FILOSOFIE
H1. Inleiding ................................................................................................................................................................ 2
H2: De Grieken ............................................................................................................................................................ 3
SOCRATES ........................................................................................................................................................... 4
PLATO ................................................................................................................................................................. 4
ARISTOTELES ...................................................................................................................................................... 5
H3: de romeinen .......................................................................................................................................................... 6
GALENUS ............................................................................................................................................................ 6
H4: Feodale orde van Paulus en Augustinus .................................................................................................................. 7
H7: Het dak van de wereld breekt open ......................................................................................................................... 9
VESALIUS .......................................................................................................................................................... 10
H8: de mens als studieobject ..................................................................................................................................... 12
LAMARCK .......................................................................................................................................................... 12
DARWIN ............................................................................................................................................................ 13
H9: lichamelijkheid en identiteit .................................................................................................................................. 17
EPILOOG ................................................................................................................................................................... 21
En nog een goede gezondheid ..................................................................................................................................... 22
H1: inleiding........................................................................................................................................................... 22
H3: wat is er van onze gezondheid ........................................................................................................................... 22
H4: macht en gezondheid ....................................................................................................................................... 24
H5: De keerzijde van medicalisering ........................................................................................................................ 27
Autonomie ......................................................................................................................................................... 28
Farmaceuticalisering .......................................................................................................................................... 28
H6: gezondheid en verantwoordelijkheid ................................................................................................................. 29
Leefstijl, voeding en obesitas .............................................................................................................................. 30
Poverty, obesity and malnutrition ........................................................................................................................ 31
,H1. INLEIDING
‘Filosofie’ = oorsprong in ‘Filein’ en ‘Sofia’ wat in het Grieks begeren en wijsheid betekenen.
De vraag ‘wat is filosofie?’ is evenwel belangrijk om te beantwoorden.
Het beantwoorden van deze vraag maakt zelf ook een onderdeel uit van die filosofie.
Er wordt een extra bril opgezet om zichtbaar te maken wat tot daarvoor onzichtbaar bleef.
Zijn = totaliteit van wat is en zo de wereld mogelijk maakt
Zijnde = datgene wat is en wat zich binnen in dat Zijn begeeft. Vb. een persoon, een stoel, …
Toogfilosofie (Caféfilosofie = subjectivisme) en andere misverstanden:
- In cafés vroeger: ‘wat is de zin van het leven?’
Die vraag is zo speculatief dat er geen controleerbaar antwoord op te geven valt.
- Soms werd filosofie gereduceerd tot een levenswijze (een houvast)
Filosofie wordt beschouwd als discipline die richtlijnen voorschrijft voor het handelen
- Filosoferen een synoniem voor ‘zweven’
Wil zeggen dat het isolerend is van de werkelijkheid en wereldvreemd is.
Raar want al wat we doen is van deze wereld, filosofie is met de wereld bezig!
- De verhouding tussen filosofie en wetenschap: meer wetenschap door experimenten
Hierdoor krijgt filosofie de beschrijven als de aanvulling van de wetenschap. Filosofie zou zich bezighouden met de
vragen waarop de wetenschap nog geen antwoord heeft.
ALLEMAAL FOUTE MISVERSTANDEN!!
Filosofie houdt zich bezig met de waarheid en het verlangen naar die waarheid.
Medische Filosofie houdt zich bezig met vragen rond gezondheid.
Componenten van Filosofie:
- Met een verwonderde blik naar de wereld kijken en daarover vragen stellen
- Stelt vragen over zaken die ‘evident’ zijn (logisch)
- Extra bril opzetten om dingen in vraag te kunnen stellen
- Vragen die vaak geen antwoord hebben. Vb. Waarom leven wij?
- De wereld is wat ze is, punt!
- Verwondering is het startpunt van de filosofie. De wijze waarop er wordt omgegaan met die verwondering, dat is
hoe filosofie IS.
Aporetisch, Fundamenteel nadenken en Methodische twijfel:
- Als we weten hoe de wereld in elkaar zit, stelt dit een bepaalde geruststelling
Dat alles zin heeft, alles gebeurt met een reden!
- A – poros = gebrek aan toegang, radeloosheid van het denken
- Filosoferen = fundamenteel nadenken en blootleggen van een bepaald probleem
- Is de mens nog mens als zijn hele lijf door technologie is bemiddeld?
