Hoofdstuk 1: pathofysiologie van infectieziekten
1.1. Definities
Een infectieziekte= een klinisch waarneembare toestand van schade of verandering in de
normale fysiologie van de gastheer die gepaard gaat met een ontstekingsreactie
(inflammatie), veroorzaakt door de besmetting met een ziekmakend micro-organisme.
o Klinisch waarneembaar:
Anamnese: koorts, hoesten, dyspnoe..; lichamelijk onderzoek
Beeldvorming: RX
Labo: ↑ CRP
Besmetting:
o Gaat infectie vooraf maar leidt niet noodzakelijk tot infectie
o Soms is er louter kolonisatie of dragerschap (MO handhaven en vermenigvuldigen
zich op of in de gastheer, zonder inflammatie of schade te veroorzaken)
Nosocomiale infectie:
o Infectie opgelopen in het ziekenhuis die niet aanwezig of in aanleg was bij opname
o Infectie die optreedt >48u na opname of binnen een vastgestelde periode na ontslag
(30-90 d) indien er een verband is met de ziekenhuisopname
1.2. pathofysiologie
Infectie ontstaat als het pathogeen vermogen van het MO de overhand haalt op de
afweermechanismen van de gastheer
Interactie tussen MO en de gastheer (zie schema p. 2)
o Farmacokinetiek= processen waaraan een stof in het lichaam wordt onderworpen
o Interactie:
Nevenwerkingen
Verminderen effecten
Versterken effecten
Bv. Pt neemt antidepressiva met als nevenwerking QT-verlenging. + pt neemt
AB door opgelopen infectie, maar bijwerking is QT-verlenging. 2x QT-
verlenging
GM interfereren
o Het klinisch beeld van een infectie wordt bepaald door het ziekmakend vermogen
van het MO en de infectiefocus enerzijds en de inflammatoire reactie van de
gastheer anderzijds
1
, 1.3. microbiële virulentie
Onderscheid op basis van het ziekmakend vermogen van MO
Deze indeling heeft vooral belang voor de inzichten die zij bieden ivm besmettingsroute en
aangrijpingspunten van preventie
Primair/ obligaat Besmetting leidt in vele gevallen tot ziekte, bij een min of meer groot deel van een gevoelige
pathogene MO maar gezonde populatie, onmiddellijk na besmetting of veel later
= Exogene infecties die overdraagbaar zijn en aanleiding kunnen geven tot epidemies
Bv.: salmonella typhi, mycobacterium tuberculosis, HIV, influenza, SARS-cov2, mazelen,
plasmodium falciparum
Preventie:
o Vermijden van blootstelling
o Eradiceren (uitroeien) van het reservoir of de vector
o Vaccinatie
o Chemoprofylaxe
Potentieel pathogene MO Besmetting leidt meestal tot kolonisatie (dragerschap), waaronder commensale flora
Infectie ontstaat bij gastheer indien:
o Lokale of algemene voorbeschiktheid:
Coagulase-negatieve stafylokokken voornaamste verwekker van
bacteriëmie tgv intravasculaire katheterinfectie
Predispositie postop. Wondinfecties
Candida infecties in de pond of vulvovaginaal treden vaker op bij diabetici en
bij pt na antibioticumkuur
o MO toegang krijgen tot steriele lichaamscompartimenten:
Bv. E. coli in urine
= infecties veroorzaakt door eigen (koloniserende) flora endogene infecties
Deze infecties zijn weinig of niet overdraagbaar
Preventie:
o Vermijden of corrigeren van voorbeschikkende gastheerfactoren
o Hygiëne/ aseptie in de zorg
Nosocomiale infecties:
o Door de agressie op de gastheer en de lokale en algemene voorbeschiktheid kan de
intiële kolonisatie evolueren naar ernstige infecties met MO die vaak (multi-)resistent
zijn tegen AB
o Preventie:
Vermijden van voorbeschikkende gastheerfactoren (bv. Katheters, urinesonde)
hygiëne in de zorg
bronisolatie
2
,Opportunistisch Besmetting leidt tot kolonisatie bij gezonde personen
pathogene MO
Infectie treedt enkel op bij de gastheer met een ernstige stoornis in de humorale of cellulaire
afweermechanismen
Deze infecties zijn exogeen niet overdraagbaar naar gezonden + geen bron voor epidemies
Vermijden dat andere voorbeschikte pt in contact komt met besmettelijke bron protectieve
isolatie
Bv.:
o pneumocystis jiroveci pneumoni bij AIDS pt
o aspergillus pneumonie bij langdurig neutropene pt na chemotherapie
1.4. pathogenese van infecties
om tot infectie aanleiding te geven moeten MO virulentiefactoren tot expressie brengen +
moet er inflammatoire respons zijn van de gastheer
voorwaarden:
o adherentie:
MO gaan een stabiele binding aan met het lichaamsoppervlak
kunnen zich profileren aan het lichaamsoppervlak en exotoxines afscheiden
geven aanleiding tot inflammatie en ziektesymptomen
o andere MO worden invasief:
overschrijden de huid-en mucosabarrière, zijn weerstandig aan de spontane
