LES 2: PRE-ISLAMITISCHE LITERATUUR:
ALS JE OOG IN OOG STAAT MET EEN ĠŪL
I. INSCRIPTIES, DE VROEGE GETUIGENISSEN VAN DE ARABISCHE TAAL EN
CULTUUR
TRIBAAL ARABIË (MET IN FOCUS: TA’ABBATA SHARRĀ )
Het pre-islamitisch Arabisch cultuurruim, de ruimte waarin de Arabieren van de
pre-islamitische periode zich bewogen, bevond zich in het Noorden van het
Arabische schiereiland, de Levant en Mesopotamië. Velen, maar niet allen, leefden
als nomaden en waren gericht op kuddes, handel en transport door de woestijn.
Ze waren vooral tribaal georganiseerd; wie daarbuiten viel en outcast was – zoals
de dichter Ta’abbaṭa Šarrā ( )تأبط شراdie dat overigens aan zichzelf te danken
had als de verhalen kloppen – moest zich maar zien te redden in de woestijn,
zonder bescherming. Deze dichters die ṣa‘ālīk (= het meervoud van ṣu‘lūk)
genoemd werden waren trouble makers. Ta’abbaṭa Šarrā’s naam, een spotnaam
waaronder hij bekend staat, betekent zoveel als ‘hij die kwaad onder zijn oksel
draagt.’ Hij zou geleefd hebben in het midden van de 6e eeuw VC. Sommigen
noemden hen du’bān l-‘arab () ذؤبان العرب,’ de wolven van de Arabieren.’ Toch
moet er nog enige band bestaan hebben tussen deze rebelse figuren en hun stam,
aangezien de poëzie anders niet overleefd zou hebben.
Naast deze gedichten waren er ook die van rondtrekkende dichters, en Arabische
hoven (de Ghassanieden in Syrië, de Lakhmieden in Irak) voorgedragen werden,
waar de meest machtige tribes de touwtjes in handen hadden.
HET AUTHENTICITEITSPROBLEEM VAN DE PRE-ISLAMITISCHE POËZIE
Er stelt zich rond deze gedichten een authenticiteitsprobleem omdat ze pas
opgetekend werden in de vroeg-islamitische periode, in de Iraakse steden Kufa en
Basra, waar onderzoek een hoge vlucht nam.
Toen de Egyptische cultuurcriticus Ṭāhā Ḥusayn ( طه1973-1889 ) حسينin 1926 de
authenticiteit van heel wat gedichten in twijfel trok in zijn fi ši‘r l-jāhilī, wat ook
repercussies had voor de ontstaanscontext van de Koran, kwam hij onder zware
druk te staan.
Tegenwoordig wordt dit anders beoordeeld: met betere, op feiten gebaseerde
onderzoeksmethoden blijkt het onwaarschijnlijk dat het volledige tekstencorpus zo
problematisch is als eerder werd aangenomen. De meeste gedichten horen bij een
pre-islamitisch kader en hebben motieven die passen bij die context, die grondig
afwijkt van die van de geleerden die ze optekenden en bestudeerden.
De gedichten hebben vaak nog kenmerken van orale poëzie. Sariqāt (سركات
‘diefstallen’, wanneer dichters elkaars verzen opnemen) waarvan pre-islamitische
dichters beschuldigd worden, of vaste formuleringen die in verschillende
gedichten terugkeren, zijn niet zozeer teken van vervalsing als wel een aanwijzing
dat ze voortkomen uit een orale traditie.
4
, DE EERSTE ARABIEREN: HOE INSCRIPTIES HET BLIKVELD EN DE TIJDSBALK
VERRUIMEN
Tussen de eerste vermelding van een Arabier, in de 9e eeuw BC en de Koran zit
ruim anderhalf millennium, grof gemeten ongeveer even veel tijd als tussen de
komst van de Koran en het heden.