- Mens = Animal Rationale (wezen dat rationele vragen stelt = centraal in de filosofie)
- Het verkrijgen van waarheid = absolute uiterste moeilijke, niets is zeker…
Typische voorbeeld
Uitspraak A = uitspraak b is een leugen
Uitspraak B = uitspraak a is waar
Je loopt vast…
,H2: DE GRIEKEN
(= in de oudheid is de kern van de wetenschappen ontstaan)
Ziek persoon zit voor de deur, voorbijgangers raden ziekte, wie heeft gelijk als iedereen zijn opinie deelt? De mens is een
onderdeel van een groter geheel.
Polis is het samenleven in 1 grote stad, dit is complexer en men bouwt steden uit.
Samenleving moest dus veranderen om dit te kunnen controleren, demos!
Logos is rede/verstand wat we met ons brein kunnen bereiken, hoe we spreken over de wereld
Nieuwe manier van leven van de Grieken: polis als sociale ruimte, creëren van democratie want zo is alles te bespreken,
agora als plaats van bijeenkomst.
MAAR
die democratie: enkel rijke burgers mochten stemmen (geen slaven, geen vrouwen, arbeiders)
zo is het eerder een aristocratie: bestuur van de meest geschikten en meest ontwikkelden.
Griekse geneeskunde
- Gericht op evenwicht, balans van lichaam
- Consultaties zijn publieke aangelegenheden.
- Eed van Hippocrates: genezen van een individu is de plicht van de genezer.
- Men observeerde het lichaam en begon met medische kennis te noteren.
- Men onderzocht ook de link tussen mens – kosmos. Of de seizoenen een invloed hebben.
- Hippocrates in Athene: Fysiologisch pluralisme: men kijkt naar de mens als een samenstelling van meerdere
substanties, meerdere ziektes zijn verbonden met elkaar.
- Meer remedies nodig
Moeilijkheden
1. Soms ben je ziek maar voel je het niet.
2. Moe is vaak ook een soort van ziek zijn, maar is het een gevoel of een echt probleem.
Hoe kunnen we die verschillende ziektes tegengaan. Hebben we genoeg geneesmiddelen?
Wij hebben nu VEEL detailkennis, aparte benamingen, aparte geneesmiddelen/remedies.
MAAR Farmacie kan ook een vergiftiging zijn (als je te veel neemt.)
Bepaalde ‘techniek’: het vergif dat in je lichaam zit, laten wegstromen, aderlating
De uiteindelijke Humorale leer
(Polybios) door Hippocrates
de elementenleer toepassen op menselijk lichaam. (4 lichaamssappen)
Medische praktijk: evenwicht van de ‘humores’ herstellen, zonder evenwicht ben je ziek!
Aarde overmatig aanwezig = zwarte gal
Water overmatig aanwezig = slijm
Lucht overmatig aanwezig = bloed
Vuur overmatig aanwezig = gele gal
Na Hippocrates stond men op een hoog niveau: Hellenistische geneeskunde.
Natuurfilosofen
= doen aan een zoektocht naar inzicht in de wereld, vertrekpunt zijn de 4 natuurelementen.
Herakleitos: vuur was het eerste element (erna processen van afkoeling, stolling, verdamping)
Grieken vonden de wereld een louter fysisch gebeuren, geen goden meer die en rol spelen!
= alles bestaat uit 4 elementen. Zo kon hij alle eenvouden zien achter complexe verhalen.
Dit leverde een leer op wat ook voor de geneeskunde voor oplossingen zorgde.
De Elementenleer, Empedocles van Agrigentum
, Hedendaagse (oude) vragen:
- Hangt mijn gezondheid samen met die van de brede omgeving? (milieu, seizoenen)
- Moeten medische professionals die bredere wereld begrijpen om goed te behandelen?
- Is gezondheid bepaald door het hebben van de juiste kennis of is het een vorm van handel?
- Is de mens een uniek wezen of een dier zoals andere dieren? (Taal, voortplanting, comm)
Belangrijke Filosofen
SOCRATES
Stelde lastige vragen in de straten van Athene en zorgde daarmee tot onrust
Hij is veroordeeld tot het drinken van een gifbeker en zo tot dood gekomen
PLATO met de allegorie van de Grot
- Invloedrijke filosoof
- Hij spreekt met algemene termen: DE mens, DE stoel, ...
