Nederlands examen samenvatting
Taak als kleuterleerkracht?
o Begeleiden van kleuters in hun ontwikkelingsproces
o De basis leggen voor de verdere ontwikkeling van kleuters
Nodig hiervoor?
▫ Doelgerichte activiteiten aanbieden
▫ Kleuters uitdagen en prikkelen
▫ Ontstaan leereffect
=> Beginsituatie (= alle kennis, vaardigheden en houdingen (attitudes) die de kleuters
moeten bezitten om jouw vooropgestelde activiteit te kunnen volgen)
Taalonderwijs: zeer belangrijk
Taalontwikkeling
▫ Grotendeels in eerste levensjaren
▫ Groeit zeer snel
▫ Heel complex
▫ Activatie in contact met een talig milieu
▫ Basis: gelegd in de kleuterklas
Communicatie -> meer dan praten
Non-Verbale communicatie: signalen en symbolen, lichaamstaal of lichaamshouding,
gedrag (gezichtsexpressie, gesticuleren)
Verbale communicatie: mondelinge >< schriftelijke communicatie
Algemene Begin Situatie
Kinderen -> veilig voelen op school -> spontaan durven praten
Klasomgeving: klimaat creëren waarin ieder kind zich thuis voelt
Basis: taalontwikkeling AANPAK PROCES EFFECT
= WELBEVINDEN en BETROKKENHEID
- Ontspannen - Concentratie
- Plezier beleven - Motivatie
- Spontaneïteit - Voldoening
Bepalen van de didactische beginsituatie (DBS)
= wat je nodig hebt om je les/activiteit vorm te geven
Kinderen: taal gebruiken -> communiceren, zich te uiten, om te denken
Activiteiten opstellen, nagaan:
- Algemeen taalniveau
- De luisterattitude (4 soorten luisteren: herkennend, begrijpend, kritisch, creatief luisteren )
- De concentratieduur
Algemeen taalniveau bepalen
Hoe en waarom verwerft men taal? -> theoretische manier
Waaruit is taalvaardigeheid opgebouwd? -> taalkundige manier
Wanneer verwerft een kind een kind taal en in welke stappen? -> chronologische manier
Taalvaardigheid stimuleren
Werken boven het eigen taalniveau -> gezond en efficiënt leerproces
Goed inzicht in de taalverwerving + observeren taalcomponenten essentieel belang!!!
1
, TAALVERWERVINGSTHEORIËN: hoe leert een kind taal?
Behavioristen: (Skinner, 1957)
Op basis van: imitatie
Correct taalgebruik: beloond/begrepen (positieve versterking)
Foutief taalgebruik: ontmoedigd/niet begrepen (negatieve versterking)
Het “taalaanbod” = centraal
Nativisten: (Chomsky, jaren ’70)
“Taalvermogen”
“Language Acquisition Device” aangeboren aanleg om taal te leren
Taalregels + taalstructuren -> opgeslagen vanaf geboorten enkel nog: activatie -> op
basis van eigen systematiek op basis van taalleervermogen:
- Ontdekken van een regel + correcte toepassing ervan
- Ontdekking nieuwe regel, waarbij generalisering of overregularisering kan optreden
(Hierbij wordt een nieuwe regel wordt toegepast: waar het niet mag)
- Bijsturing + correcte toepassing van beide regels
Kinderen gebruiken woorden/vormen die volwassene nooit produceert
Kinderen: creatief taalgebruik -> zelf woorden bedenken
Interactionisten (jaren ’90)
Taal verwerven in interactie met omgeving
Aangeboren taalvermogen + dit heeft een stimulerende omgeving nodig
Kind: nood aan rijk taalaanbod + veelvuldige interactie met volwassene (thuis + school)
Brabbelende baby evolueren: welbespraakt kind, kan zich uiten in complete zinnen
Leerkracht:
- Taalverwervingsproces opvolgen
MAAR VOORAL zorgen voor: rijk taalaanbod (voldoende taalmogelijkheden)
. aansluiten bij het ontwikkelingsniveau + interesses
Wisselwerking met omgeving (externe factoren)
OOK interne factoren die een invloed hebben -> kwaliteit en snelheid van de ontwikkeling
(= zijn eigen aan het individu -> hangen vast aan de anatomische en neurologische ontwikkeling)
2
, DE TAALCOMPONENTEN
FONOLOGISCH ASPECT
Klanksysteem van een taal
