2.1 Het debat
Discussie: persoon met wie je discussieert proberen overtuigen
Debat: derde partij overtuigen (=publiek)
Verloop debat:
Speech 1: Regering geeft kader/context, een probleemschets, een voorstel, geeft de belangrijke
definities en doet haar argumentatie.
Speech 2: Oppositie wijst onjuistheden aan, doet een aanval op de regering en geeft haar eigen
argumentatie.
Speech 3: Regering weerlegt deze argumenten, verdieping en verbreding van eigen
argumenten.
Speech 4: Oppositie weerlegt deze argumenten, verdieping en verbreding van eigen
argumenten.
Speech 5: Oppositie geeft een samenvatting van de standpunten.
Speech 6: Regering geeft een samenvatting van de standpunten.
Topische vragen: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe?
2.2 Standaardgeschilpuntenmodel:
6 vragen om een beleidsvoorstel af te toetsen:
1) Zijn er problemen in het huidige beleid?
2) Zijn deze problemen ernstig?
3) Worden de problemen veroorzaakt door het huidige beleid?
4) Is het beleidsvoorstel uitvoerbaar?
5) Is het beleidsvoorstel doeltreffend?
6) Wegen de voordelen van het voorstel op tegen de nadelen?
→Wie het voorstel doet, draagt de bewijslast en moet op deze vragen “ja” kunnen zeggen.
Vaste tekststructuur:
- Probleemstructuur
- Maatregelstructuur
- Evaluatiestructuur
- Ontwerpstructuur
- Onderzoekstructuur
Diepgaand bronnenonderzoek:
- Objectieve en gekleurde bronnen
- Bronnen die je vermeldt ook citeren
- Gebruik verschillende bronnen
2.3 Standpunt en argument
Argumentatie= standpunt + argument (minstens 1)