ALGEMENE
PSYCHOLOGIE
,HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
EEN DEFINITIE VAN PSYCHOLOGIE
Ook in handboek kennen!!
- Wetenschappelijke studie van het gedrag -> spelen, lezen, sporten, praten, luisteren, denken,
beoordelen
o Methode bepaalt wat wetenschap is
- Systematisch empirisme: adhv experimenten kennis verwerven
- Experimenten waarin we een variabele manipuleren (alle andere variabelen controleren) en zien wat
het effect is op gedrag (vb effect van videogames op agressie)
Psychologie = ‘Wetenschappelijke studie van het gedrag met als doel deze gedragsevidentie te gebruiken om
de interne processen te begrijpen die aan dit gedrag ten grondslag liggen’
- Eerder over wat dat gedrag veroorzaakt, welke processen, niet enkel kijken naar gedrag zelf
- Net als andere wetenschappers proberen psychologen door systematische observatie van
meetbare kenmerken (het gedrag) inzicht te krijgen in de proscessen die niet rechtstreeks
kunnen worden geobserveerd (de interne persoon)
- het gedrag dat we zien is dus niet per se ons studieobject, wel de interne processen die het
gedrag veroorzaken (= informatieverwerking)
OBSERVEERBAARHEID BINNEN DE WETENSCHAPPEN
- Dynamisch begrip & schijntegenstelling
o Vroeger
De geesteswetenschappen (α) focusten op niet-observeerbare
vragen/onderwerpen, terwijl men bij de exacte wetenschappen (β) meer
ging kijken naar wat er fysiek observeerbaar is (vb.: organen)
o Nu
De geesteswetenschappen maken nu meer gebruik van hersenscans wat
fysiek is, terwijl de exacte wetenschappers eerder moleculen en andere
“onzichtbare” zaken bestuderen
1
,ONTWIKKELINGEN DIE DE PSYCHOLOGIE MOGELIJK GEMAAKT HEBBEN
In 16e – 17e eeuw (wetenschappelijke en copernicaanse revolutie) werd observatie de wetenschappelijke
methode en dit bracht vragen met zich mee over de menselijke informatie verwerking -> menselijk oog maakt
veel fouten -> daarom wetenschappelijke basis nodig
Eerste studies over menselijke informatieverwerking:
- Astronomie: de persoonlijke fout (telescoop, ...)
- Snelheid van informatieverwerking (Von helmholtz) -> met kikkerpoten elektrische overdracht meten -
> 30m/s -> doorgeven van een prikkel kost tijd = nieuwe bevinding waardoor steeds meer twijfels
kwamen over de informatieverwerking
- Donder’s = eerste experiment -> substractiemethode = nagaan hoelang bepaalde mentale operaties
duren om deze uit te voeren
Donder’s: Snelheid van reageren (mentale chronometrie) Vb. Kost het tijd om klanken te onderscheiden??? (is
nog niet trachten begrijpen van interne processen)
3 Condities:
1) Ki ki ki : A reactie -> steeds dezelfde klank (zelfde r/stim) : 197 ms
2) Ka ke ki : B reactie -> 3 verschillende klanken, 3 verschillende knopjes, enkel hier keizen wel knopje =
perceptuele discriminatie (discr + keuze antw) : 285 ms
3) Ka ke ki : C reactie -> als er een ki komt enkel op knopje duwen : 243 ms
REDE, INTUÏTIE EN GELOOF
Belangrijkste figuren: Socrates, Plato en Aristoteles
Typisch aan de wetenschap van toen
- Gebruik maken van hun eigen intuïtie/rede
DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE
Belangrijkste figuren: Gallilei, Newton, Copernicus
Veranderingen t.o.v. de Oude Grieken/kerk:
- Kennis is gebaseerd op observatie
o Copernicus stelt vast dat aarde niet centraal staat in het universum => afstappen van
heliocentrisme (Copernicaanse revolutie)
o Mensbeeld verandert ook, ‘wij staan boven natuur’ wordt onderuitgehaald
2
, HET ONTSTAAN VAN 2 CULTUREN
Meer wetenschappelijke vooruitgang in protestantse/niet-katholieke landen
Leidt tot 2 culturen:
1. Klassieke humanistische cultuur (gericht op kunsten en letteren)
