1. Verzoeken, Aanbiedingen en Uitnodigingen (Unit 37)
• Verzoeken: Gebruik Can, Could of Would you...? om mensen te vragen iets
te doen. Voorbeeld: "Could you open the door, please?".
• Dingen vragen: Gebruik Can I have...?, Could I have...? of May I have...?.
• Toestemming: Gebruik Can I...?, Could I...? of May I...? om te vragen of je
iets mag doen. Je kunt ook vragen: "Do you mind if I...?".
• Aanbieden en uitnodigen: Gebruik Can I...? om iets aan te bieden en
Would you like...? voor uitnodigingen. Voorbeeld: "Would you like to come to a
concert tomorrow night?".-
2. De "Wish" Constructie (Unit 41)
• Spijt over het heden: Gebruik wish + past simple (knew/lived/had etc.)
voor situaties die je nu anders zou willen zien. Voorbeeld: "I wish I knew what to
do about the problem" (maar ik weet het niet).
• Spijt over het verleden: Gebruik wish + had known/said etc. voor zaken
uit het verleden. Voorbeeld: "I wish I'd known about the party".
• Wensen dat iets verandert: Gebruik wish... would om te klagen over een
situatie of om te vragen dat iemand iets verandert. Voorbeeld: "I wish it would
stop raining".
3. De Passieve Vorm (Lijdende Vorm) (Units 44-46)
• Passief met twee objecten: Sommige werkwoorden (zoals
give/ask/offer/pay/show/tell) hebben twee objecten. Je kunt dan twee passieve
zinnen maken: "I was given this watch" of "This watch was given to me".
• Lijkt/wordt gezegd: Gebruik structuren zoals It is said that... of He is
supposed to... voor rapportages of algemene verwachtingen. Voorbeeld: "The
strike is expected to end soon".
• Have something done: Gebruik deze vorm als je iets door iemand anders laat
doen. De volgorde is: have + object + past participle. Voorbeeld: "Lisa had
the roof repaired" (ze deed het niet zelf).
4. Reported Speech (Indirecte Rede) (Units 47-48)
• Tijdverandering: Wanneer je vertelt wat iemand anders zei, verandert de tijd
meestal naar het verleden (present wordt past, can wordt could, will wordt
would).
• Say vs. Tell: Gebruik tell als je vermeldt tegen wie het gezegd wordt (tell
somebody), anders gebruik je say. Voorbeeld: "Rachel told me that you were in
hospital".
, • Verzoeken en bevelen: Gebruik tell/ask somebody to do something.
Voorbeeld: "The doctor told me to drink plenty of water".
5. Hulpwerkwoorden en Question Tags (Units 51-52)
• Hulpwerkwoorden: Gebruik hulpwerkwoorden (do/have/can etc.) om
herhaling te voorkomen. Gebruik So am I / Neither do I om aan te geven dat
iets ook voor jou geldt.
• Question tags: Dit zijn korte vraagjes aan het einde van een zin (bijv. "isn't
it?", "have you?"). Een positieve zin krijgt meestal een negatieve tag en vice
versa. Voorbeeld: "It’s a beautiful day, isn’t it?".
6. Werkwoordpatronen: -ing of to... (Units 53-59)
• Verb + -ing: Sommige werkwoorden worden gevolgd door -ing (bijv. enjoy,
mind, suggest, stop, finish). Voorbeeld: "I enjoy reading".
• Verb + to... (infinitive): Andere werkwoorden worden gevolgd door to... (bijv.
decide, hope, promise, forget). Voorbeeld: "It was a long way to walk, so we
decided to take a taxi".
Betekenisverschil: Bij sommige werkwoorden (zoals remember, regret, go on,
try) verandert de betekenis afhankelijk van of je -ing of to... gebruikt.
◦ Remember doing: je herinnert je iets wat je al gedaan hebt.
◦ Remember to do: je herinnert je dat je iets nog moet gaan doen.
Voorkeuren en vergelijkingen:
• prefer and would rather (Unit 59): Gebruik prefer om over algemene
voorkeuren te praten (bijv. I prefer driving to travelling by train). Gebruik would
prefer (I’d prefer) voor een specifieke situatie. Would rather (I’d rather)
wordt gevolgd door de stam van het werkwoord zonder to. Voorbeeld: "I’d rather
stay at home tonight than go to the cinema".
7. Voorzetsels en -ing (Units 60-68)
• Als een voorzetsel (in/for/about/without etc.) gevolgd wordt door een
werkwoord, eindigt dat werkwoord altijd op -ing. Voorbeeld: "Are you interested
in working for us?".
• Be/get used to: Dit betekent dat iets niet meer vreemd of nieuw voor je is.
Het wordt gevolgd door -ing of een zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: "I’m used
to driving on the left".
Verb + preposition + -ing (Unit 62): Wanneer een werkwoord een vast
voorzetsel heeft (zoals apologise for, insist on, succeed in), volgt daarna altijd de
-ing vorm.