Sociologie
29/09
H1: Op ontdekkingstocht door een bekend gebied?
Inleiding
‘Sociologie en rechtssociologie’: sociologie en hulpdicipline/hulpwetenschap
Sociologie:
- Hybride combinatie Latijn en Grieks
- Socius (metgezel); societas (samenleving); logos (kennis, leer, kunde)
- Samenlevingskunde/maatschappijkunde
1. Emanuel josef siyes (rond 1780 – 1785).
Het begrip dook als eerst op in zijn werk.
- Qu’est-ce que le tiers état? Hij stelde dat de macht lag bij de eerste & tweede stand en niet bij de derde stand,
maar dit zijn juist degene die een bijdrage leveren.
Doel: hij wou dat de statengeneraal omgevormd werd en dus een nieuwe samenleving inrichten tentijde
van de Franse revolutie, zodanig dat het volk de macht kreeg.
Later gebeurde dit effectief
Normatieve wetenschap: gaat beschrijven hoe een samenleving eruit zou moeten zien ipv hoe deze is en dat de
sociologie empirisch onderzoek doet.
2. Augus Comte (1830)
= grondlegger v/d sociologie.
- Hij schreef een werk over de verschillende wetenschappen (cours de philosophie positive): hij vond dat de
sociologie bovenaan moest staan, want het was de meest complexe wetenschap. Het bestudeert de volledige
samenleving.
Hij benaderde het als een echte empirische wetenschap. Hij vond dat je echte kennis kreeg door te
observeren en empirisch onderzoek te doen.
Het moet objectief, beschrijvend en empirisch zijn, je bestudeerd het als een wetenschap (in navolging
van natuurwetenschappen).
Hij probeerde vaste ‘wetten’ van het sociale leven te ontdekken door de samenleving wetenschappelijk
te bestuderen, via echte data en observaties
1.1 Een beeld van een titel
Speelveld, spelregels, spelers => het samenlevingsspel
- Wie neemt deel en wie niet?
- Welke regels gelden er? (méér dan recht!)
- Waar gelden die regels? (verschillende zones binnen het speelveld)
- Wat gebeurt er als de regels worden overtreden?
- Welke (veranderlijke) posities bekleden de spelers
- Welke verwachtingen (= rol) en waarderingen (= status) gaan samen met deze posities?
- Hoe communiceren/interageren de spelers met elkaar?
- Wat is het doel van het spel? Wat is de rol van de spelers daarin?
- Wie bevindt zich in de ruimte rond het speelveld, in de tribune
,Je kan samenleving vergelijken met een voetbalspel, want:
- Binnen samenleving tellen er ook regels. Samenleving wordt bepaald door allerlei formele en informele
regels.
- Wij zijn allemaal spelers op het veld, de één heeft een positie met meer aanzien, de ander minder. Ook al
zijn ze allemaal even belangrijk
- Er zijn afspraken over hoe we moeten communiceren
- Tribune/op de bank: wie zit er naast de samenleving? Coach speelt niet, maar heeft achter de schermen de
touwtjes in handen, dit is ook in de politiek. Ook de socioloog zit hier, hij zit daar als neutrale waarnemer
en zal empirisch onderzoek doen.
Socioloog dient dus wetenschappelijk en neutraal te zijn. Je voorkeuren worden bepaald door je positie: allerlei
kenmerken die iemand heeft. Je identiteit heeft enkele kenmerken/dimensies
Bv. Religie, gender, afkomst…
Positionaliteit: Je identiteit heeft een bepaalde invloed op de manier waarop je de werkelijkheid waarneemt en
hoe andere naar je kijken. Het hangt samen met je sociale positie. Je identiteit bepaalt hoe je in de samenleving
staat & hoe andere naar je kijken.
Als je dan wetenschappelijk onderzoek doet, moet je bewust zijn van je positionaliteit en welke invloed
dit heeft.
Dimensies van Reflectievragen
positionaliteit
- Onderzoekstopic Hoe heeft je positionaliteit een impact op het onderzoek dat je wenst te
doen? Bv. Als je een beperking hebt, gaat het je meer interesseren om de
toegankelijkheid van scholen te onderzoeken.
- Epistemologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op datgene wat je weet?
Bv. Je bent religieus, dus je zal je meer daarmee bezighouden.
- Ontologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op wat je kan observeren als
onderzoeker? Bv. Witte huidskleur moeilijk om donkere mensen te
observeren
- Methodologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op de methodologische keuzes die
je maakt? Bv. Je hebt een technische opleiding, eerder geneigd voor
exacte onderzoeksmethode
- Onderzoeker-als- Hoe heeft je positionaliteit een impact op je relatie met de
instrument onderzoekparticipanten Bv. Zelfde taal als groep die je onderzoekt je
zal dichter bij hen staan hierdoor
- Communicatie Hoe heeft je positionlaiteit een impact op hoe je jezelf vertegenwoordigt in
geschreven en andere communicaties?
Positionality statement: verklaring waarbij auteur van een onderzoek voorafgaand meegeeft wat hij van zijn
eigen positionaliteit vindt. Hij geeft mee dat hij zich ervan bewust is dat ze een rol kunnen spelen op zijn
onderzoek.
Positionaliteit: Vertrekt vooral vanuit jezelf
,Intersectionaliteit : geeft ons inzicht in de kenmerken van de sociale identiteit en laat zien dat deze in
samenhang kunnen leiden tot privilege of uitsluiting
- Negatieve zin:
Bv. Zwarte vrouw
→ Ras + gender = unieke positie van discriminatie (2 sociale identiteitskenmerken).
→ Niet simpelweg “ras” apart of “gender” apart, maar de combinatie van de twee kenmerken spelen op elkaar
in en veroorzaken een eigen, specifieke vorm van uitsluiting
Bv. Crenshaw’s zaak (zwarte vrouwen in een bedrijf):
Kimberlé crenshaw: Jurist die onderzoek deed naar mogelijkheden v/h rechtssysteem om racisme en
discriminatie te bestraffen.
Ze keek naar een zaak die zwarte vrouwen hadden opgestart tov een bedrijf wegens discriminatie.
Het rechtssysteem zag hier geen racisme (want er werkte zwarte mannen)
Het rechtssysteem zag hier geen seksisme ( er werkte witte vrouwen)
Crenshaw zei dat er toch een fout was in de samenleving. De discriminatie gebeurde precies op het kruispunt van
beide kenmerken. Ze benoemde het met intersectionaliteit, dat de combinatie van je kenmerken zorgen voor
onderdrukking
- Positieve zin:
Bv. Privilege
Je bent een witte heteroman zonder beperking.
→ Deze combinatie levert meerdere lagen van privilege op.
→ Intersectionaliteit kan dus ook verklaren waarom sommige mensen voordeel hebben, niet alleen nadeel.
Verschil positionaliteit en intersectionaliteit:
Positionaliteit: vertrekt vanuit individu: kijken naar hoe de kenmerken van je identiteit invloed uitoefenen op de
manier waarop je dingen ziet en hoe anderen naar je kijken. Wat maakt je zoals je bent?
Intersectionaliteit/kruispuntdenken: Analytischer en algemener, het laat toe om te erkennen dat verschillende
aspecten van je identiteit leiden naar een unieke ervaring (privilege en onderdrukking)
Het is een uitsluiting of privilege dat meer is dan enkel de som v/d delen, het is een unieke ervaring. Het is een
combinatie die meer is dan de som van de aparte discriminatie die je meemaakt.
Bv. Vrouw met kleur heeft 2 gronden van discriminatie, maar daarnaast heb je ook een unieke vorm van
discriminatie die voortkomt uit de kenmerken van je identiteit.
Niet zeggen je wordt EXTRA veel gediscrimineerd op het examen => FOUT
, 1.2 Het dagelijkse leven door de sociologische lens
Wat doet een socioloog meer dan de gewone mens?:
Hij kijkt op een bepaalde manier naar de samenleving, hij kijkt door een lens (interviews, enquêtes…).
Sociologische lens
- Bedoeld om de allerlei regelmatigheden en de achterliggende werkelijkheid achter onze eerste
waarnemingen te ‘lezen’.
- Het is niet louter imaginair; de socioloog heeft ook praktische werkinstrumenten, zoals surveys,
observaties… (vgl. de MRI-scanner van de radioloog)
- Deze beelden moeten wel nog geïnterpreteerd worden: de socioloog beschikt over kennis en ervaring om
dat te doen. Hij bezit de nodige sociologische verbeelding
Sociologische verbeelding: Mills:
Hij heeft bepaalde kennis en vaardigheden nodig om de gebeurtenissen in de samenleving te kunnen waarnemen
en verklaren.
Hij moet ook het vermogen hebben om te weten dat er ook een grote sociale structuur om heen zit.
Hij kijkt ook naar de geschiedenis, om te begrijpen hoe zaken zijn geëvolueerd.
