Prevalentie = Hoe vaak iets voorkomt. Archetypen = Basistypes van mensen die overal in
terugkomen.
Stigma = Negatief label of vooroordeel. Egopsychologie = Kijkt naar hoe het ego omgaat met
problemen.
Trepanatie = Procedure waarbij men een gat in de Ego-identiteit = Verankerd gevoel van wie we zijn &
schedel maakt. waar we in geloven.
Bemoeizorg = Outreachende zorg Introjectie = Ideën, normen of gevoelens overnemen van
= HV bekommert zich om zorgmijders anderen & doen alsof ze van jezelf zijn.
Herstelbenadering = Nadruk op eigen kracht + eigen actieve Behaviorisme = Enkel het zichtbare bestuderen.
rol.
Evidence-based = Behandelen o.b.v. behandelprotocollen. Modelling = Leren door observatie.
Medicine
Evidence-based = Besluit nemen op resultaten, ervaringen, Cognities = Alles m.b.t. het denken & info
Practice … verwerken.
Exhaustief = Volledig, allesomvattend Cognitieve = Denkfouten
vervorming
Gecompliceerde = Een ingewikkelde wisselwerking RET = Rationeel-emotieve gedragstherapie
Intereactie
Psychoanalyse = Psychologische problemen zijn door onbewuste Selectieve = Alleen het negatieve zien, positieve
motieven & conflicten die terug te voeren zijn naar abstractie negeren.
onze kindertijd.
Abnormaal gedrag = Symptoom van psychologisch conflict. Overgeneralisatie = Na één negatieve ervaring zal alles
mislukken, volgens je.
ID / es = Onbewust – Lagere driften – Lustprincipe Uitvergroting = Probleem veel groter maken dan het
(Catastroferen) is.
EGO / ich = Bewust/onbewust – Rede – Absoluut denken = Iets is goed of slecht, niets ertussen.
Realiteitsprincipe = Zwart-wit denken
SUPEREGO / = Bewust – Waarden - Moraliteitsprincipe Zelfactualisatie = Het beste uit jezelf halen.
Überich
Verdringing = Gedachten onbewust wegduwen. Egosyntoon = Gedrag, gedachten & gevoelens die
passen bij hoe je uzelf ziet.
Regressie =Terugkeren naar kinderlijk gedrag bij Egodystoon = Gedrag, gedachten & gevoelens die
stress. niet passen bij je zelfbeeld.
Rationalisatie = Goedpraten met een ‘logische’ uitleg. Beschrijvend = Je noteert objectief, neutraal &
systeem feitelijk. – Geen verklaring!
Verplaatsing = Emotie afreageren op iemand anders. A-theoretisch = Zonder theorie werken.
= Zonder theoretisch kader.
Projectie = Je eigen gevoelens bij een ander leggen. Klinisch beeld = Overzicht van alle symptomen,
klachten & kenmerken.
Reactieformatie = Het tegenovergestelde tonen van wat je Beschrijvende = Objectief opsommen van klachten &
voelt. diagnostiek gedrag.
Ontkenning = Doen alsof de problemen niet bestaan. Integratieve = Verschillende therapievormen, methodes
aanpak en/of theorieën samenbrengen tot één
geheel/aanpak.
Sublimatie = Negatieve gevoelens omzetten in iets Categoraal = Werken met hokjes: Je hebt de
positiefs. stoornis wel of niet.
Eros = Levensdrift / Overlevingsinstinct. Dimensioneel = Werken op een schaal: hoeveel &
hoe sterk is hij/zij…?
Thanatos = Doodsdrift Consistentie = Stabiel & betrouwbaar
= Steeds hetzelfde
Fixatie = Te weinig of te veel bevrediging in Validiteit = Het testresultaat klopt écht met het
bepaald stadium. doel van de test.
Oraal gefixeerd = Verslavingsgedrag Stress = Reactie van je lichaam & geest op
druk en spanning.
Anaal gefixeerd = Dwangmatig gedrag Stressor = De oorzaak of prikkel die stress
uitlokt.
