Stressgerelateerde stoornissen
Aanpassingsstoornis = Problemen met aanpassen
> Milde vorm van stressgerelateerde stoornis
> Onaangepaste reactie op een duidelijke stressor.
> Duidelijke lijdensdruk, niet in verhouding met ernst v/d stressor.
> Significante beperkingen in functioneren.
> Ontwikkelt zich binnen de 3 maanden.
> Na verdwijnen van stressor verdwijnen de klachten binnen de 6m.
> Geen uiting van normale rouw.
> Voldoet niet aan criteria van een andere stoornis.
1) … met depressieve klachten
2) … met angst
3) … met een mix van angst en depressieve klachten
4) … met verstoord gedrag
5) … met een mix van verstoring van emotie en gedrag
6) Ongespecifieerde …
Acute stressstoornis - ASS = Ongepaste reactie op psychotraumatische gebeurtenis in de 1e maand na
traumatische ervaring.
> Acute reactie
> Voorbijgaande stoornis
> Onmiddellijk na trauma
> Neemt significant af na 4 weken
> Zelfde symptomen als PTSS
> Risicofactor voor PTSS
Posttraumatische-stressstoornis = Langdurige & ongepaste reactie op psychotraumatische gebeurtenis.
> Minstens 1 maand na het trauma nog steeds gevolgen en stressoren
ondervinden.
> Na het meemaken of zien van een ingrijpende gebeurtenis
> Reageren met hevige emoties
> Symptomen duren minstens één maand
> Belemmering van functioneren
> Mate van blootstelling aan trauma
Risicofactoren i.v.m. gebeurtenis > Ernst van het trauma
> Blootstelling aan geweld
> Seksueel misbruik in de kindertijd
Risicofactoren i.v.m. > Geen sociale steun
persoon/omgeving > Onvermogen om traumatische stressor actief tegemoet te treden.
> Gevoelens van schaamte
> Gevoelens van onthechting of ‘dissociatie’ kort na het trauma.
, 1 - Angststoornissen
Paniekstoornis = Herhaalde onverwachtse paniekaanvallen
Om te spreken van een stoornis moet minstens 1 aanval gevolg worden door:
a) Minstens een maand lang aanhoudende angst voor volgende aanval
b) Significante veranderingen in gedrag.
> Onverwacht, plots begin zonder aanleiding/waarschuwing.
> Terugkerend
> Associaties bet o.a. agorafobie
> 2x meer vrouwen dan mannen
Gegeneraliseerde = Persisterende angst die zich niet beperkt tot specifieke situaties
angststoornis = Constant gevoel van onrust, nare voorgevoelens & verhoogde staat van
lichamelijke arousal.
> Minstens 6 maand
> Betrekking op aantal gebeurtenissen of activiteiten
> Piekeren over vanalles en nog wat, met als gevolg dat er een aanzienlijke
verstoring is in het dagelijks leven.
2- Fobische stoornissen
Specifieke fobie = Langdurige of buitensporige vrees voor specifiek object/situatie.
1) Acrofobie = Hoogtevrees
2) Claustrofobie = Vrees voor kleine ruimtes.
3) Acarafobie = Vrees voor kleine dieren & insecten.
Sociale fobie = Angst voor sociale situaties/sociale angststoornis tgv buitensporige angst voor
negatieve beoordelingen.
Agorafobie = Angst voor drukke plaatsen (met of zonder paniekaanvallen).
3- Obsessief-Compulsieve stoornis
OCD = Herhalende obsessies/compulsies.
> Meer dan een uur/dag.
> Gaat ten koste van normale bezigheden.
> Sterk storend in dagelijks, professioneel, sociaal functioneren.
Obsessie: Opdringerige terugkerende gedachte/idee
Compulsie: Steeds herhalende gedragingen of mentale handelingen, vaak als reactie
op obsessie.
Morfodysfore stoornis = Verstoorde lichaamsbeleving
> Obessie met imaginair/sterk overdreven defect in het uiterlijk.
> Geloof dat ze lelijk/misvormd zijn.
> Ondergaan soms onnodige ingrijpende medische behandelingen.
> Vaak zelfmoordgedachten of pogingen.
Verzamelstoornis = Opeenstapelen van onnodige en nutteloze bezittingen.
> Veroorzaakt persoonlijke stress.
> Conflicten met gezinsleden.
> Emotionele component: gevoel van veiligheid.
> Wordt vaak als ‘normaal’ beschouwd.
> Geen ritualistische aandrang.