Bv. Scheiding => hij kijkt hier veel dieper naar
Componenten van sociologische verbeelding
- Kennis geschiedenis – hoe is samenleving tot stand gekomen? We zien dat er een evolutie is geweest
Bv. Emancipatie v/d vrouw
- Kennis biografie – wie zijn de mensen in de samenleving? Dit is de vaststelling
Bv. Iemand scheidt, sterft, gaat studeren…
- Kennis sociale structuur – hoe werkt de samenleving via instituties. Toont hoe individuele gebeurtenissen
opgenomen zijn in een groter systeem. Bv. Gezin, politien recht, school economie…
Enkele voorbeelden:
Sociologische verbeelding: voorbeeld 1
Heel wat jongeren volgen vandaag universitair onderwijs (biografie). Dit is niet louter het resultaat van de
intelligentie van die jongeren. De samenleving en haar beroepenstructuur (sociale structuur) beïnvloedt de wens
van jongeren om universitair onderwijs te volgen. Bedrijven vragen naar hooggeschoolde werknemers. Dit heeft
te maken met het industrialisatieproces van de 19de eeuw waardoor een grotere kennisbehoefte ontstond
(geschiedenis).
Sociologische verbeelding: voorbeeld 2
Heel wat mensen leven in armoede (biografie). Dit is niet louter het gevolg van persoonlijke tegenslagen (ziekte,
gebrek aan opleiding, financiële gevolgen van een ongeluk of echtscheiding…), maar er spelen ook structurele
kwesties, zoals een gebrek aan goedbetaalde jobs voor laaggeschoolden, sociale ongelijkheid en discriminatie op
de arbeidsmarkt (sociale structuur). Deze structurele processen hangen op hun beurt samen met tal van
historische gebeurtenissen, zoals de opkomst van het kapitalisme of het koloniaal verleden van een land of regio
(historisch).
Sociologische verbeelding: voorbeeld 3
Veel jonge mensen hebben mentale problemen (burn-out, depressie…) (biografie). Dit hangt samen met het feit
dat de huidige arbeidsmarkt gekenmerkt wordt door hoge prestatiedruk, onzekerheid en de eis om altijd en overal
beschikbaar te zijn (sociale structuur). De overgang naar deze sterk gedigitaliseerde prestatiemaatschappij
creëerde kansen, maar zorgde ook voor spanningen (geschiedenis).
29/09
H1: Op ontdekkingstocht door een bekend gebied?
Inleiding
‘Sociologie en rechtssociologie’: sociologie en hulpdicipline/hulpwetenschap
Sociologie:
- Hybride combinatie Latijn en Grieks
- Socius (metgezel); societas (samenleving); logos (kennis, leer, kunde)
- Samenlevingskunde/maatschappijkunde
1. Emanuel josef siyes (rond 1780 – 1785).
Het begrip dook als eerst op in zijn werk.
- Qu’est-ce que le tiers état? Hij stelde dat de macht lag bij de eerste & tweede stand en niet bij de derde stand,
maar dit zijn juist degene die een bijdrage leveren.
Doel: hij wou dat de statengeneraal omgevormd werd en dus een nieuwe samenleving inrichten tentijde
van de Franse revolutie, zodanig dat het volk de macht kreeg.
Later gebeurde dit effectief
Normatieve wetenschap: gaat beschrijven hoe een samenleving eruit zou moeten zien ipv hoe deze is en dat de
sociologie empirisch onderzoek doet.
2. Augus Comte (1830)
= grondlegger v/d sociologie.
- Hij schreef een werk over de verschillende wetenschappen (cours de philosophie positive): hij vond dat de
sociologie bovenaan moest staan, want het was de meest complexe wetenschap. Het bestudeert de volledige
samenleving.
Hij benaderde het als een echte empirische wetenschap. Hij vond dat je echte kennis kreeg door te
observeren en empirisch onderzoek te doen.
Het moet objectief, beschrijvend en empirisch zijn, je bestudeerd het als een wetenschap (in navolging
van natuurwetenschappen).
Hij probeerde vaste ‘wetten’ van het sociale leven te ontdekken door de samenleving wetenschappelijk
te bestuderen, via echte data en observaties
1.1 Een beeld van een titel
Speelveld, spelregels, spelers => het samenlevingsspel
- Wie neemt deel en wie niet?
- Welke regels gelden er? (méér dan recht!)
- Waar gelden die regels? (verschillende zones binnen het speelveld)
- Wat gebeurt er als de regels worden overtreden?
- Welke (veranderlijke) posities bekleden de spelers
- Welke verwachtingen (= rol) en waarderingen (= status) gaan samen met deze posities?