afweermechanismen van de gastheer (innate immunity) gaan zich verspreiden in
het lichaam
tijdens deze uitzaaiing naar het doelwitorgaan treedt er een belangrijke
ontstekingsreactie op die gemedieerd wordt door celwandbestanddelen van het MO
De inflammatoire respons van de gastheer op deze microbiële agressie en het
ontwikkelen van een immunologisch antwoord (adaptive/ acquired immunity) staan
tov de mogelijkheden van het MO om aan deze verdediging te ontsnappen
o zowel microbiële factoren als het antwoord van de gastheer zullen het
ziekteverloop bepalen
3
, 1.5. Afweermechanismen van de gastheer
(intacte) huid-en mucosabarrière De huid en mucosae vormen een mechanische barrière tegen invasie
Deze barrière wordt nog versterkt door de aanwezigheid van
microbiciede secreties van talg-en zweetklieren in de huid, de
aanwezigheid van maagzuur en de productie van mucus in de
luchtwegen
Ook afschilfering van huidcellen en motiliteit thv de mucosa
(darmperistaltiek, diurese, hoesten, mucocilliaire klaring) trachten
infectie te verhinderen
+ er wordt bescherming geboden door commensale flora op huid en
mucosa verhindert adherentie en proliferatie van pathogene MO
kolonisatie-resistentie
Secretoir IgA kan als antigeen-specifieke afweermechanisme over
bijdrage leveren in het voorkomen van infecties
Stoornissen in de huid-en mucosabarrière zijn zeer frequent in de
dagelijkse klinische praktijk: postop. Wondinfecties, kahtetersepsis,
UWinfecties, VAP
Humorale afweermechanismen Niet-antigeen-specifieke afweerfactoren:
o Lactoferrine (ontstekingsremmend eiwit)
o Lysosyme (enzymen die wand van bacterie aanvallen)
Complementsysteem is belangrijk afweersysteem van de gastheer:
o Dragen bij aan verdediging opsoniseren zichtbaar maken
om opgegeten te worden
Antigeen-specifieke afweerfactoren:
o Immunoglobulines/ antistoffen
neutralisatie en agglutinatie van toxines
complementactivering
interferentie met adherentie (blocking antibodies:
verhinderen dat virus aanhecht)
opsonisatie
o Vaccinatie maakt gebruik van deze humorale afweer in preventie
van infecties
o Aangeboren of verworven stoornissen in de aanmaak van
immuunglobulines beschikken voor tot virale luchtweginfecties
en infecties met omkapselde bacteriën (bv. Pneumokkoken)
4
1.1. Definities
Een infectieziekte= een klinisch waarneembare toestand van schade of verandering in de
normale fysiologie van de gastheer die gepaard gaat met een ontstekingsreactie
(inflammatie), veroorzaakt door de besmetting met een ziekmakend micro-organisme.
o Klinisch waarneembaar:
Anamnese: koorts, hoesten, dyspnoe..; lichamelijk onderzoek
Beeldvorming: RX
Labo: ↑ CRP
Besmetting:
o Gaat infectie vooraf maar leidt niet noodzakelijk tot infectie
o Soms is er louter kolonisatie of dragerschap (MO handhaven en vermenigvuldigen
zich op of in de gastheer, zonder inflammatie of schade te veroorzaken)
Nosocomiale infectie:
o Infectie opgelopen in het ziekenhuis die niet aanwezig of in aanleg was bij opname
o Infectie die optreedt >48u na opname of binnen een vastgestelde periode na ontslag
(30-90 d) indien er een verband is met de ziekenhuisopname
1.2. pathofysiologie
Infectie ontstaat als het pathogeen vermogen van het MO de overhand haalt op de
afweermechanismen van de gastheer
Interactie tussen MO en de gastheer (zie schema p. 2)
o Farmacokinetiek= processen waaraan een stof in het lichaam wordt onderworpen
o Interactie:
Nevenwerkingen
Verminderen effecten
Versterken effecten
Bv. Pt neemt antidepressiva met als nevenwerking QT-verlenging. + pt neemt
AB door opgelopen infectie, maar bijwerking is QT-verlenging. 2x QT-
verlenging
GM interfereren
o Het klinisch beeld van een infectie wordt bepaald door het ziekmakend vermogen
van het MO en de infectiefocus enerzijds en de inflammatoire reactie van de
gastheer anderzijds
1
, 1.3. microbiële virulentie
Onderscheid op basis van het ziekmakend vermogen van MO
Deze indeling heeft vooral belang voor de inzichten die zij bieden ivm besmettingsroute en
aangrijpingspunten van preventie
Primair/ obligaat Besmetting leidt in vele gevallen tot ziekte, bij een min of meer groot deel van een gevoelige
pathogene MO maar gezonde populatie, onmiddellijk na besmetting of veel later
= Exogene infecties die overdraagbaar zijn en aanleiding kunnen geven tot epidemies
Bv.: salmonella typhi, mycobacterium tuberculosis, HIV, influenza, SARS-cov2, mazelen,
plasmodium falciparum
Preventie:
o Vermijden van blootstelling