Klanken mlet een betekenisonderscheidende functie = ‘fonemen’
• Passief: onderscheid horen tussen de klanken van de taal (bv: poot en pot, bad en pad)
• Actief: klanken van de taal zuiver kunnen uitspreken en goed kunnen articuleren
(Bv: ‘panaan’ voor ‘banaan’,‘meme’ voor ‘mamie’)
MORFOLOGISCH ASPECT
Vormveranderingen bij gebruik van woorden in een andere structuur
Verschillende aspecten:
- Meervoudsvorming
- Vervoeging van werkwoorden
- Afleidingen en samenstellingen
• Passief: verschil horen en weten
• Actief: correcte werkwoordsvervoegingen, meervouden en verkleinwoorden kunnen vormen
SEMANTISCHE ASPECT
Woordenschat
Inhoudswoorden→ eigen inhoud (zelfstandige naamwooden, werkwoorden, …)
- Dagelijks gebruik = ‘hoogfrequente woorden’
Functiewoorden (hebben inhoudswoorden nodig, hebben geen eigen inhoud)
(lidwoorden, voorzetsels, telwoorden, …)
Betekenisverlening
- Ontdekken en nadenken over de wereld
- Proces van hypothesevorming, toetsing, bevestiging of bijsturing
- Neologismen
SYNTACTISCHE ASPECT
Zinsbouw (grammaticale wijze woorden samenvoegen)
• Passief: onderscheid horen tussen bevestigende, vragende, ontkennende en gebiedende zin
• Actief: woorden in correcte volgorde kunnen plaatsen -> correcte zinnen te vormen
(bv; ‘De koffer staat van de auto open’ voor ‘De koffer van de auto staat open’)
PRAGMATISCHE ASPECT
Taalgebruik
Fonologie + morfologie + semantiek + syntaxis = goede communicatieve vaardigheid
• Duidelijk + correct kunnen uitdrukken
• Gebruik van de juiste woordenschat
• Gebruik van de juiste woordvormen
• In correct gebouwde zinnen
• Weten wanneer je iets kan zeggen, hoeveel info je moet geven, tegen wie, welke situatie …
Jonge kleuter: moeite (onsamenhangend verhaal) (pas vanaf 2,5 jaar)
3
Taak als kleuterleerkracht?
o Begeleiden van kleuters in hun ontwikkelingsproces
o De basis leggen voor de verdere ontwikkeling van kleuters
Nodig hiervoor?
▫ Doelgerichte activiteiten aanbieden
▫ Kleuters uitdagen en prikkelen
▫ Ontstaan leereffect
=> Beginsituatie (= alle kennis, vaardigheden en houdingen (attitudes) die de kleuters
moeten bezitten om jouw vooropgestelde activiteit te kunnen volgen)
Taalonderwijs: zeer belangrijk
Taalontwikkeling
▫ Grotendeels in eerste levensjaren
▫ Groeit zeer snel
▫ Heel complex
▫ Activatie in contact met een talig milieu
▫ Basis: gelegd in de kleuterklas
Communicatie -> meer dan praten
Non-Verbale communicatie: signalen en symbolen, lichaamstaal of lichaamshouding,
gedrag (gezichtsexpressie, gesticuleren)
Verbale communicatie: mondelinge >< schriftelijke communicatie
Algemene Begin Situatie
Kinderen -> veilig voelen op school -> spontaan durven praten
Klasomgeving: klimaat creëren waarin ieder kind zich thuis voelt
Basis: taalontwikkeling AANPAK PROCES EFFECT
= WELBEVINDEN en BETROKKENHEID
- Ontspannen - Concentratie
- Plezier beleven - Motivatie
- Spontaneïteit - Voldoening
Bepalen van de didactische beginsituatie (DBS)
= wat je nodig hebt om je les/activiteit vorm te geven
Kinderen: taal gebruiken -> communiceren, zich te uiten, om te denken
Activiteiten opstellen, nagaan:
- Algemeen taalniveau
- De luisterattitude (4 soorten luisteren: herkennend, begrijpend, kritisch, creatief luisteren )
- De concentratieduur
Algemeen taalniveau bepalen
Hoe en waarom verwerft men taal? -> theoretische manier
Waaruit is taalvaardigeheid opgebouwd? -> taalkundige manier
Wanneer verwerft een kind een kind taal en in welke stappen? -> chronologische manier
Taalvaardigheid stimuleren
Werken boven het eigen taalniveau -> gezond en efficiënt leerproces
Goed inzicht in de taalverwerving + observeren taalcomponenten essentieel belang!!!