- Hoe communiceren/interageren de spelers met elkaar?
- Wat is het doel van het spel? Wat is de rol van de spelers daarin?
- Wie bevindt zich in de ruimte rond het speelveld, in de tribune
,Je kan samenleving vergelijken met een voetbalspel, want:
- Binnen samenleving tellen er ook regels. Samenleving wordt bepaald door allerlei formele en informele
regels.
- Wij zijn allemaal spelers op het veld, de één heeft een positie met meer aanzien, de ander minder. Ook al
zijn ze allemaal even belangrijk
- Er zijn afspraken over hoe we moeten communiceren
- Tribune/op de bank: wie zit er naast de samenleving? Coach speelt niet, maar heeft achter de schermen de
touwtjes in handen, dit is ook in de politiek. Ook de socioloog zit hier, hij zit daar als neutrale waarnemer
en zal empirisch onderzoek doen.
Socioloog dient dus wetenschappelijk en neutraal te zijn. Je voorkeuren worden bepaald door je positie: allerlei
kenmerken die iemand heeft. Je identiteit heeft enkele kenmerken/dimensies
Bv. Religie, gender, afkomst…
Positionaliteit: Je identiteit heeft een bepaalde invloed op de manier waarop je de werkelijkheid waarneemt en
hoe andere naar je kijken. Het hangt samen met je sociale positie. Je identiteit bepaalt hoe je in de samenleving
staat & hoe andere naar je kijken.
Als je dan wetenschappelijk onderzoek doet, moet je bewust zijn van je positionaliteit en welke invloed
dit heeft.
Dimensies van Reflectievragen
positionaliteit
- Onderzoekstopic Hoe heeft je positionaliteit een impact op het onderzoek dat je wenst te
doen? Bv. Als je een beperking hebt, gaat het je meer interesseren om de
toegankelijkheid van scholen te onderzoeken.
- Epistemologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op datgene wat je weet?
Bv. Je bent religieus, dus je zal je meer daarmee bezighouden.
- Ontologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op wat je kan observeren als
onderzoeker? Bv. Witte huidskleur moeilijk om donkere mensen te
observeren
- Methodologie Hoe heeft je positionaliteit een impact op de methodologische keuzes die
je maakt? Bv. Je hebt een technische opleiding, eerder geneigd voor
exacte onderzoeksmethode
- Onderzoeker-als- Hoe heeft je positionaliteit een impact op je relatie met de
instrument onderzoekparticipanten Bv. Zelfde taal als groep die je onderzoekt je
zal dichter bij hen staan hierdoor
- Communicatie Hoe heeft je positionlaiteit een impact op hoe je jezelf vertegenwoordigt in
geschreven en andere communicaties?
Positionality statement: verklaring waarbij auteur van een onderzoek voorafgaand meegeeft wat hij van zijn
eigen positionaliteit vindt. Hij geeft mee dat hij zich ervan bewust is dat ze een rol kunnen spelen op zijn
onderzoek.
Positionaliteit: Vertrekt vooral vanuit jezelf
,Intersectionaliteit : geeft ons inzicht in de kenmerken van de sociale identiteit en laat zien dat deze in
samenhang kunnen leiden tot privilege of uitsluiting
- Negatieve zin:
Bv. Zwarte vrouw
→ Ras + gender = unieke positie van discriminatie (2 sociale identiteitskenmerken).
→ Niet simpelweg “ras” apart of “gender” apart, maar de combinatie van de twee kenmerken spelen op elkaar
in en veroorzaken een eigen, specifieke vorm van uitsluiting
Bv. Crenshaw’s zaak (zwarte vrouwen in een bedrijf):
Kimberlé crenshaw: Jurist die onderzoek deed naar mogelijkheden v/h rechtssysteem om racisme en
discriminatie te bestraffen.
Ze keek naar een zaak die zwarte vrouwen hadden opgestart tov een bedrijf wegens discriminatie.
Het rechtssysteem zag hier geen racisme (want er werkte zwarte mannen)
Het rechtssysteem zag hier geen seksisme ( er werkte witte vrouwen)
Crenshaw zei dat er toch een fout was in de samenleving. De discriminatie gebeurde precies op het kruispunt van
beide kenmerken. Ze benoemde het met intersectionaliteit, dat de combinatie van je kenmerken zorgen voor
onderdrukking
- Positieve zin:
Bv. Privilege
Je bent een witte heteroman zonder beperking.
→ Deze combinatie levert meerdere lagen van privilege op.
→ Intersectionaliteit kan dus ook verklaren waarom sommige mensen voordeel hebben, niet alleen nadeel.
