BEWEGINGSOPVOEDING 2
HOOFDSTUK 1: HET VIERLUIK VAN BEWEGEN – IN
DE BEWEGINGSLES: BASISVAARDIGHEDEN
1. GROOTMOTORISCHE
(BASIS)VAARDIGHEDEN
Grove motoriek: grote bewegingen van de armen, benen en de romp
- Natuurlijke bewegingen
- Specifieke bewegingen
Fijne motoriek: fijnere bewegingen die oog-handcoördinatie vragen
2. GROOT MOTORISCHE BEWEGINGEN –
VAARDIGHEDEN (=GROVE MOTORIEK)
2.1. de natuurlijke bewegingen
- Duidelijk waarneembaar en beschrijfbaar
- Vb: lopen, kruipen, springen…
- Uit zichzelf ontdekken en uitvoeren, niet aangeleerd
Kenmerken:
- Ontstaan op natuurlijke wijze (moeten niet aangeleerd worden)
- Men leert door rijping. Het kind ziet iets, doet na en gaat van nature door oefening verfijnen
- Er is een eenvoudig bewegingsverloop (weinig of geen technische aanwijzing vereist)
Voorwaarden:
- Fysieke eigenschappen (= conditie-eigenschappen)
o Weerstand (tegenover inspanningen)
o Kracht
o Snelheid
o Uithouding
o Lenigheid (spiersoepelheid en gewrichtsbeweeglijkheid)
- Coördinatieve eigenschappen
o Motorisch aanpassingsvermogen
o Bijzondere coördinatieve eigenschappen
Behendigheid
Evenwicht
, Oriënteringsvermogen
Handigheid (speciale vorm van behendigheid)
2.2. de specifi eke bewegingen
- Uitgebouwd natuurlijke bewegingen, afgeleid
- Basisbewegingen + daaraan techniek gekoppeld
- Vb: hoogspringen – lopen en springen moet gekend zijn
Kenmerken:
- Niet van nature uit verworven, moeten aangeleerd worden
- Worden aangeleerd a.d.h.v. technieken technische aanwijzingen nodig
- Verlopen complexer dan basisbewegingen
Voorwaarden:
- Basisvaardigheden moeten beheerst zijn
- Het kind moet een reeks bewegingsvaardigheden kunnen onthouden en achtereenvolgens kunnen uitvoeren
3. MOTORISCHE ONTWIKKELING
3.1. hoe gaat de motoriek zich ontwikkelen?
Motorische ontwikkeling
= de manier waarop het kind zich in zijn beweging zal gaan ontwikkelen
Hoe? Door zelf dingen te doen en uit te proberen
- Handelingen gaan verfijnen
- Bewegingen gaan automatiseren
3.2. algemene kenmerken in de evolutie of ontwikkeling van
de basisvaardigheden
- Gebrek aan evenwicht (wankelen en vallen)
- Coördinatie
o Geen juiste dosering van kracht
o Misrekeningen in ruimte en tijd
- Dynamiek en sierlijkheid: lompigheid in de beweging
- Bewegingsoverdaad
o Brede, overbodige meebewegingen (synkinesieën). Overdreven spanningen komen tot uiting in gebalde
vuisten of in het gezicht
3.3. factoren voor bewegingsontwikkeling en ontwikkeling
van de basisvaardigheden
- De aanleg
o Erfelijk bepaald.
- De rijpheid
o Lichamelijk (en geestelijk) geschikt zijn om zijn mogelijkheden toe te passen
o Individueel verschillend
, - De prikkels uit de omgeving
4. PERIODEN IN DE
BEWEGINGSONTWIKKELING
Ontwikkeling van basisvaardigheden wordt beïnvloed door de aard en de hoeveelheid van bewegingservaringen.
2 perioden:
- De vroege kinderjaren
o 2 – 6 jaar
o Kritische leerperiode
o Belangrijk voor motorische ontwikkeling
Te weinig fundamentele bewegingspatronen leren later moeilijkheden krijgen om
complexere of meer ingewikkelde bewegingsvormen te leren
- Late kinderjaren
o Tussen 6 – 11 jaar
o Optimale leerperiode
o Grote psychische en lichamelijke ontwikkeling coördinatie extra trainen
5. MOTORISCHE ONTWIKKELINGSSTAPPEN
Ontwikkelingsstappen
= schetsen de wijze waarop kinderen doorgaans een bepaalde bewegingsvaardigheid of een aspect van beweging
verwerven doorheen de kleutertijd.
Worden gekoppeld aan leeftijden
Evolutie zien is belangrijker dan ‘op leeftijd’ zitten
6. HET MOTORISCH PROFIEL
Elke leeftijd heeft typische bewegingen.