o Eradiceren (uitroeien) van het reservoir of de vector
o Vaccinatie
o Chemoprofylaxe
Potentieel pathogene MO Besmetting leidt meestal tot kolonisatie (dragerschap), waaronder commensale flora
Infectie ontstaat bij gastheer indien:
o Lokale of algemene voorbeschiktheid:
Coagulase-negatieve stafylokokken voornaamste verwekker van
bacteriëmie tgv intravasculaire katheterinfectie
Predispositie postop. Wondinfecties
Candida infecties in de pond of vulvovaginaal treden vaker op bij diabetici en
bij pt na antibioticumkuur
o MO toegang krijgen tot steriele lichaamscompartimenten:
Bv. E. coli in urine
= infecties veroorzaakt door eigen (koloniserende) flora endogene infecties
Deze infecties zijn weinig of niet overdraagbaar
Preventie:
o Vermijden of corrigeren van voorbeschikkende gastheerfactoren
o Hygiëne/ aseptie in de zorg
Nosocomiale infecties:
o Door de agressie op de gastheer en de lokale en algemene voorbeschiktheid kan de
intiële kolonisatie evolueren naar ernstige infecties met MO die vaak (multi-)resistent
zijn tegen AB
o Preventie:
Vermijden van voorbeschikkende gastheerfactoren (bv. Katheters, urinesonde)
hygiëne in de zorg
bronisolatie
2
,Opportunistisch Besmetting leidt tot kolonisatie bij gezonde personen
pathogene MO
Infectie treedt enkel op bij de gastheer met een ernstige stoornis in de humorale of cellulaire
afweermechanismen
Deze infecties zijn exogeen niet overdraagbaar naar gezonden + geen bron voor epidemies
Vermijden dat andere voorbeschikte pt in contact komt met besmettelijke bron protectieve
isolatie
Bv.:
o pneumocystis jiroveci pneumoni bij AIDS pt
o aspergillus pneumonie bij langdurig neutropene pt na chemotherapie
1.4. pathogenese van infecties
om tot infectie aanleiding te geven moeten MO virulentiefactoren tot expressie brengen +
moet er inflammatoire respons zijn van de gastheer
voorwaarden:
o adherentie:
MO gaan een stabiele binding aan met het lichaamsoppervlak
kunnen zich profileren aan het lichaamsoppervlak en exotoxines afscheiden
geven aanleiding tot inflammatie en ziektesymptomen
o andere MO worden invasief:
overschrijden de huid-en mucosabarrière, zijn weerstandig aan de spontane
afweermechanismen van de gastheer (innate immunity) gaan zich verspreiden in
het lichaam
tijdens deze uitzaaiing naar het doelwitorgaan treedt er een belangrijke
ontstekingsreactie op die gemedieerd wordt door celwandbestanddelen van het MO
De inflammatoire respons van de gastheer op deze microbiële agressie en het
ontwikkelen van een immunologisch antwoord (adaptive/ acquired immunity) staan
tov de mogelijkheden van het MO om aan deze verdediging te ontsnappen
o zowel microbiële factoren als het antwoord van de gastheer zullen het
ziekteverloop bepalen
3
, 1.5. Afweermechanismen van de gastheer
(intacte) huid-en mucosabarrière De huid en mucosae vormen een mechanische barrière tegen invasie
Deze barrière wordt nog versterkt door de aanwezigheid van
microbiciede secreties van talg-en zweetklieren in de huid, de
aanwezigheid van maagzuur en de productie van mucus in de
luchtwegen
Ook afschilfering van huidcellen en motiliteit thv de mucosa
(darmperistaltiek, diurese, hoesten, mucocilliaire klaring) trachten
infectie te verhinderen
+ er wordt bescherming geboden door commensale flora op huid en
mucosa verhindert adherentie en proliferatie van pathogene MO
kolonisatie-resistentie
Secretoir IgA kan als antigeen-specifieke afweermechanisme over
bijdrage leveren in het voorkomen van infecties
Stoornissen in de huid-en mucosabarrière zijn zeer frequent in de
dagelijkse klinische praktijk: postop. Wondinfecties, kahtetersepsis,
UWinfecties, VAP
Humorale afweermechanismen Niet-antigeen-specifieke afweerfactoren:
o Lactoferrine (ontstekingsremmend eiwit)
o Lysosyme (enzymen die wand van bacterie aanvallen)
Complementsysteem is belangrijk afweersysteem van de gastheer:
o Dragen bij aan verdediging opsoniseren zichtbaar maken
om opgegeten te worden
Antigeen-specifieke afweerfactoren:
o Immunoglobulines/ antistoffen
neutralisatie en agglutinatie van toxines
complementactivering
interferentie met adherentie (blocking antibodies:
verhinderen dat virus aanhecht)
opsonisatie
o Vaccinatie maakt gebruik van deze humorale afweer in preventie
van infecties
o Aangeboren of verworven stoornissen in de aanmaak van
immuunglobulines beschikken voor tot virale luchtweginfecties
en infecties met omkapselde bacteriën (bv. Pneumokkoken)
4