2. Natuurwetenschappelijke cultuur
TOEPASSING VAN WETENSCHAPPELIJKE METHODE OP MENSELIJK FUNCTIONEREN
- Observaties moeten gedetailleerd zijn
o Na stijging van interesse in onderzoek en observaties, merkte men dat mensen bepaalde
zaken/metingen anders percipiëren => de persoonlijke fout
o Door alles in detail te gaan beschrijven minimaliseert de menselijke fout
- Onderzoekers hebben nu ook interesse in het menselijk functioneren en waarom we die verschillen
hebben => eerste “psychologische” experimenten
o Astronomie: persoonlijke fout met telescoop
o Snelheid van informatietransmissie in de zenuwen: 30m/s of 110km/u (Von Hemoltz)
Informatieverwerking is een actief proces vroeger dacht men passief, kost geen
tijd
o Mentale chronometrie (Donders)
Psychologische processen proberen achterhalen door te kijken naar reactietijd van
mensen vooraleer ze een taak uitvoeren (bv: hoelang duurt het om een antwoord te
kiezen?) => ‘fysiologische tijd’ van processen
- Pioniers uit de lage landen
o Quetelet: normaalverdeling van bepaalde verschillen
o Donders: Substractiemethode => meten hoelang mentale processen duren
=> Controleconditie en proef aftrekken van elkaar.
ki ki ki ki vs ka ki ko ku (enkel ki zeggen)
Verklaring: luisteren naar wat je hoort en op basis daarvan discrimineren duurt
langer dan constant hetzelfde nazeggen
→ stimulusdiscriminatie = 46ms
ki ki ki ki vs ka ki ko ku (alles nazeggen)
Juiste antwoord kiezen uit een aantal opties duurt langer dan enkel 1 optie hebben
→ responsselectie = 42ms
Perceptuele discriminatie: C – A
Antwoord (respons) discriminatie: B – C
DE EVOLUTIETHEORIE VAN DARWIN
3
PSYCHOLOGIE
,HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
EEN DEFINITIE VAN PSYCHOLOGIE
Ook in handboek kennen!!
- Wetenschappelijke studie van het gedrag -> spelen, lezen, sporten, praten, luisteren, denken,
beoordelen
o Methode bepaalt wat wetenschap is
- Systematisch empirisme: adhv experimenten kennis verwerven
- Experimenten waarin we een variabele manipuleren (alle andere variabelen controleren) en zien wat
het effect is op gedrag (vb effect van videogames op agressie)
Psychologie = ‘Wetenschappelijke studie van het gedrag met als doel deze gedragsevidentie te gebruiken om
de interne processen te begrijpen die aan dit gedrag ten grondslag liggen’
- Eerder over wat dat gedrag veroorzaakt, welke processen, niet enkel kijken naar gedrag zelf
- Net als andere wetenschappers proberen psychologen door systematische observatie van
meetbare kenmerken (het gedrag) inzicht te krijgen in de proscessen die niet rechtstreeks
kunnen worden geobserveerd (de interne persoon)
- het gedrag dat we zien is dus niet per se ons studieobject, wel de interne processen die het
gedrag veroorzaken (= informatieverwerking)
OBSERVEERBAARHEID BINNEN DE WETENSCHAPPEN
- Dynamisch begrip & schijntegenstelling
o Vroeger
De geesteswetenschappen (α) focusten op niet-observeerbare
vragen/onderwerpen, terwijl men bij de exacte wetenschappen (β) meer
ging kijken naar wat er fysiek observeerbaar is (vb.: organen)
o Nu
De geesteswetenschappen maken nu meer gebruik van hersenscans wat
fysiek is, terwijl de exacte wetenschappers eerder moleculen en andere
“onzichtbare” zaken bestuderen
1
,ONTWIKKELINGEN DIE DE PSYCHOLOGIE MOGELIJK GEMAAKT HEBBEN
In 16e – 17e eeuw (wetenschappelijke en copernicaanse revolutie) werd observatie de wetenschappelijke
methode en dit bracht vragen met zich mee over de menselijke informatie verwerking -> menselijk oog maakt
veel fouten -> daarom wetenschappelijke basis nodig
Eerste studies over menselijke informatieverwerking:
- Astronomie: de persoonlijke fout (telescoop, ...)
