Freud 1856 – 1936 Psychoanalyse
Piaget 1896 – 1980 Cognitieve ontwikkeling
Vygotsky 1896 – 1934 Sociaal culturele ontwikkeling
Gal’Perin 1902 – 1988 Onderwijsmethodologie
Erikson 1902 – 1994 Psychosociale ontwikkeling
Langeveld 1905 – 1989 Pedagogische ontwikkelingspsychologie
Bowbly 1907 – 1990 Hechting
Maslow 1908 – 1917 Motivatietheorie
Bronfenbrenner 1917 – 2005 Ecologisch model
Van Parreren 1920 – 1991 Sociaal constructivisme
Kohlberg 1927 – 1987 Morele ontwikkeling
FREUD - Persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij conflicten leiden tot ontwikkeling
Es/id (Baby) aangeboren driften
Ich/Ech (kindertijd) de psyche van een kind
Uberich/superego (vanaf 5 jr) gewetensfunctie
ORale (12-18 maanden) zuigen = belangrijkste bron van lust
ANale (1,5 – 3 jaar) zelf doen
FAllische (3-6 jaar) geslachtverschil zien
LAtentie (6-adolscentie) sociale contacten buiten gezin
GEnitale (adolscentie-volw. ) erotiek is gericht op ander persoon
Sublimeren instinctieve impulsen worden omgebogen tot acceptabele
uitingen
Afweermechanisme (minder geslaagd) verdringing, projectie, ontkenning,
reactieformatie, rationalisatie
PIAGET – Groei door rijping en interactie omgeving
Adaptie met behulp van de denkstrategie nieuwe informatie opnemen
Assimilatie bestaande kennis/vaardigheden gebruiken voor nieuwe situatie
Accommodatie aanpassen van bestaande kennis/vaardigheden omgaan nieuwe situatie
Equilibratie evenwicht herstellen tussen nieuwe info en bestaande inzichten
Senso-motorisch (0-2 jr) motorisch
Pre-operationeel (2-7 jr) denken wordt geleidelijk minder egocentrisch
Egocentrisme – denken van kind centreert zich op eigen persoon
Animisme – stoel waar je tegen aan loopt doet je pijn
Artificalisme – kijk, papa gemaakt
Realisme – denken dat dromen van buitenaf komen
Concreet-operationeel (7-11 jr) egocentrische verdwijnt uit het denken, situatie worden
vanuit verschillende kanten bekeken
Formeel-operationeel (vn 11 jr) abstracte problemen zonder concreet materiaal oplossen
, Flashcards ontwikkelingspsychologie SvE
VYGOTSKY – via dialoog – monoloog denken, relatie onderwijs en ontwikkeling
Scaffolding Uitdagen om hardop te denken en zelf met antwoorden te komen
Interiorisatie proces (geheugen)
Hogere mentale functie – geheugen, denken, taalgebruik, analyseren
Lagere mentale functie – zintuigen, motoriek, associatieve geheugen
Hogere functies ontwikkelen zich door verinnerlijking = interiorisatie van de in de samenleving
aanwezige sociale en culturele betekenissen. Sociale, talige interactie tussen kind en volwassene
is hierbij een noodzakelijke voorwaarden.
Zone van actuele ontwikkeling wat het kind kan ZONDER hulp
Zone van naaste ontwikkeling Wat het kind NOG NIET zelfstandig kan maar wel MET hulp
GAL’PERIN – trapsgewijs vorming van mentale ontwikkeling, taal speelt belangrijke rol
4 fasen in het leerproces
Oriëntatiefase – kennis maken met onderwerp
Materiele fase – concreet en praktisch omgaan met materiaal
Verbale fase – ’spreken’ zonder concreet materiaal
Mentale fase – handeling verinnerlijkt / automatisch
ERIKSON - Ontwikkeling van eigen identiteit
Vertrouwen vs wantrouwen (0-1 jr) door liefdevolle zorg ontwikkeld kind basaal vertrouwen,
ontbreekt dit? = basaal wantrouwen
Autonomie vs schaamte (2-3 jr) zindelijk zijn en zichzelf kunnen aankleden
Initiatief vs schuld (3-6 jr) eigen gretigheid en eisen van omgeving afstemmen
Vlijt vs minderwaardigheid (7-12 jr) bevestiging willen zien
Identiteit vs vorming (12-18jr) keuzes worden gemaakt die van belang zijn voor vorming
Intimiteit vs isolement (20’jaren) voorplating vs alleen blijven
Generativiteit vs stagnatie (50+) zelfvertrouwen tegenover wanhoop en walging