De oudste teksten over en van Arabieren bestaan uit korte inscripties in
verschillende regionale schriften, waarbij het onderscheid tussen Arabisch en
verwante Semitische talen soms lastig is; specifieke taalkundige innovaties gelden
daarbij als herkenningspunten voor Arabisch.
De inscripties zijn interessant voor ons verhaal omdat ze ongefilterd en zeker
authentiek zijn; we hebben hiervoor dus iets meer zekerheid dan voor de
gedichten.
BRONNEN UIT DE PRE-ISLAMITISCHE TIJD
DE EERSTE VERMELDING VAN EEN ARABIER: GINDIBU
Het proto-Arabisch ontstond vermoedelijk in de 9e eeuw v.Chr., dezelfde periode
waarin de eerste vermelding van een Arabier voorkomt: de Assyrische inscriptie
over Gindibu (sprinkhaan) uit het land van de ‘Arbi’, wiens naam tevens het oudst
bekende Arabische woord vormt.
Vanaf die periode verschijnen Arabieren regelmatig in Assyrische
spijkerschriftteksten en reliëfs, verspreid over een groot gebied van Mesopotamië
tot de Sinaï, vaak afgebeeld met dromedarissen/kamelen in oorlogsscènes.
ARABIEREN IN DE HEBREEUWSE BIJBEL
Ook de Hebreeuwse Bijbel vermeldt Arabieren, vaak in verband met de woestijn
en profetieën van onheil, en beschrijft daarnaast de rijkdom van Zuid-Arabië
(Sheba), dat dankzij handel, zeevaart en de domesticatie van de kameel
bekendstond als het welvarende Arabia Felix, in contrast met het woestijnachtige
Arabia Deserta.
DE EERSTE TEKSTEN IN HET ARABISCH: DIVERSE SCHRIFTEN
De oudste Arabische taalsporen zijn rotsinscripties die nog niet in het Arabisch
schrift zijn geschreven, maar in uiteenlopende regionale schriften, waaronder
Zuid- en Noord-Arabische varianten en sporadisch het Griekse alfabet, het enige
dat klinkers noteert.
5
ALS JE OOG IN OOG STAAT MET EEN ĠŪL
I. INSCRIPTIES, DE VROEGE GETUIGENISSEN VAN DE ARABISCHE TAAL EN
CULTUUR
TRIBAAL ARABIË (MET IN FOCUS: TA’ABBATA SHARRĀ )
Het pre-islamitisch Arabisch cultuurruim, de ruimte waarin de Arabieren van de
pre-islamitische periode zich bewogen, bevond zich in het Noorden van het
Arabische schiereiland, de Levant en Mesopotamië. Velen, maar niet allen, leefden
als nomaden en waren gericht op kuddes, handel en transport door de woestijn.
Ze waren vooral tribaal georganiseerd; wie daarbuiten viel en outcast was – zoals
de dichter Ta’abbaṭa Šarrā ( )تأبط شراdie dat overigens aan zichzelf te danken
had als de verhalen kloppen – moest zich maar zien te redden in de woestijn,
zonder bescherming. Deze dichters die ṣa‘ālīk (= het meervoud van ṣu‘lūk)
genoemd werden waren trouble makers. Ta’abbaṭa Šarrā’s naam, een spotnaam
waaronder hij bekend staat, betekent zoveel als ‘hij die kwaad onder zijn oksel
draagt.’ Hij zou geleefd hebben in het midden van de 6e eeuw VC. Sommigen
noemden hen du’bān l-‘arab () ذؤبان العرب,’ de wolven van de Arabieren.’ Toch
moet er nog enige band bestaan hebben tussen deze rebelse figuren en hun stam,
aangezien de poëzie anders niet overleefd zou hebben.
Naast deze gedichten waren er ook die van rondtrekkende dichters, en Arabische
hoven (de Ghassanieden in Syrië, de Lakhmieden in Irak) voorgedragen werden,
waar de meest machtige tribes de touwtjes in handen hadden.
