquenten 17
Leerdoel week 6: 17
6.1 Parafiele stoornissen 17
6.2 Typen parafiele stoornissen 17
6.3 Typen zedendelinquenten 18
6.4 Risicofactoren voor zedendelicten 18
6.5 Zedendelicten en nieuwe wetgeving 19
6.6 Behandeling van zedendelinquenten 19
, Week 1 – Inleiding forensische psychiatrie en psychopathologie
Leerdoelen week 1
“De student kan de kernbegrippen uit de forensische psychiatrie en psychopathologie
(diagnose, psychische stoornissen, psychopathologie en forensische psychiatrie) uitleggen.”
“De student kan de relatie tussen forensische psychiatrie en psychopathologie en het sociaal
agogisch werk in het gedwongen kader beschrijven.”
1.1 Psychiatrische stoornis en diagnostiek
De forensische psychiatrie is het vakgebied dat zich richt op de raakvlakken tussen
psychiatrie en recht. Het gaat om situaties waarin psychiatrische kennis en behandeling
noodzakelijk zijn in een juridische context, zoals strafrecht, gezondheidsrecht en jeugdrecht.
Waar in de reguliere psychiatrie het contact tussen cliënt en behandelaar vrijwillig is, is dat in
de forensische psychiatrie vaak niet het geval. Hier bepaalt niet de cliënt maar het wettelijk
kader de behandeling. Bovendien is er altijd sprake van een relatie tussen de stoornis en het
delict: zonder de stoornis zou het delict waarschijnlijk niet gepleegd zijn. Dit leidt tot
fundamentele verschillen in machtsverhoudingen en in de betekenis van behandeling.
Een psychiatrische stoornis verwijst naar een psychische aandoening die leidt tot lijden en
disfunctioneren in het dagelijks leven. De oorzaken hiervan kunnen biologisch,
psychologisch en sociaal van aard zijn, en meestal gaat het om een samenspel van deze
factoren. Een psychiatrische stoornis kan worden gedefinieerd aan de hand van de trias
psychica: er is sprake van een verstoring in cognitieve, affectieve en/of conatieve functies,
die gepaard gaat met aanzienlijke lijdensdruk of beperkingen in sociaal functioneren.
Cognitieve functies betreffen denkpatronen en geheugen, affectieve functies het
gevoelsleven, en conatieve functies het handelen, willen en motivatie.
Psychopathologie is het vakgebied dat deze stoornissen systematisch beschrijft, onderzoekt
en probeert te verklaren. Psychiatrische diagnostiek heeft meerdere doelen. Allereerst moet
worden vastgesteld of er sprake is van een stoornis, en zo ja welke. Vervolgens worden
mogelijke oorzaken in kaart gebracht en wordt een richting bepaald voor behandeling of
begeleiding. Diagnostiek bestaat uit meerdere onderdelen, waaronder anamnese en
heteroanamnese, observatie, psychologisch en psychiatrisch onderzoek en de uiteindelijke
classificatie.
Classificatie gebeurt doorgaans aan de hand van het DSM-systeem, dat stoornissen ordent
op basis van geobserveerde symptomen. Het voordeel van dit systeem is dat professionals
wereldwijd dezelfde taal spreken en vergelijkbare criteria hanteren. Tegelijkertijd is de DSM
beperkt: het zegt weinig over de individuele beleving van de patiënt of de oorzaken van de
problematiek. Daarom wordt gepleit voor methodisch dualisme: naast classificatie is er altijd
aandacht nodig voor de unieke context van de persoon, zijn of haar intacte functies en de
sociale omgeving. Zonder die bredere blik bestaat het risico dat een diagnose een label
wordt dat onvoldoende recht doet aan de complexiteit van de mens.