, Distress = Negatieve, schadelijke stress die je Claustrofobie = Vrees voor kleine ruimtes.
overbelast.
Eustress = Positieve stress die motiveert & energie Acarofobie = Vrees voor kleine dieren & insecten.
geeft.
Probleemgerichte = Het probleem welf aanpakken. Sociale fobie = Angst voor sociale situaties –
coping Vermijden van sociale situaties.
Emotiegerichte = Gevoelens reguleren die door de situatie Agorafobie = Angst om in open drukke plaatsen te
coping is ontstaan. komen.
Adaptieve coping = Doeltreffende & gezonde manier om met Prepared = Aangeboren snelle leerbaarheid van
stress om te gaan. – Op lange termijn. conditioning angst voor bepaalde prikkels.
Locus of control = Mate waarin iemand gelooft zelf controle te Contraproductief = Zorgt voor het omgekeerde van wat
hebben over wat er gebeurt (intern) of dat het je wil bereiken.
vooral door externe factoren wordt bepaald (extern).
Persisterende = Aanhoudende stressreactie Morfodysfoor = Overmatig onteveden beeld van het
reactie eigen lichaam.
Significante = Duidelijk & betekenisvol Trichotillomanie = Dwangmattig uittrekken van eigen
haar.
Differentiaal- = Vergelijken van mogelijke diagnoses. Excoriatiestoornis = Dwangmatig aan huid krabben of
diagnose pulken.
Acuut = Plots & kortdurend Compulsies = Dwanghandelingen – angst/spanning
verminderen.
Maladaptief = Niet-helpend of schadelijk Obsessies = Terugkerende, ongewenste
gedachten.
Zelfdestructief = Schadelijk voor jezelf. Worry circuit = Hersenkringloop die piekeren & angst
in stand houdt.
Cues = Signalen of aanwijzingen. Mentale loop = Negatieve gedachten niet kunnen
doorbreken.
Subjectieve = Hoe iemand iets persoonlijk beleeft. Feilloos = Zonder fouten
ervaring
Medïerende = Factoren die invloed tussen oorzaak & Generalisatie = Eén ervaring doortrekken naar alles.
factoren gevolg verklaren.
Angst = Gevoel van dreiging of spanning Tics = Onwillekeurige, plotselinge
bewegingen of geluiden.
Neurose = Psychische klachten met realiteitsbesef. Wanen = Vaste, onjuiste overtuigingen – komt
niet overeen met realiteit.
Psychodynamisch = Gedrag & klachten worden beïnvloed Somatisch = Alles wat met het lichaam te maken
door onbewuste processen. heeft.
Paniekaanval = Plotselinge golf van intense angst of intens Dissociatie = Het (tijdelijk) loskoppelen van
onbehagen, bereiken piek binnen enkele minuten. gevoelens, gedachten etc.
Agorafobie = Angst voor plaatsen of situaties waar je Nagebootste = Opzettelijk creëren van lichamelijk of
het gevoel hebt dat je niet kan ontsnappen. stoornissen psychische aandoeningen/symptomen.
Attributies = Het toeschrijven van oorzaken aan Somatische- = Lichamelijke klachten, niet-medisch
gebeurtenissen/klachten. symptoomst. verklaarbaar, mogelijks door onderliggende
psychische conflicten.
GABA = Remmende neurotransmitter, zorgt voor Depersonalisatie = Je voelt je los van jezelf.
rust in de hersenen.
Fysiologische = De lichamelijke activering van het Derealisatie = De wereld voelt onwerkelijk.
arousal lichaam.
Fobicus = Iemand met een overmatige, Gespleten = Eén persoon met meerdere
aanhoudende angst. persoonlijkheid identiteitstoestanden.
Fobische reactie = Hevige angstreactie op een specifieke Wedijveren = Met elkaar strijden/concurreren.
prikkel of specifieke situatie.
Specifieke fobie = Langdurige/buitensporige vrees voor iets Ambivalentie = Tegengestelde gevoelens tegelijk.
specifiek.