1
, TAALVERWERVINGSTHEORIËN: hoe leert een kind taal?
Behavioristen: (Skinner, 1957)
Op basis van: imitatie
Correct taalgebruik: beloond/begrepen (positieve versterking)
Foutief taalgebruik: ontmoedigd/niet begrepen (negatieve versterking)
Het “taalaanbod” = centraal
Nativisten: (Chomsky, jaren ’70)
“Taalvermogen”
“Language Acquisition Device” aangeboren aanleg om taal te leren
Taalregels + taalstructuren -> opgeslagen vanaf geboorten enkel nog: activatie -> op
basis van eigen systematiek op basis van taalleervermogen:
- Ontdekken van een regel + correcte toepassing ervan
- Ontdekking nieuwe regel, waarbij generalisering of overregularisering kan optreden
(Hierbij wordt een nieuwe regel wordt toegepast: waar het niet mag)
- Bijsturing + correcte toepassing van beide regels
Kinderen gebruiken woorden/vormen die volwassene nooit produceert
Kinderen: creatief taalgebruik -> zelf woorden bedenken
Interactionisten (jaren ’90)
Taal verwerven in interactie met omgeving
Aangeboren taalvermogen + dit heeft een stimulerende omgeving nodig
Kind: nood aan rijk taalaanbod + veelvuldige interactie met volwassene (thuis + school)
Brabbelende baby evolueren: welbespraakt kind, kan zich uiten in complete zinnen
Leerkracht:
- Taalverwervingsproces opvolgen
MAAR VOORAL zorgen voor: rijk taalaanbod (voldoende taalmogelijkheden)
. aansluiten bij het ontwikkelingsniveau + interesses
Wisselwerking met omgeving (externe factoren)
OOK interne factoren die een invloed hebben -> kwaliteit en snelheid van de ontwikkeling
(= zijn eigen aan het individu -> hangen vast aan de anatomische en neurologische ontwikkeling)
2
, DE TAALCOMPONENTEN
FONOLOGISCH ASPECT
Klanksysteem van een taal
Klanken mlet een betekenisonderscheidende functie = ‘fonemen’
• Passief: onderscheid horen tussen de klanken van de taal (bv: poot en pot, bad en pad)
• Actief: klanken van de taal zuiver kunnen uitspreken en goed kunnen articuleren
(Bv: ‘panaan’ voor ‘banaan’,‘meme’ voor ‘mamie’)
MORFOLOGISCH ASPECT
Vormveranderingen bij gebruik van woorden in een andere structuur
Verschillende aspecten:
- Meervoudsvorming
- Vervoeging van werkwoorden
- Afleidingen en samenstellingen
• Passief: verschil horen en weten
• Actief: correcte werkwoordsvervoegingen, meervouden en verkleinwoorden kunnen vormen
SEMANTISCHE ASPECT
Woordenschat
Inhoudswoorden→ eigen inhoud (zelfstandige naamwooden, werkwoorden, …)
- Dagelijks gebruik = ‘hoogfrequente woorden’
Functiewoorden (hebben inhoudswoorden nodig, hebben geen eigen inhoud)
(lidwoorden, voorzetsels, telwoorden, …)
Betekenisverlening
- Ontdekken en nadenken over de wereld
- Proces van hypothesevorming, toetsing, bevestiging of bijsturing
- Neologismen
SYNTACTISCHE ASPECT
Zinsbouw (grammaticale wijze woorden samenvoegen)
• Passief: onderscheid horen tussen bevestigende, vragende, ontkennende en gebiedende zin
• Actief: woorden in correcte volgorde kunnen plaatsen -> correcte zinnen te vormen
(bv; ‘De koffer staat van de auto open’ voor ‘De koffer van de auto staat open’)
PRAGMATISCHE ASPECT
Taalgebruik
Fonologie + morfologie + semantiek + syntaxis = goede communicatieve vaardigheid
• Duidelijk + correct kunnen uitdrukken
• Gebruik van de juiste woordenschat
• Gebruik van de juiste woordvormen
• In correct gebouwde zinnen
• Weten wanneer je iets kan zeggen, hoeveel info je moet geven, tegen wie, welke situatie …
Jonge kleuter: moeite (onsamenhangend verhaal) (pas vanaf 2,5 jaar)
3