Trichotillomanie = Haaruittrekstoornis
Excoriatiestoornis = Huidpulkstoornis
Aanpassingsstoornis = Problemen met aanpassen
> Milde vorm van stressgerelateerde stoornis
> Onaangepaste reactie op een duidelijke stressor.
> Duidelijke lijdensdruk, niet in verhouding met ernst v/d stressor.
> Significante beperkingen in functioneren.
> Ontwikkelt zich binnen de 3 maanden.
> Na verdwijnen van stressor verdwijnen de klachten binnen de 6m.
> Geen uiting van normale rouw.
> Voldoet niet aan criteria van een andere stoornis.
1) … met depressieve klachten
2) … met angst
3) … met een mix van angst en depressieve klachten
4) … met verstoord gedrag
5) … met een mix van verstoring van emotie en gedrag
6) Ongespecifieerde …
Acute stressstoornis - ASS = Ongepaste reactie op psychotraumatische gebeurtenis in de 1e maand na
traumatische ervaring.
> Acute reactie
> Voorbijgaande stoornis
> Onmiddellijk na trauma
> Neemt significant af na 4 weken
> Zelfde symptomen als PTSS
> Risicofactor voor PTSS
Posttraumatische-stressstoornis = Langdurige & ongepaste reactie op psychotraumatische gebeurtenis.
> Minstens 1 maand na het trauma nog steeds gevolgen en stressoren
ondervinden.
> Na het meemaken of zien van een ingrijpende gebeurtenis
> Reageren met hevige emoties
> Symptomen duren minstens één maand
> Belemmering van functioneren
> Mate van blootstelling aan trauma
Risicofactoren i.v.m. gebeurtenis > Ernst van het trauma
> Blootstelling aan geweld
> Seksueel misbruik in de kindertijd
Risicofactoren i.v.m. > Geen sociale steun
persoon/omgeving > Onvermogen om traumatische stressor actief tegemoet te treden.
> Gevoelens van schaamte
> Gevoelens van onthechting of ‘dissociatie’ kort na het trauma.
, 1 - Angststoornissen
Paniekstoornis = Herhaalde onverwachtse paniekaanvallen
Om te spreken van een stoornis moet minstens 1 aanval gevolg worden door:
a) Minstens een maand lang aanhoudende angst voor volgende aanval
b) Significante veranderingen in gedrag.
> Onverwacht, plots begin zonder aanleiding/waarschuwing.
> Terugkerend
> Associaties bet o.a. agorafobie
> 2x meer vrouwen dan mannen
Gegeneraliseerde = Persisterende angst die zich niet beperkt tot specifieke situaties
angststoornis = Constant gevoel van onrust, nare voorgevoelens & verhoogde staat van
lichamelijke arousal.
> Minstens 6 maand
> Betrekking op aantal gebeurtenissen of activiteiten
> Piekeren over vanalles en nog wat, met als gevolg dat er een aanzienlijke
verstoring is in het dagelijks leven.
2- Fobische stoornissen
Specifieke fobie = Langdurige of buitensporige vrees voor specifiek object/situatie.
1) Acrofobie = Hoogtevrees
2) Claustrofobie = Vrees voor kleine ruimtes.
3) Acarafobie = Vrees voor kleine dieren & insecten.
Sociale fobie = Angst voor sociale situaties/sociale angststoornis tgv buitensporige angst voor
negatieve beoordelingen.
Agorafobie = Angst voor drukke plaatsen (met of zonder paniekaanvallen).
3- Obsessief-Compulsieve stoornis
OCD = Herhalende obsessies/compulsies.
> Meer dan een uur/dag.
> Gaat ten koste van normale bezigheden.
> Sterk storend in dagelijks, professioneel, sociaal functioneren.
Obsessie: Opdringerige terugkerende gedachte/idee
Compulsie: Steeds herhalende gedragingen of mentale handelingen, vaak als reactie
op obsessie.
Morfodysfore stoornis = Verstoorde lichaamsbeleving
> Obessie met imaginair/sterk overdreven defect in het uiterlijk.
> Geloof dat ze lelijk/misvormd zijn.
> Ondergaan soms onnodige ingrijpende medische behandelingen.
> Vaak zelfmoordgedachten of pogingen.
Verzamelstoornis = Opeenstapelen van onnodige en nutteloze bezittingen.
> Veroorzaakt persoonlijke stress.
> Conflicten met gezinsleden.
> Emotionele component: gevoel van veiligheid.
> Wordt vaak als ‘normaal’ beschouwd.
> Geen ritualistische aandrang.
Trichotillomanie = Haaruittrekstoornis
Excoriatiestoornis = Huidpulkstoornis