- We kunnen essenties niet waarnemen maar wel kennis ervan (je komt nooit DE stoel tegen)
Het bestaat maar in een andere wereld: Vormenwereld (eidos = vorm)
- Kennis is onvolmaakt, alles is veranderlijk in onze wereld.
Probleem want we streven naar de volmaakte kennis
- Allegorie van de grot: wat we zien is alleen maar een schaduw van realiteit!
Eens uit de grot is er felle zon, die staat gelijk aan ware kennis.
Dus: we moeten uit de grot op zoek naar die ware kennis.
- De mens zijn ziel heeft de kennis van de vormenwereld en moet uit het lichaam (grot)
- ‘De ziel is onsterfelijk en er is niets dat ze niet leert kennen’
Die ziel wordt in ons lichaam gestort bij geboorte en de Kennis is dus aangeboren
Plato over geneeskunde:
- ‘Stuurmanskunst’: de arts moet de patiënt kunnen sturen
- Epistème (wetenschap) = rationele zaak, gericht op het goede.
- De gezondheid van de mens komt door de natuur, we moeten dus tegen de eisen in gaan.
- Alles in wereld is geordend (demiurg (bouwer)), ook ons lichaam dus alles heeft doel.
Wat die demiurg dus heeft gedaan: ‘Lichaam is het samenpersen van 4 elementen’
Zo kan een disfunctie van ons lichaam een gevolg zijn van wanorde.
Plato over bouw van de mens:
- De Holte die is vastgesteld in het menselijk lichaam is opgevuld? Heeft die een functie?
- Holte voorzien is in de onderbuik?
Ze wisten dat mensen meer zouden eten en drinken dan nodig is.
- De ledenmaten verbinden en daarom hangen er spieren, vlees en pezen rond.
- Ons hoofd heeft dunnere laag?
Liever een kort en kwaliteitsvol slim leven dan lang nederig leven.
- Daarom ook de vraag hoe lang moeten mensen leven?
H1. Inleiding ................................................................................................................................................................ 2
H2: De Grieken ............................................................................................................................................................ 3
SOCRATES ........................................................................................................................................................... 4
PLATO ................................................................................................................................................................. 4
ARISTOTELES ...................................................................................................................................................... 5
H3: de romeinen .......................................................................................................................................................... 6
GALENUS ............................................................................................................................................................ 6
H4: Feodale orde van Paulus en Augustinus .................................................................................................................. 7
H7: Het dak van de wereld breekt open ......................................................................................................................... 9
VESALIUS .......................................................................................................................................................... 10
H8: de mens als studieobject ..................................................................................................................................... 12
LAMARCK .......................................................................................................................................................... 12
DARWIN ............................................................................................................................................................ 13
H9: lichamelijkheid en identiteit .................................................................................................................................. 17
EPILOOG ................................................................................................................................................................... 21
En nog een goede gezondheid ..................................................................................................................................... 22
H1: inleiding........................................................................................................................................................... 22
H3: wat is er van onze gezondheid ........................................................................................................................... 22
H4: macht en gezondheid ....................................................................................................................................... 24
H5: De keerzijde van medicalisering ........................................................................................................................ 27
Autonomie ......................................................................................................................................................... 28
Farmaceuticalisering .......................................................................................................................................... 28
H6: gezondheid en verantwoordelijkheid ................................................................................................................. 29
Leefstijl, voeding en obesitas .............................................................................................................................. 30
Poverty, obesity and malnutrition ........................................................................................................................ 31
,H1. INLEIDING
‘Filosofie’ = oorsprong in ‘Filein’ en ‘Sofia’ wat in het Grieks begeren en wijsheid betekenen.
De vraag ‘wat is filosofie?’ is evenwel belangrijk om te beantwoorden.
Het beantwoorden van deze vraag maakt zelf ook een onderdeel uit van die filosofie.
Er wordt een extra bril opgezet om zichtbaar te maken wat tot daarvoor onzichtbaar bleef.