- Snelheid van informatieverwerking (Von helmholtz) -> met kikkerpoten elektrische overdracht meten -
> 30m/s -> doorgeven van een prikkel kost tijd = nieuwe bevinding waardoor steeds meer twijfels
kwamen over de informatieverwerking
- Donder’s = eerste experiment -> substractiemethode = nagaan hoelang bepaalde mentale operaties
duren om deze uit te voeren
Donder’s: Snelheid van reageren (mentale chronometrie) Vb. Kost het tijd om klanken te onderscheiden??? (is
nog niet trachten begrijpen van interne processen)
3 Condities:
1) Ki ki ki : A reactie -> steeds dezelfde klank (zelfde r/stim) : 197 ms
2) Ka ke ki : B reactie -> 3 verschillende klanken, 3 verschillende knopjes, enkel hier keizen wel knopje =
perceptuele discriminatie (discr + keuze antw) : 285 ms
3) Ka ke ki : C reactie -> als er een ki komt enkel op knopje duwen : 243 ms
REDE, INTUÏTIE EN GELOOF
Belangrijkste figuren: Socrates, Plato en Aristoteles
Typisch aan de wetenschap van toen
- Gebruik maken van hun eigen intuïtie/rede
DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE
Belangrijkste figuren: Gallilei, Newton, Copernicus
Veranderingen t.o.v. de Oude Grieken/kerk:
- Kennis is gebaseerd op observatie
o Copernicus stelt vast dat aarde niet centraal staat in het universum => afstappen van
heliocentrisme (Copernicaanse revolutie)
o Mensbeeld verandert ook, ‘wij staan boven natuur’ wordt onderuitgehaald
2
, HET ONTSTAAN VAN 2 CULTUREN
Meer wetenschappelijke vooruitgang in protestantse/niet-katholieke landen
Leidt tot 2 culturen:
1. Klassieke humanistische cultuur (gericht op kunsten en letteren)
2. Natuurwetenschappelijke cultuur
TOEPASSING VAN WETENSCHAPPELIJKE METHODE OP MENSELIJK FUNCTIONEREN
- Observaties moeten gedetailleerd zijn
o Na stijging van interesse in onderzoek en observaties, merkte men dat mensen bepaalde
zaken/metingen anders percipiëren => de persoonlijke fout
o Door alles in detail te gaan beschrijven minimaliseert de menselijke fout
- Onderzoekers hebben nu ook interesse in het menselijk functioneren en waarom we die verschillen
hebben => eerste “psychologische” experimenten
o Astronomie: persoonlijke fout met telescoop
o Snelheid van informatietransmissie in de zenuwen: 30m/s of 110km/u (Von Hemoltz)
Informatieverwerking is een actief proces vroeger dacht men passief, kost geen
tijd
o Mentale chronometrie (Donders)
Psychologische processen proberen achterhalen door te kijken naar reactietijd van
mensen vooraleer ze een taak uitvoeren (bv: hoelang duurt het om een antwoord te
kiezen?) => ‘fysiologische tijd’ van processen
- Pioniers uit de lage landen
o Quetelet: normaalverdeling van bepaalde verschillen
o Donders: Substractiemethode => meten hoelang mentale processen duren
=> Controleconditie en proef aftrekken van elkaar.
ki ki ki ki vs ka ki ko ku (enkel ki zeggen)
Verklaring: luisteren naar wat je hoort en op basis daarvan discrimineren duurt
langer dan constant hetzelfde nazeggen
→ stimulusdiscriminatie = 46ms
ki ki ki ki vs ka ki ko ku (alles nazeggen)
Juiste antwoord kiezen uit een aantal opties duurt langer dan enkel 1 optie hebben
→ responsselectie = 42ms
Perceptuele discriminatie: C – A
Antwoord (respons) discriminatie: B – C
DE EVOLUTIETHEORIE VAN DARWIN
3