Deel 2: Etnografie & beoordelingsleer
1. inleiding
1.1) domesticatie
= dieren die afstammen vn wilde soorten die vrij voorkomen in de natuur maar zicht
zodanig hebben aangepast aan leven bij mens dat ze er afh vn zijn geworden
2 groepen:
Landbouwhuisdieren
Gezelschapsdieren
1.1.1) landbouwhuisdieren
Functies:
Voedselvoorziening
Werkdier
Kledij
Nuttige bijproducte
Gebruiks- of siervoorwerpen
Vereisten vr domesticatie:
Gemakkelijk voorplanten in gevangenschap
Handelbaar zijn in voedselbehoeften
Snel groeien & snel voortplanten
1.1.2) gezelschapsdieren
Tam & hoge aaibaarheidsfactor
Trainen om bepaalde gedragingen te vertonen
Kunnen menselijke emoties vertonen
1.1.3) domesticatie planteneters
Patroon altijd hetzelfde
↪ jacht individuele dieren = klopjacht
↪ overaanbod: bewaren dieren die makkelijkste waren (jonge, drachtige, zieke)
↪ ° fokkerij
1.1.4) domesticatie planteneters
Niet of nauwelijks bejaagd wnr andere prooien waren
, Jager ⟶ landbouwer
↪ bouwen schuren vr opslag
↪ grote # knaagdieren (muizen, ratten, hamsters …)
↪ overaanbod vr carnivoren
↪ landbouwer laat carnivoren knaagdieren opeten
Carnivoren ⟶ zichzelf domesticeren & mens opzoeken
1.2) selectie
= In gevangenschap verder fokken met dieren die gewenste eigenschappen hebben
↪ hanteerbaarheid, productie, groei, verzorging, uithoudingsvermogen
Gevolgen van selectie:
Afhankelijkheid van de mens
Vermindering van wilde instincten ⟶ niet langer verdedigen tegen roofdieren
Meer trainbaarheid
Reproductie minder seizoensgebonden
Motoriek & geheugen nemen toe
Mutaties ⟶ nieuwe beharings- & bevederingsvormen
↪ ° kleur- & tekeningpatronen ⟶ vrije natuur nooit overleven
1.3) Rassenvorming
= dr binnen diersoorten te selecteren op subpopulaties met gelijkaardige anatomische &
fysiologische kenmerken
↪ onderscheiden zich ⟶ binnen ras verder gefokt ⟶ enkel raszuivere nakomelingen
↪ verschillende rassen paren = kruising
Ras ⟶ enkel vn toepassing bij gedomesticeerde soorten ⟶ komen niet voor in natuur
1.3.1) Inteelt
= Fokken met individuen met hoge verwantschap
= belangrijke fokmethode ⟶ aanleiding gegeven tot rassenvorming
Steeds meer genetische factoren homozygoot/ fokzuiver
Zeer snelle uniformisering binnen populatie/ras
Verhoogd voorkomen vn genetische gebreken
1.4) erfelijke gebreken
Aangeboren afwijkingen ⟶ zeer vaak erfelijk karakter
, Mutaties: kleine wijzigingen veroorzaken in enzym of eiwit
Niet alle erfelijke gebreken uitwendig zichtbaar
Niet alle aangeboren afwijkingen = erfelijk
Letaal = niet levend geboren
Subletaal = problemen pas zichtbaar in latere levensfase
Subvitaal = geen lange levensduur
↪ wel in staat om voort te planten
Vitaal = schoonheidsfouten
↪ geen probleem vr populatie
1.5) erfelijke aandoeningen
Ubiquitair = erfelijke aandoening binnen alle rassen vn diersoort
Endemisch = erfelijke aandoening binnen 1 ras/lijn vn diersoort
↪ meestal afkomstig vn 1 dier in fokkerij ⟶ overgeërfd
2. Het paard
2.1) signalement
= bondige mr volledige beschrijving vn dier
↪ benadrukking vn typische kenmerken eigen aan individu
GRHOKAD:
Geslacht & naam
Ras of (gebruikstype)
Hoogte: gemeten in schoftstreek op volwassen paard ⟶ op effen bodem
↪ <148 cm: pony
↪ 148 – 155 cm: cob, dubbele pony of klein paard
↪ 155 – 160 cm: middelgroot paard
↪ >160 cm: groot paard
Ouderdom
Kleur
Aftekeningen
Diverse kenmerken
2.2) Exterieurbeoordeling
Doel: oordeel vormen over geschiktheid paard vr doeleinden waarvoor bestemd
, Slechts hulpmiddel ⟶ geeft info functionele kenm ⟶ indicatie duurzaamheid
Klinisch onderzoek ⟶ beperkte exterieurbeoordeling
1) HOOFD EN HALS
1.1) hoofd & hals
In proportie tot rest lichaam
5 jaar ⟶ volgroeid
Behoorlijk lang ⟶ meeste rassen recht profiel
Droog hoofd ⟶ heel dun vel waar weinig of geen vet/bindweefsel
↪ spieren, bloedvaten & beenverhevenheden zichtbaar
Voorhoofd ⟶ maantop: beschermt hersenen tegen
temperatuurschommelingen
1.1.1) oren
Kort & spits
Rechtstaand & bewegelijk
Uitdrukking alertheid & gemoedstoestand
1.1.2) lippen
Fijn & bewegelijk
Geen littekens & steeds gesloten
Bij gebruik vn praam ⟶ litteken rond bovenlip
1.1.3) neus
Binnenste neusvleugel: convex & stug = kraakbeen
Buitenste neusvleugel: concaaf = dunne huid
Neusgaten:
↪ openen ⟶ roze, vochtige slijmvlies zichtbaar
↪ farynx zo opgebouwd dat geen lucht via mond ⟶ enkel neusademhaling
1.2) mondholte
Lagen: tssn 1ste & hoeksnijdand vd onderkaak
Tong hoog ⟶ bit drukt niet op tandvlees ⟶ harde/ongevoelige mond
Tong laag ⟶ bit drukt op tandvlees ⟶ gevoelige mond
Spleet in gehemelte ⟶ voedsel in neusgaten ⟶ stinkende adem
Onderzoek: leeftijd ⟶ slijtage vd tanden & littekens op lagen