Samenvatting nosocomiale infecties
Deel 1: Microbiologie
Hoofdstuk 1: algemene microbiologie
Microbiologie= de bestudering van micro-organismen
Eukaryoten Prokaryoten Virussen
= protozoa, fungi Bacteriën (met celwand) Veel kleiner
Mycoplasmata (zonder celwand) Zijn voor hun vermenigvuldiging en
waartoe de mycoplasma en energie aangewezen op het
chlamydiae gerekend worden metabolisme van hun gastheercellen
kan niet zelfstandig leven
Eukaryoten Prokaryoten
Bevat meerdere chromosomen Oudste levensvorm op aarde
Complexer Flexibele cellen
Gaan organen vormen Het genetisch materiaal ligt in 1 enkel
Bevat celmembraan die hoofdzakelijk chromosoom
bestaat uit cholesterol o Laat de bacterie toe om sneller te
vermenigvuldigen
enorme delingssnelheid (elke 15”)
o Bacteriële cellen kunnen snel
evolueren
Grootte > 5µm 3µm
(diameter)
Kern:
- membraan aanwezig afwezig
- nucleoli aanwezig afwezig
- chromosomen multipel 1
Mitochondriën Aanwezig Afwezig
Golgi-apparaat Aanwezig Afwezig
Ribosomen 80 S 70 S
Celwand Afwezig Aanwezig (bacteriën)
1
,Samenvatting nosocomiale infecties
1.1. Bacteriën
1.1.1. gramkleuring en zuurvaste kleuring
Gramkleuring
Typische differentiatiekleuring die gebruik
maakt van 3 verschillende kleurstoffen:
o Kristalviolet
o Lugol
o Fuchsine
Het resultaat van gramkleuring berust op
een verschil in celwandsamenstelling
Kleuring gebeurt in 4 stappen:
STAP 1 Kleuring met kristalviolet (basische kleurstof) die de cellen paars kleurt
STAP 2 Kleuring met lugol
STAP 3 Ontkleuringsfase met ethanol of aceton
o Grampositieven:
- de celwand is weinig doorlaatbaar voor ethanol zodat het paarse
complex niet verdwijnt
o Gramnegatieven:
- het complex wordt weggewassen. Vetzuurketens lossen op
buitenmembraan + kleurstoffen die daarop gefixeerd zitten lossen op
STAP 4 Tegenkleuring met rode kleurstof fuchsine
o Grampositieven paars
o Gramnegatieven rood
2
,Samenvatting nosocomiale infecties
Zowel bij grampositieven als gramnegatieven vindt
men in de celwand peptidoglycaan, opgebouwd uit
lange ketens van afwisselend N-acetyl-glucosamine en
N-acetylmuraminezuur
met elkaar gekruist verbonden door
peptidebruggen zodat een stevig netwerk gevormd wordt
dat bijdraagt tot de stevigheid van de celwand
Gramnegatief Grampositief
Periplasmatische ruimte: ruimte tussen Men vindt er ook andere bestanddelen zoals
buitenmembraan en cytoplasmamembraan teichoïnezuren en lipoteichoïnezuren
Buitenmembraan is opgebouwd uit een
lipide dubbellaag bestaande uit fosfolipiden,
lipoproteïnen en lipopolysachariden (LPS)
Hydrofiele voedingsstoffen kunnen
doorheen de lipofiele buitenmembraan
migreren via speciale kanalen of porines die
opgebouwd zijn uit proteïnen
Zuurvaste kleuring
Sommige bacteriën zoals mycobacteriën hebben een celwand die naast peptidoglycaan grote
hoeveelheden mycolzuren bevatten met vetzuurlengte van meer dan 20 koolstofatomen
o Deze mycolzuren verhinderen dat sterk aangezuurde organische solventen door de
celwand dringen kan dus niet gekleurd worden via gramkleuring
o Kleuring via Ziehl-Neelsenkleuring of
auraminekleuring (zuurvaste kleuring),
maken onderscheid tussen:
Zuurvaste bacteriën rood
Niet-zuurvaste bacteriën
blauw
3
, Samenvatting nosocomiale infecties
1.1.2. metabolisme - atmosfeer
1) Strikt aërobe bacteriën Hebben nood aan zuurstof om te overleven
Bv. Mycobacterium tuberculosis, pseudomonas aeruginosa