Acrofobie = Hoogtevrees Individualistische = Persoon staat centraal, niet de groep.
cultuur
terugkomen.
Stigma = Negatief label of vooroordeel. Egopsychologie = Kijkt naar hoe het ego omgaat met
problemen.
Trepanatie = Procedure waarbij men een gat in de Ego-identiteit = Verankerd gevoel van wie we zijn &
schedel maakt. waar we in geloven.
Bemoeizorg = Outreachende zorg Introjectie = Ideën, normen of gevoelens overnemen van
= HV bekommert zich om zorgmijders anderen & doen alsof ze van jezelf zijn.
Herstelbenadering = Nadruk op eigen kracht + eigen actieve Behaviorisme = Enkel het zichtbare bestuderen.
rol.
Evidence-based = Behandelen o.b.v. behandelprotocollen. Modelling = Leren door observatie.
Medicine
Evidence-based = Besluit nemen op resultaten, ervaringen, Cognities = Alles m.b.t. het denken & info
Practice … verwerken.
Exhaustief = Volledig, allesomvattend Cognitieve = Denkfouten
vervorming
Gecompliceerde = Een ingewikkelde wisselwerking RET = Rationeel-emotieve gedragstherapie
Intereactie
Psychoanalyse = Psychologische problemen zijn door onbewuste Selectieve = Alleen het negatieve zien, positieve
motieven & conflicten die terug te voeren zijn naar abstractie negeren.
onze kindertijd.
Abnormaal gedrag = Symptoom van psychologisch conflict. Overgeneralisatie = Na één negatieve ervaring zal alles
mislukken, volgens je.
ID / es = Onbewust – Lagere driften – Lustprincipe Uitvergroting = Probleem veel groter maken dan het
(Catastroferen) is.
EGO / ich = Bewust/onbewust – Rede – Absoluut denken = Iets is goed of slecht, niets ertussen.
Realiteitsprincipe = Zwart-wit denken
SUPEREGO / = Bewust – Waarden - Moraliteitsprincipe Zelfactualisatie = Het beste uit jezelf halen.
Überich
Verdringing = Gedachten onbewust wegduwen. Egosyntoon = Gedrag, gedachten & gevoelens die
passen bij hoe je uzelf ziet.
Regressie =Terugkeren naar kinderlijk gedrag bij Egodystoon = Gedrag, gedachten & gevoelens die
stress. niet passen bij je zelfbeeld.
Rationalisatie = Goedpraten met een ‘logische’ uitleg. Beschrijvend = Je noteert objectief, neutraal &
systeem feitelijk. – Geen verklaring!
Verplaatsing = Emotie afreageren op iemand anders. A-theoretisch = Zonder theorie werken.
= Zonder theoretisch kader.
Projectie = Je eigen gevoelens bij een ander leggen. Klinisch beeld = Overzicht van alle symptomen,
klachten & kenmerken.
Reactieformatie = Het tegenovergestelde tonen van wat je Beschrijvende = Objectief opsommen van klachten &
voelt. diagnostiek gedrag.
Ontkenning = Doen alsof de problemen niet bestaan. Integratieve = Verschillende therapievormen, methodes
aanpak en/of theorieën samenbrengen tot één
geheel/aanpak.
Sublimatie = Negatieve gevoelens omzetten in iets Categoraal = Werken met hokjes: Je hebt de
positiefs. stoornis wel of niet.
Eros = Levensdrift / Overlevingsinstinct. Dimensioneel = Werken op een schaal: hoeveel &
hoe sterk is hij/zij…?
Thanatos = Doodsdrift Consistentie = Stabiel & betrouwbaar
= Steeds hetzelfde
Fixatie = Te weinig of te veel bevrediging in Validiteit = Het testresultaat klopt écht met het
bepaald stadium. doel van de test.
Oraal gefixeerd = Verslavingsgedrag Stress = Reactie van je lichaam & geest op
druk en spanning.
Anaal gefixeerd = Dwangmatig gedrag Stressor = De oorzaak of prikkel die stress
uitlokt.
, Distress = Negatieve, schadelijke stress die je Claustrofobie = Vrees voor kleine ruimtes.
overbelast.
