Vetgedrukte woorden uit de cursus (pagina’s 5, 6 en 8).
5. TÉLÉPHONE 1 : PRÉPARATIFS
A. AUTOUR DU TÉLÉPHONE
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
téléphoner à bellen naar
appeler bellen
passer un coup de fil een telefoontje plegen
un coup de téléphone een telefoontje
le coût de kost / prijs
la communication téléphonique telefonische communicatie / gesprek
l’appel oproep / telefoontje
la sonnerie beltoon / het rinkelen
recevoir un appel een oproep ontvangen
le téléphone telefoon
un téléphone fixe vaste telefoon
avec fil met draad
un portable gsm / mobiele telefoon
un mobile gsm / mobiele telefoon
des textos sms’jes / tekstberichten
un numéro de téléphone telefoonnummer
l’annuaire telefoonboek / gids
B. NUMÉROS
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
décrocher opnemen
une tonalité kiestoon
composer le numéro nummer intoetsen / draaien
C. MESSAGES TÉLÉPHONIQUES
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
son domicile thuis (woning)
tomber sur le répondeur op voicemail / antwoordapparaat terechtkomen
laisser un message een bericht achterlaten
le bip sonore pieptoon
,raccrocher ophangen
le standard téléphonique telefooncentrale
la standardiste telefoniste / receptioniste
accéder au menu toegang krijgen tot het menu
appuyer sur op … drukken
la touche étoile (*) de stertoets (*)
faire le / 3 toets / 3 indrukken
être mis(e) en relation doorverbonden worden
,6. TÉLÉPHONE 2 : PRISE DE CONTACT
A. ENTRÉE EN COMMUNICATION
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
le correspondant de gesprekspartner
absent afwezig
la ligne est occupée de lijn is bezet
être en ligne in gesprek zijn
Allô ! hallo (aan de telefoon)
, 8. TÉLÉLÉPHONE 4 : RENDEZ-VOUS
A. PRENDRE RENDEZ-VOUS
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
Rendez-vous professionnel professionele afspraak
conviendrait zou passen / schikken
ça m’arrangerait dat zou mij passen
si possible indien mogelijk
disponible beschikbaar
Que diriez-vous de... ? wat zou u zeggen van... ?
Je peux vous proposer ik kan u voorstellen
c’est possible dat is mogelijk
vous irait zou u passen
C’est parfait dat is perfect
Entre amis onder vrienden
On pourrait se voir ? zouden we kunnen afspreken?
t’es libre ? ben je vrij?
Ça ne m’arrange pas dat komt mij niet goed uit
tu pourrais ? zou je kunnen?
ça te va ? past het je?
Je préférerais ik zou liever
D’accord, ça marche oké, dat werkt / afgesproken
On dit we spreken af / we zeggen
B. DÉPLACER UN RENDEZ-VOUS
Frans (uit de cursus) Nederlands (betekenis)
un empêchement een verhindering
un contretemps tegenslag / onverwacht probleem
pris(e) bezet
débordé(e) overwerkt / superdruk
en déplacement op verplaatsing
en réunion in vergadering
déplacer verplaatsen
avancer vervroegen
reporter uitstellen
fixer vastleggen
Pas de problème geen probleem