(waterbacterie aan oppervlak, waar voldoende O2 aanwezig is)
2) Facultatieve bacteriën Kunnen groeien in aanwezigheid en in afwezigheid van zuurstof
kunnen dus zeer gemakkelijk vermenigvuldigen
Bv. Escherichia coli, staphylococcus aureus
3) Strikt anaërobe bacteriën Sterven in aanwezigheid van zuurstof (door het ontstaan van toxische
zuurstofradicalen)
Bv. Bacteroïdes fragilis, clostridium perfringens
4) microaërofiele bacteriën Hebben een lage zuurstofspanning nodig
Bv. Campylobacter jejuni/ coli, helicobacter pylori (thv pyloor= sluitspier
maag meerbepaald in submucosa van de maag (waar kleine
concentratie zuurstof is))
1.1.3. relatie mens – bacterie (relatievormen)
Symbiose = wanneer een bacterie in of op het lichaam van de mens leeft
Verschillende vormen van symbiose:
Mutualisme Commensalisme Parasitisme
Zowel bacterie als mens halen De mens ondervindt geen Micro-organisme berokkent duidelijk
voordeel uit symbiose aantoonbare nadelige gevolgen door schade aan de gastheer
de aanwezigheid van de bacterie
Bv. Lactobacillus op het Micro-organismen (MO) die pathogeen
vaginale slijmvlies gebruikt Commensale flora: dikwijls zelfs zijn, beschikken over één of meerder
het glycogeen uit de vaginale noodzakelijk om aanwezigheid van virulentiefactoren die hen toelaten zich
epitheelcellen voor zijn potentieel gevaarlijke bacteriën te te vestigen en te vermenigvuldigen in
metabolisme en zet het om in voorkomen kolonisatieresistentie de gastheer en zo schade te
sterkzure metabolieten veroorzaken
(melkzuur) waardoor de antibiotica vernietigd
aciditeit van het slijmvlies kolonisatieresistentie van de Opportunisten
toeneemt en een groot deel commensale bacteriën en kan dus Veroorzaken infectieziekten bij
4
Deel 1: Microbiologie
Hoofdstuk 1: algemene microbiologie
Microbiologie= de bestudering van micro-organismen
Eukaryoten Prokaryoten Virussen
= protozoa, fungi Bacteriën (met celwand) Veel kleiner
Mycoplasmata (zonder celwand) Zijn voor hun vermenigvuldiging en
waartoe de mycoplasma en energie aangewezen op het
chlamydiae gerekend worden metabolisme van hun gastheercellen
kan niet zelfstandig leven
Eukaryoten Prokaryoten
Bevat meerdere chromosomen Oudste levensvorm op aarde
Complexer Flexibele cellen
Gaan organen vormen Het genetisch materiaal ligt in 1 enkel
Bevat celmembraan die hoofdzakelijk chromosoom
bestaat uit cholesterol o Laat de bacterie toe om sneller te
vermenigvuldigen
enorme delingssnelheid (elke 15”)
o Bacteriële cellen kunnen snel
evolueren
Grootte > 5µm 3µm
(diameter)
Kern:
- membraan aanwezig afwezig
- nucleoli aanwezig afwezig
- chromosomen multipel 1
Mitochondriën Aanwezig Afwezig
Golgi-apparaat Aanwezig Afwezig
Ribosomen 80 S 70 S
Celwand Afwezig Aanwezig (bacteriën)
1
,Samenvatting nosocomiale infecties
1.1. Bacteriën
1.1.1. gramkleuring en zuurvaste kleuring
Gramkleuring
Typische differentiatiekleuring die gebruik
maakt van 3 verschillende kleurstoffen:
o Kristalviolet
o Lugol
o Fuchsine
Het resultaat van gramkleuring berust op
een verschil in celwandsamenstelling
Kleuring gebeurt in 4 stappen:
STAP 1 Kleuring met kristalviolet (basische kleurstof) die de cellen paars kleurt
STAP 2 Kleuring met lugol
STAP 3 Ontkleuringsfase met ethanol of aceton
o Grampositieven:
- de celwand is weinig doorlaatbaar voor ethanol zodat het paarse
complex niet verdwijnt
o Gramnegatieven:
- het complex wordt weggewassen. Vetzuurketens lossen op