Verschil positionaliteit en intersectionaliteit:
Positionaliteit: vertrekt vanuit individu: kijken naar hoe de kenmerken van je identiteit invloed uitoefenen op de
manier waarop je dingen ziet en hoe anderen naar je kijken. Wat maakt je zoals je bent?
Intersectionaliteit/kruispuntdenken: Analytischer en algemener, het laat toe om te erkennen dat verschillende
aspecten van je identiteit leiden naar een unieke ervaring (privilege en onderdrukking)
Het is een uitsluiting of privilege dat meer is dan enkel de som v/d delen, het is een unieke ervaring. Het is een
combinatie die meer is dan de som van de aparte discriminatie die je meemaakt.
Bv. Vrouw met kleur heeft 2 gronden van discriminatie, maar daarnaast heb je ook een unieke vorm van
discriminatie die voortkomt uit de kenmerken van je identiteit.
Niet zeggen je wordt EXTRA veel gediscrimineerd op het examen => FOUT
, 1.2 Het dagelijkse leven door de sociologische lens
Wat doet een socioloog meer dan de gewone mens?:
Hij kijkt op een bepaalde manier naar de samenleving, hij kijkt door een lens (interviews, enquêtes…).
Sociologische lens
- Bedoeld om de allerlei regelmatigheden en de achterliggende werkelijkheid achter onze eerste
waarnemingen te ‘lezen’.
- Het is niet louter imaginair; de socioloog heeft ook praktische werkinstrumenten, zoals surveys,
observaties… (vgl. de MRI-scanner van de radioloog)
- Deze beelden moeten wel nog geïnterpreteerd worden: de socioloog beschikt over kennis en ervaring om
dat te doen. Hij bezit de nodige sociologische verbeelding
Sociologische verbeelding: Mills:
Hij heeft bepaalde kennis en vaardigheden nodig om de gebeurtenissen in de samenleving te kunnen waarnemen
en verklaren.
Hij moet ook het vermogen hebben om te weten dat er ook een grote sociale structuur om heen zit.
Hij kijkt ook naar de geschiedenis, om te begrijpen hoe zaken zijn geëvolueerd.
Bv. Scheiding => hij kijkt hier veel dieper naar
Componenten van sociologische verbeelding
- Kennis geschiedenis – hoe is samenleving tot stand gekomen? We zien dat er een evolutie is geweest
Bv. Emancipatie v/d vrouw
- Kennis biografie – wie zijn de mensen in de samenleving? Dit is de vaststelling
Bv. Iemand scheidt, sterft, gaat studeren…
- Kennis sociale structuur – hoe werkt de samenleving via instituties. Toont hoe individuele gebeurtenissen
opgenomen zijn in een groter systeem. Bv. Gezin, politien recht, school economie…
Enkele voorbeelden:
Sociologische verbeelding: voorbeeld 1
Heel wat jongeren volgen vandaag universitair onderwijs (biografie). Dit is niet louter het resultaat van de
intelligentie van die jongeren. De samenleving en haar beroepenstructuur (sociale structuur) beïnvloedt de wens
van jongeren om universitair onderwijs te volgen. Bedrijven vragen naar hooggeschoolde werknemers. Dit heeft
te maken met het industrialisatieproces van de 19de eeuw waardoor een grotere kennisbehoefte ontstond
(geschiedenis).
Sociologische verbeelding: voorbeeld 2
Heel wat mensen leven in armoede (biografie). Dit is niet louter het gevolg van persoonlijke tegenslagen (ziekte,
gebrek aan opleiding, financiële gevolgen van een ongeluk of echtscheiding…), maar er spelen ook structurele
kwesties, zoals een gebrek aan goedbetaalde jobs voor laaggeschoolden, sociale ongelijkheid en discriminatie op
de arbeidsmarkt (sociale structuur). Deze structurele processen hangen op hun beurt samen met tal van
historische gebeurtenissen, zoals de opkomst van het kapitalisme of het koloniaal verleden van een land of regio
(historisch).
Sociologische verbeelding: voorbeeld 3
Veel jonge mensen hebben mentale problemen (burn-out, depressie…) (biografie). Dit hangt samen met het feit
dat de huidige arbeidsmarkt gekenmerkt wordt door hoge prestatiedruk, onzekerheid en de eis om altijd en overal
beschikbaar te zijn (sociale structuur). De overgang naar deze sterk gedigitaliseerde prestatiemaatschappij
creëerde kansen, maar zorgde ook voor spanningen (geschiedenis).