Eustress = Positieve stress die motiveert & energie Acarofobie = Vrees voor kleine dieren & insecten.
geeft.
Probleemgerichte = Het probleem welf aanpakken. Sociale fobie = Angst voor sociale situaties –
coping Vermijden van sociale situaties.
Emotiegerichte = Gevoelens reguleren die door de situatie Agorafobie = Angst om in open drukke plaatsen te
coping is ontstaan. komen.
Adaptieve coping = Doeltreffende & gezonde manier om met Prepared = Aangeboren snelle leerbaarheid van
stress om te gaan. – Op lange termijn. conditioning angst voor bepaalde prikkels.
Locus of control = Mate waarin iemand gelooft zelf controle te Contraproductief = Zorgt voor het omgekeerde van wat
hebben over wat er gebeurt (intern) of dat het je wil bereiken.
vooral door externe factoren wordt bepaald (extern).
Persisterende = Aanhoudende stressreactie Morfodysfoor = Overmatig onteveden beeld van het
reactie eigen lichaam.
Significante = Duidelijk & betekenisvol Trichotillomanie = Dwangmattig uittrekken van eigen
haar.
Differentiaal- = Vergelijken van mogelijke diagnoses. Excoriatiestoornis = Dwangmatig aan huid krabben of
diagnose pulken.
Acuut = Plots & kortdurend Compulsies = Dwanghandelingen – angst/spanning
verminderen.
Maladaptief = Niet-helpend of schadelijk Obsessies = Terugkerende, ongewenste
gedachten.
Zelfdestructief = Schadelijk voor jezelf. Worry circuit = Hersenkringloop die piekeren & angst
in stand houdt.
Cues = Signalen of aanwijzingen. Mentale loop = Negatieve gedachten niet kunnen
doorbreken.
Subjectieve = Hoe iemand iets persoonlijk beleeft. Feilloos = Zonder fouten
ervaring
Medïerende = Factoren die invloed tussen oorzaak & Generalisatie = Eén ervaring doortrekken naar alles.
factoren gevolg verklaren.
Angst = Gevoel van dreiging of spanning Tics = Onwillekeurige, plotselinge
bewegingen of geluiden.
Neurose = Psychische klachten met realiteitsbesef. Wanen = Vaste, onjuiste overtuigingen – komt
niet overeen met realiteit.
Psychodynamisch = Gedrag & klachten worden beïnvloed Somatisch = Alles wat met het lichaam te maken
door onbewuste processen. heeft.
Paniekaanval = Plotselinge golf van intense angst of intens Dissociatie = Het (tijdelijk) loskoppelen van
onbehagen, bereiken piek binnen enkele minuten. gevoelens, gedachten etc.
Agorafobie = Angst voor plaatsen of situaties waar je Nagebootste = Opzettelijk creëren van lichamelijk of
het gevoel hebt dat je niet kan ontsnappen. stoornissen psychische aandoeningen/symptomen.
Attributies = Het toeschrijven van oorzaken aan Somatische- = Lichamelijke klachten, niet-medisch
gebeurtenissen/klachten. symptoomst. verklaarbaar, mogelijks door onderliggende
psychische conflicten.
GABA = Remmende neurotransmitter, zorgt voor Depersonalisatie = Je voelt je los van jezelf.
rust in de hersenen.
Fysiologische = De lichamelijke activering van het Derealisatie = De wereld voelt onwerkelijk.
arousal lichaam.
Fobicus = Iemand met een overmatige, Gespleten = Eén persoon met meerdere
aanhoudende angst. persoonlijkheid identiteitstoestanden.
Fobische reactie = Hevige angstreactie op een specifieke Wedijveren = Met elkaar strijden/concurreren.
prikkel of specifieke situatie.
Specifieke fobie = Langdurige/buitensporige vrees voor iets Ambivalentie = Tegengestelde gevoelens tegelijk.
specifiek.
Acrofobie = Hoogtevrees Individualistische = Persoon staat centraal, niet de groep.
cultuur