HET AUTHENTICITEITSPROBLEEM VAN DE PRE-ISLAMITISCHE POËZIE
Er stelt zich rond deze gedichten een authenticiteitsprobleem omdat ze pas
opgetekend werden in de vroeg-islamitische periode, in de Iraakse steden Kufa en
Basra, waar onderzoek een hoge vlucht nam.
Toen de Egyptische cultuurcriticus Ṭāhā Ḥusayn ( طه1973-1889 ) حسينin 1926 de
authenticiteit van heel wat gedichten in twijfel trok in zijn fi ši‘r l-jāhilī, wat ook
repercussies had voor de ontstaanscontext van de Koran, kwam hij onder zware
druk te staan.
Tegenwoordig wordt dit anders beoordeeld: met betere, op feiten gebaseerde
onderzoeksmethoden blijkt het onwaarschijnlijk dat het volledige tekstencorpus zo
problematisch is als eerder werd aangenomen. De meeste gedichten horen bij een
pre-islamitisch kader en hebben motieven die passen bij die context, die grondig
afwijkt van die van de geleerden die ze optekenden en bestudeerden.
De gedichten hebben vaak nog kenmerken van orale poëzie. Sariqāt (سركات
‘diefstallen’, wanneer dichters elkaars verzen opnemen) waarvan pre-islamitische
dichters beschuldigd worden, of vaste formuleringen die in verschillende
gedichten terugkeren, zijn niet zozeer teken van vervalsing als wel een aanwijzing
dat ze voortkomen uit een orale traditie.
4
, DE EERSTE ARABIEREN: HOE INSCRIPTIES HET BLIKVELD EN DE TIJDSBALK
VERRUIMEN
Tussen de eerste vermelding van een Arabier, in de 9e eeuw BC en de Koran zit
ruim anderhalf millennium, grof gemeten ongeveer even veel tijd als tussen de
komst van de Koran en het heden.
De oudste teksten over en van Arabieren bestaan uit korte inscripties in
verschillende regionale schriften, waarbij het onderscheid tussen Arabisch en
verwante Semitische talen soms lastig is; specifieke taalkundige innovaties gelden
daarbij als herkenningspunten voor Arabisch.
De inscripties zijn interessant voor ons verhaal omdat ze ongefilterd en zeker
authentiek zijn; we hebben hiervoor dus iets meer zekerheid dan voor de
gedichten.
BRONNEN UIT DE PRE-ISLAMITISCHE TIJD
DE EERSTE VERMELDING VAN EEN ARABIER: GINDIBU
Het proto-Arabisch ontstond vermoedelijk in de 9e eeuw v.Chr., dezelfde periode
waarin de eerste vermelding van een Arabier voorkomt: de Assyrische inscriptie
over Gindibu (sprinkhaan) uit het land van de ‘Arbi’, wiens naam tevens het oudst
bekende Arabische woord vormt.
Vanaf die periode verschijnen Arabieren regelmatig in Assyrische
spijkerschriftteksten en reliëfs, verspreid over een groot gebied van Mesopotamië
tot de Sinaï, vaak afgebeeld met dromedarissen/kamelen in oorlogsscènes.
ARABIEREN IN DE HEBREEUWSE BIJBEL
Ook de Hebreeuwse Bijbel vermeldt Arabieren, vaak in verband met de woestijn
en profetieën van onheil, en beschrijft daarnaast de rijkdom van Zuid-Arabië
(Sheba), dat dankzij handel, zeevaart en de domesticatie van de kameel
bekendstond als het welvarende Arabia Felix, in contrast met het woestijnachtige
Arabia Deserta.
DE EERSTE TEKSTEN IN HET ARABISCH: DIVERSE SCHRIFTEN
De oudste Arabische taalsporen zijn rotsinscripties die nog niet in het Arabisch
schrift zijn geschreven, maar in uiteenlopende regionale schriften, waaronder
Zuid- en Noord-Arabische varianten en sporadisch het Griekse alfabet, het enige
dat klinkers noteert.
5