buitenmembraan + kleurstoffen die daarop gefixeerd zitten lossen op
STAP 4 Tegenkleuring met rode kleurstof fuchsine
o Grampositieven paars
o Gramnegatieven rood
2
,Samenvatting nosocomiale infecties
Zowel bij grampositieven als gramnegatieven vindt
men in de celwand peptidoglycaan, opgebouwd uit
lange ketens van afwisselend N-acetyl-glucosamine en
N-acetylmuraminezuur
met elkaar gekruist verbonden door
peptidebruggen zodat een stevig netwerk gevormd wordt
dat bijdraagt tot de stevigheid van de celwand
Gramnegatief Grampositief
Periplasmatische ruimte: ruimte tussen Men vindt er ook andere bestanddelen zoals
buitenmembraan en cytoplasmamembraan teichoïnezuren en lipoteichoïnezuren
Buitenmembraan is opgebouwd uit een
lipide dubbellaag bestaande uit fosfolipiden,
lipoproteïnen en lipopolysachariden (LPS)
Hydrofiele voedingsstoffen kunnen
doorheen de lipofiele buitenmembraan
migreren via speciale kanalen of porines die
opgebouwd zijn uit proteïnen
Zuurvaste kleuring
Sommige bacteriën zoals mycobacteriën hebben een celwand die naast peptidoglycaan grote
hoeveelheden mycolzuren bevatten met vetzuurlengte van meer dan 20 koolstofatomen
o Deze mycolzuren verhinderen dat sterk aangezuurde organische solventen door de
celwand dringen kan dus niet gekleurd worden via gramkleuring
o Kleuring via Ziehl-Neelsenkleuring of
auraminekleuring (zuurvaste kleuring),
maken onderscheid tussen:
Zuurvaste bacteriën rood
Niet-zuurvaste bacteriën
blauw
3
, Samenvatting nosocomiale infecties
1.1.2. metabolisme - atmosfeer
1) Strikt aërobe bacteriën Hebben nood aan zuurstof om te overleven
Bv. Mycobacterium tuberculosis, pseudomonas aeruginosa
(waterbacterie aan oppervlak, waar voldoende O2 aanwezig is)
2) Facultatieve bacteriën Kunnen groeien in aanwezigheid en in afwezigheid van zuurstof
kunnen dus zeer gemakkelijk vermenigvuldigen
Bv. Escherichia coli, staphylococcus aureus
3) Strikt anaërobe bacteriën Sterven in aanwezigheid van zuurstof (door het ontstaan van toxische
zuurstofradicalen)
Bv. Bacteroïdes fragilis, clostridium perfringens
4) microaërofiele bacteriën Hebben een lage zuurstofspanning nodig
Bv. Campylobacter jejuni/ coli, helicobacter pylori (thv pyloor= sluitspier
maag meerbepaald in submucosa van de maag (waar kleine
concentratie zuurstof is))
1.1.3. relatie mens – bacterie (relatievormen)
Symbiose = wanneer een bacterie in of op het lichaam van de mens leeft
Verschillende vormen van symbiose:
Mutualisme Commensalisme Parasitisme
Zowel bacterie als mens halen De mens ondervindt geen Micro-organisme berokkent duidelijk
voordeel uit symbiose aantoonbare nadelige gevolgen door schade aan de gastheer
de aanwezigheid van de bacterie
Bv. Lactobacillus op het Micro-organismen (MO) die pathogeen
vaginale slijmvlies gebruikt Commensale flora: dikwijls zelfs zijn, beschikken over één of meerder
het glycogeen uit de vaginale noodzakelijk om aanwezigheid van virulentiefactoren die hen toelaten zich
epitheelcellen voor zijn potentieel gevaarlijke bacteriën te te vestigen en te vermenigvuldigen in
metabolisme en zet het om in voorkomen kolonisatieresistentie de gastheer en zo schade te
sterkzure metabolieten veroorzaken
(melkzuur) waardoor de antibiotica vernietigd
aciditeit van het slijmvlies kolonisatieresistentie van de Opportunisten
toeneemt en een groot deel commensale bacteriën en kan dus Veroorzaken infectieziekten bij
4