Zijn = totaliteit van wat is en zo de wereld mogelijk maakt
Zijnde = datgene wat is en wat zich binnen in dat Zijn begeeft. Vb. een persoon, een stoel, …
Toogfilosofie (Caféfilosofie = subjectivisme) en andere misverstanden:
- In cafés vroeger: ‘wat is de zin van het leven?’
Die vraag is zo speculatief dat er geen controleerbaar antwoord op te geven valt.
- Soms werd filosofie gereduceerd tot een levenswijze (een houvast)
Filosofie wordt beschouwd als discipline die richtlijnen voorschrijft voor het handelen
- Filosoferen een synoniem voor ‘zweven’
Wil zeggen dat het isolerend is van de werkelijkheid en wereldvreemd is.
Raar want al wat we doen is van deze wereld, filosofie is met de wereld bezig!
- De verhouding tussen filosofie en wetenschap: meer wetenschap door experimenten
Hierdoor krijgt filosofie de beschrijven als de aanvulling van de wetenschap. Filosofie zou zich bezighouden met de
vragen waarop de wetenschap nog geen antwoord heeft.
ALLEMAAL FOUTE MISVERSTANDEN!!
Filosofie houdt zich bezig met de waarheid en het verlangen naar die waarheid.
Medische Filosofie houdt zich bezig met vragen rond gezondheid.
Componenten van Filosofie:
- Met een verwonderde blik naar de wereld kijken en daarover vragen stellen
- Stelt vragen over zaken die ‘evident’ zijn (logisch)
- Extra bril opzetten om dingen in vraag te kunnen stellen
- Vragen die vaak geen antwoord hebben. Vb. Waarom leven wij?
- De wereld is wat ze is, punt!
- Verwondering is het startpunt van de filosofie. De wijze waarop er wordt omgegaan met die verwondering, dat is
hoe filosofie IS.
Aporetisch, Fundamenteel nadenken en Methodische twijfel:
- Als we weten hoe de wereld in elkaar zit, stelt dit een bepaalde geruststelling
Dat alles zin heeft, alles gebeurt met een reden!
- A – poros = gebrek aan toegang, radeloosheid van het denken
- Filosoferen = fundamenteel nadenken en blootleggen van een bepaald probleem
- Is de mens nog mens als zijn hele lijf door technologie is bemiddeld?
- Mens = Animal Rationale (wezen dat rationele vragen stelt = centraal in de filosofie)
- Het verkrijgen van waarheid = absolute uiterste moeilijke, niets is zeker…
Typische voorbeeld
Uitspraak A = uitspraak b is een leugen
Uitspraak B = uitspraak a is waar
Je loopt vast…
,H2: DE GRIEKEN
(= in de oudheid is de kern van de wetenschappen ontstaan)
Ziek persoon zit voor de deur, voorbijgangers raden ziekte, wie heeft gelijk als iedereen zijn opinie deelt? De mens is een
onderdeel van een groter geheel.
Polis is het samenleven in 1 grote stad, dit is complexer en men bouwt steden uit.
Samenleving moest dus veranderen om dit te kunnen controleren, demos!
Logos is rede/verstand wat we met ons brein kunnen bereiken, hoe we spreken over de wereld
Nieuwe manier van leven van de Grieken: polis als sociale ruimte, creëren van democratie want zo is alles te bespreken,
agora als plaats van bijeenkomst.
MAAR
die democratie: enkel rijke burgers mochten stemmen (geen slaven, geen vrouwen, arbeiders)
zo is het eerder een aristocratie: bestuur van de meest geschikten en meest ontwikkelden.
Griekse geneeskunde
- Gericht op evenwicht, balans van lichaam
- Consultaties zijn publieke aangelegenheden.
- Eed van Hippocrates: genezen van een individu is de plicht van de genezer.
- Men observeerde het lichaam en begon met medische kennis te noteren.
- Men onderzocht ook de link tussen mens – kosmos. Of de seizoenen een invloed hebben.
- Hippocrates in Athene: Fysiologisch pluralisme: men kijkt naar de mens als een samenstelling van meerdere
substanties, meerdere ziektes zijn verbonden met elkaar.
- Meer remedies nodig
Moeilijkheden
1. Soms ben je ziek maar voel je het niet.
2. Moe is vaak ook een soort van ziek zijn, maar is het een gevoel of een echt probleem.
Hoe kunnen we die verschillende ziektes tegengaan. Hebben we genoeg geneesmiddelen?
