Voorkennis
Spijsverteringsstelsel = het stelsel om spijs te verteren
DOEL: chemische verbindingen kapot te maken om ze te kunne opnemen in de dunne
darmwand
Macronutriënten = grote blokken voedingstoffen om het te laten werken (grote
molecullen -> grote groep atomen die samenhangt)
Koolhydraten (vb. brood, pasta, patatjes)
Monosachariden: kleinste bouwtenen
- Glucose
- Galactose
- Fructose
Disachariden: 2 monosachariden aan elkaar gekoppeld
- Maltose (= 2 glucose aan elkaar gekoppeld)
- Sucrose (= 2 galactose aan elkaar gekoppeld)
- Lactose (= 2 lactase aan elkaar gekoppeld)
Polosachariden = GLYCOGEEN (aangemaakt en bewaart door lever, en ook
bewaart door spieren)
(Word omgezet en worden monosachariden) -> Tot je aan monosachariden
komt en die op te nemen -> energie te hebben aan je cellen -> energie
opslagen in ander moleculen (ATP -> kan je tijdelijk energie in opslaan)
Vetten of lipiden = een molecule met 3 vetzuren
- Vetzuren maken
- Glycerol (kleinste bouwstenen)
Verschil tussen essentieel en niet essentieel:
- Essentieel = je neemt ze via voeding op, je kan ze zelf niet aanmaken
- Niet essentieel = niet belangrijk dat je ze via voeding opneemt, je maakt ze
zelf aan
Eiwitten of proteïnen = nodig voor alles
2 redenen dat je ze nodig hebt
1. Structuur geven aan je lichaam
2. Volledig metabolisme (er vind geen enkele
chemische reactie plaats zonder dat je een eiwit
nodig hebt)
Enzymen
- Splitst lactose -> lactase
- Splitst lipase -> lipase
Dipeptiden = 2 aminozuren
Polypeptide = Veel aminozuren
- Essentiele = je neemt ze via voeding op, je kan ze zelf niet aanmaken
- Niet essentiële = niet belangrijk dat je ze via voeding opneemt, je maakt
ze zelf aan
,Inleiding in het maagdarmstelsel
Alle levende wezens moeten voedingsstoffen uit hun omgeving opnemen om te
overleven
- Anabolisme = nodig voor opbouw
(Anabole steroïden = hormonen die je spierproductie doen opbouwen)
- Katabolisme = afgebroken om energie te leveren
(spijsvertingstelsel -> heel proces kwa afbreken (Een patiënt is katabool =
jezelf aan het afbreken))
Spijsverteringskanaal
- Anatomisch gerangschikt tot lang kanaal = spijsverteringskanaal + accessoire
structuren (klieren, gebit, lever, pancreas, enz.)
- Spijsverteringsproces =
- Chemische activiteiten (enzymen) +
- Mechanische activiteiten
Voedsel mechanisch verbroken en voortgestuwd + vermengd met
verteringssappen
Je wil grote molecullen met enzymen (moleculaire scharen) wil je die
knippen in kleineren molecullen
- Peristaltische bewegingen = golvende, ritmische samentrekkingen van
spieren, zoals in de slokdarm en darmen, die zorgen voor het voortstuwen
van voedsel door het spijsverteringskanaal
Globaal zicht op spijsverteringsspieren:
, Belangrijkste onderdelen gastro– intestinale kanaal (GI-kanaal)
1. Mondholte
2. Farynx (keelholte)
3. Oesophagus (slokdarm)
4. Maag (gaster)
5. Dunne darm (duodenum – jejunum – ileum)
6. Dikke darm (colon)
7. Rectum + aars
Functies GI-kanaal
1. Ingestie: opnemen via ja mond
= wanneer voedsel via mond het GI-kanaal binnenkomt
2. Mechanische verwerking: je moeten mechanisch gaan vermalen -> pap of brij
van maken, en sappen en slijm aan toevoegen
= fysieke bewerking van (vast) voedsel door
- De tong en gebitselementen
- Knedende en mengende bewegingen GI-kanaal
- Makkelijkere voortbeweging doorheen kanaal
- Oppervlaktevergroting (makkelijkere enzymatische vertering)
3. Vertering
- De chemische afbraak van voedsel
- Afbraak van voedsel tot kleine organische bouwstoffen (-> door
verteringsenzymen)
- Worden opgenomen door het epitheel van het GI-kanaal
4. Secretie: gal voor je lipiden te verteren in pancreas en maag -> vochtproductie bij
= Afgifte van water, zuren, enzymen en buffers door het GI-kanaal en accessoire
structuren (vb.: gal, pancreas, enz.)
5. Opname: Er is geknipt wat belangrijk is en dan moet je dat kunnen opnemen
= Verplaatsing van kleine organische moleculen, elektrolyten, vitaminen en water
doorheen het epitheel van het GI-kanaal
6. Uitscheiding: van afvalstoffen
= De verwijdering van afvalstoffen uit de lichaamsvloeistoffen
- Worden in het GI-kanaal ingedikt en onder de vorm van feces (ontlasting)
uitgescheiden
Afweer/bescherming = bijkomende functie
- Bekleding GI-kanaal beschermt omringende weefsels tegen:
- Slijtage (zuren en enzymen)
- Bacteriën die ingeslikt worden of aanwezig zijn in GI-kanaal