6.1. de 2,5-jarige peuter
Kenmerken grove motoriek:
- Beheers basisbewegingen net
o Coördinatie verloopt niet zo vlot
- Onvoldoende beheerst in bewegingen + weinig stabiel
- Bewegingen gebeuren met bewegingsoverdraad + weinig gecontroleerd/doelgericht
- Loopt nog niet helemaal rechtop + niet op één voet staan
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie is nog niet volledig ontwikkeld
- De bewegingen gebeuren vanuit de schouder, met de hele arm en met veel meebewegingen
- Kan buig- en strekspier nog niet volledig beheersen en doseren
6.2. de 3-jarige kleuter
Kenmerken grove motoriek
, - Lopen verloopt soepeler, maar valt nog vaak
- Kan trap op zonder bijtrekpassen
- Kan springen met beide voeten samen
- Weinig gecontroleerde en niet doelgerichte bewegingen. Werkt van impuls tot impuls
- Heeft moeite met dosering van kracht
- Herhaalt vaak bewegingen constante oefening
- Vindt bewegen prettig
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie is verre van optimaal
- Fijne bewegingen vanuit de pols/vinger is onmogelijk
- Heeft geen voorkeurslichaamszijde
6.3. de 4-jarige kleuter
Explosie van motorische activiteit.
Kenmerken grove motoriek
- Beheerst de loopbewegingen
- Bewegingen zijn doelgerichter, fijner en preciezer
- Kennis van lichaamsschema wordt duidelijker + vat op enkele ruimtelijke begrippen (onder, boven, achter)
- Bewegingen vertonen een natuurlijke spontane behendigheid
- Kan ver en hoog werpen
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie begint vlot te verlopen
- Kan schrijfmateriaal al redelijk goed hanteren. Er ontbreken fijnere coördinatiebewegingen
- Kan gericht naar iets grijpen en dit goed vasthouden
6.4. de 5-jarige kleuter
Enorme ontwikkeling kan steeds complexere bewegingssituatie aan & meer inzicht verwerven in ruimtelijke begrippen. +
leert handelingen beter te timen.
Kenmerken grove motoriek
- Kan natuurlijke bewegingen beheersen en coördineren.
- Bewegingen evolueren naar een doelgericht, bewuster handelen
- Constructie overheerst en het resultaat is belangrijk
- Lichaamsschema wordt duidelijk
Kenmerken van fijne motoriek
- Beheerst de oog-handcoördinatie
- Kan schrijfmaterialen goed en vlot hanteren
- Zijn waarnemen nis voldoende ontwikkeld
7. OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE
BASISVAARDIGHEDEN
- Gaan en lopen
HOOFDSTUK 1: HET VIERLUIK VAN BEWEGEN – IN
DE BEWEGINGSLES: BASISVAARDIGHEDEN
1. GROOTMOTORISCHE
(BASIS)VAARDIGHEDEN
Grove motoriek: grote bewegingen van de armen, benen en de romp
- Natuurlijke bewegingen
- Specifieke bewegingen
Fijne motoriek: fijnere bewegingen die oog-handcoördinatie vragen
2. GROOT MOTORISCHE BEWEGINGEN –
VAARDIGHEDEN (=GROVE MOTORIEK)
2.1. de natuurlijke bewegingen
- Duidelijk waarneembaar en beschrijfbaar
- Vb: lopen, kruipen, springen…
- Uit zichzelf ontdekken en uitvoeren, niet aangeleerd
Kenmerken:
- Ontstaan op natuurlijke wijze (moeten niet aangeleerd worden)
- Men leert door rijping. Het kind ziet iets, doet na en gaat van nature door oefening verfijnen
- Er is een eenvoudig bewegingsverloop (weinig of geen technische aanwijzing vereist)
Voorwaarden:
- Fysieke eigenschappen (= conditie-eigenschappen)
o Weerstand (tegenover inspanningen)
o Kracht
o Snelheid
o Uithouding
o Lenigheid (spiersoepelheid en gewrichtsbeweeglijkheid)
- Coördinatieve eigenschappen
o Motorisch aanpassingsvermogen
o Bijzondere coördinatieve eigenschappen
Behendigheid
Evenwicht
, Oriënteringsvermogen
Handigheid (speciale vorm van behendigheid)
2.2. de specifi eke bewegingen
- Uitgebouwd natuurlijke bewegingen, afgeleid
- Basisbewegingen + daaraan techniek gekoppeld
- Vb: hoogspringen – lopen en springen moet gekend zijn
Kenmerken:
- Niet van nature uit verworven, moeten aangeleerd worden
- Worden aangeleerd a.d.h.v. technieken technische aanwijzingen nodig
- Verlopen complexer dan basisbewegingen
Voorwaarden:
- Basisvaardigheden moeten beheerst zijn
- Het kind moet een reeks bewegingsvaardigheden kunnen onthouden en achtereenvolgens kunnen uitvoeren
3. MOTORISCHE ONTWIKKELING
3.1. hoe gaat de motoriek zich ontwikkelen?