Wij hebben nu VEEL detailkennis, aparte benamingen, aparte geneesmiddelen/remedies.
MAAR Farmacie kan ook een vergiftiging zijn (als je te veel neemt.)
Bepaalde ‘techniek’: het vergif dat in je lichaam zit, laten wegstromen, aderlating
De uiteindelijke Humorale leer
(Polybios) door Hippocrates
de elementenleer toepassen op menselijk lichaam. (4 lichaamssappen)
Medische praktijk: evenwicht van de ‘humores’ herstellen, zonder evenwicht ben je ziek!
Aarde overmatig aanwezig = zwarte gal
Water overmatig aanwezig = slijm
Lucht overmatig aanwezig = bloed
Vuur overmatig aanwezig = gele gal
Na Hippocrates stond men op een hoog niveau: Hellenistische geneeskunde.
Natuurfilosofen
= doen aan een zoektocht naar inzicht in de wereld, vertrekpunt zijn de 4 natuurelementen.
Herakleitos: vuur was het eerste element (erna processen van afkoeling, stolling, verdamping)
Grieken vonden de wereld een louter fysisch gebeuren, geen goden meer die en rol spelen!
= alles bestaat uit 4 elementen. Zo kon hij alle eenvouden zien achter complexe verhalen.
Dit leverde een leer op wat ook voor de geneeskunde voor oplossingen zorgde.
De Elementenleer, Empedocles van Agrigentum
, Hedendaagse (oude) vragen:
- Hangt mijn gezondheid samen met die van de brede omgeving? (milieu, seizoenen)
- Moeten medische professionals die bredere wereld begrijpen om goed te behandelen?
- Is gezondheid bepaald door het hebben van de juiste kennis of is het een vorm van handel?
- Is de mens een uniek wezen of een dier zoals andere dieren? (Taal, voortplanting, comm)
Belangrijke Filosofen
SOCRATES
Stelde lastige vragen in de straten van Athene en zorgde daarmee tot onrust
Hij is veroordeeld tot het drinken van een gifbeker en zo tot dood gekomen
PLATO met de allegorie van de Grot
- Invloedrijke filosoof
- Hij spreekt met algemene termen: DE mens, DE stoel, ...
- We kunnen essenties niet waarnemen maar wel kennis ervan (je komt nooit DE stoel tegen)
Het bestaat maar in een andere wereld: Vormenwereld (eidos = vorm)
- Kennis is onvolmaakt, alles is veranderlijk in onze wereld.
Probleem want we streven naar de volmaakte kennis
- Allegorie van de grot: wat we zien is alleen maar een schaduw van realiteit!
Eens uit de grot is er felle zon, die staat gelijk aan ware kennis.
Dus: we moeten uit de grot op zoek naar die ware kennis.
- De mens zijn ziel heeft de kennis van de vormenwereld en moet uit het lichaam (grot)
- ‘De ziel is onsterfelijk en er is niets dat ze niet leert kennen’
Die ziel wordt in ons lichaam gestort bij geboorte en de Kennis is dus aangeboren
Plato over geneeskunde:
- ‘Stuurmanskunst’: de arts moet de patiënt kunnen sturen
- Epistème (wetenschap) = rationele zaak, gericht op het goede.
- De gezondheid van de mens komt door de natuur, we moeten dus tegen de eisen in gaan.
- Alles in wereld is geordend (demiurg (bouwer)), ook ons lichaam dus alles heeft doel.
Wat die demiurg dus heeft gedaan: ‘Lichaam is het samenpersen van 4 elementen’
Zo kan een disfunctie van ons lichaam een gevolg zijn van wanorde.
Plato over bouw van de mens:
- De Holte die is vastgesteld in het menselijk lichaam is opgevuld? Heeft die een functie?
- Holte voorzien is in de onderbuik?
Ze wisten dat mensen meer zouden eten en drinken dan nodig is.
- De ledenmaten verbinden en daarom hangen er spieren, vlees en pezen rond.
- Ons hoofd heeft dunnere laag?
Liever een kort en kwaliteitsvol slim leven dan lang nederig leven.
- Daarom ook de vraag hoe lang moeten mensen leven?