Motorische ontwikkeling
= de manier waarop het kind zich in zijn beweging zal gaan ontwikkelen
Hoe? Door zelf dingen te doen en uit te proberen
- Handelingen gaan verfijnen
- Bewegingen gaan automatiseren
3.2. algemene kenmerken in de evolutie of ontwikkeling van
de basisvaardigheden
- Gebrek aan evenwicht (wankelen en vallen)
- Coördinatie
o Geen juiste dosering van kracht
o Misrekeningen in ruimte en tijd
- Dynamiek en sierlijkheid: lompigheid in de beweging
- Bewegingsoverdaad
o Brede, overbodige meebewegingen (synkinesieën). Overdreven spanningen komen tot uiting in gebalde
vuisten of in het gezicht
3.3. factoren voor bewegingsontwikkeling en ontwikkeling
van de basisvaardigheden
- De aanleg
o Erfelijk bepaald.
- De rijpheid
o Lichamelijk (en geestelijk) geschikt zijn om zijn mogelijkheden toe te passen
o Individueel verschillend
, - De prikkels uit de omgeving
4. PERIODEN IN DE
BEWEGINGSONTWIKKELING
Ontwikkeling van basisvaardigheden wordt beïnvloed door de aard en de hoeveelheid van bewegingservaringen.
2 perioden:
- De vroege kinderjaren
o 2 – 6 jaar
o Kritische leerperiode
o Belangrijk voor motorische ontwikkeling
Te weinig fundamentele bewegingspatronen leren later moeilijkheden krijgen om
complexere of meer ingewikkelde bewegingsvormen te leren
- Late kinderjaren
o Tussen 6 – 11 jaar
o Optimale leerperiode
o Grote psychische en lichamelijke ontwikkeling coördinatie extra trainen
5. MOTORISCHE ONTWIKKELINGSSTAPPEN
Ontwikkelingsstappen
= schetsen de wijze waarop kinderen doorgaans een bepaalde bewegingsvaardigheid of een aspect van beweging
verwerven doorheen de kleutertijd.
Worden gekoppeld aan leeftijden
Evolutie zien is belangrijker dan ‘op leeftijd’ zitten
6. HET MOTORISCH PROFIEL
Elke leeftijd heeft typische bewegingen.
6.1. de 2,5-jarige peuter
Kenmerken grove motoriek:
- Beheers basisbewegingen net
o Coördinatie verloopt niet zo vlot
- Onvoldoende beheerst in bewegingen + weinig stabiel
- Bewegingen gebeuren met bewegingsoverdraad + weinig gecontroleerd/doelgericht
- Loopt nog niet helemaal rechtop + niet op één voet staan
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie is nog niet volledig ontwikkeld
- De bewegingen gebeuren vanuit de schouder, met de hele arm en met veel meebewegingen
- Kan buig- en strekspier nog niet volledig beheersen en doseren
6.2. de 3-jarige kleuter
Kenmerken grove motoriek
, - Lopen verloopt soepeler, maar valt nog vaak
- Kan trap op zonder bijtrekpassen
- Kan springen met beide voeten samen
- Weinig gecontroleerde en niet doelgerichte bewegingen. Werkt van impuls tot impuls
- Heeft moeite met dosering van kracht
- Herhaalt vaak bewegingen constante oefening
- Vindt bewegen prettig
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie is verre van optimaal
- Fijne bewegingen vanuit de pols/vinger is onmogelijk
- Heeft geen voorkeurslichaamszijde
6.3. de 4-jarige kleuter
Explosie van motorische activiteit.
Kenmerken grove motoriek
- Beheerst de loopbewegingen
- Bewegingen zijn doelgerichter, fijner en preciezer
- Kennis van lichaamsschema wordt duidelijker + vat op enkele ruimtelijke begrippen (onder, boven, achter)
- Bewegingen vertonen een natuurlijke spontane behendigheid
- Kan ver en hoog werpen
Kenmerken fijne motoriek
- Oog-handcoördinatie begint vlot te verlopen
- Kan schrijfmateriaal al redelijk goed hanteren. Er ontbreken fijnere coördinatiebewegingen
- Kan gericht naar iets grijpen en dit goed vasthouden
6.4. de 5-jarige kleuter
Enorme ontwikkeling kan steeds complexere bewegingssituatie aan & meer inzicht verwerven in ruimtelijke begrippen. +
leert handelingen beter te timen.
Kenmerken grove motoriek
- Kan natuurlijke bewegingen beheersen en coördineren.
- Bewegingen evolueren naar een doelgericht, bewuster handelen
- Constructie overheerst en het resultaat is belangrijk
- Lichaamsschema wordt duidelijk
Kenmerken van fijne motoriek
- Beheerst de oog-handcoördinatie
- Kan schrijfmaterialen goed en vlot hanteren
- Zijn waarnemen nis voldoende ontwikkeld
7. OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE
BASISVAARDIGHEDEN
- Gaan en lopen