Orthopedagogische interventies semester 1
H1: Emotionele Ontwikkeling aan de hand van
Het psychodynamisch ontwikkelingsmodel
van Došen
2 INLEIDING
2.1 ANTON DOŠEN
• Kinderpsychiater
• Stelde vast dat een hoog percentage van de personen met een verstandelijke beperking meer kans hebben tot het ontwikkelen van
psychische problemen
• Klassieke diagnostische instrumenten (bv: DSM) schoten tekort aan deze doelgroep → ontwikkelingsdynamische en integratieve
benadering opgesteld door Došen om psychische problemen bij mensen met een bepekring te begrijpen en behandelen
2.2 ONTWIKKELINGSDYNAMISCHE BENADERING
Ontwikkelingsdynamische benadering visie opgesteld door Anton
Došen die de discrepantie
tussen cognitieve
(weten/kunnen) en
emotionele ontwikkeling
(aankunnen) bij psychische
of gedragsproblemen
centraal stelt, en de bio-psychosociale ontwikkelingsdynamiek gebruikt als basis voor diagnose
en behandeling
• Hoe handelen volgens model?
o Sensitief responsief zijn ten aanzien van de cliënten
o Zoeken naar de onderliggende betekenis van et gedrag
o Kijken naar de hulpvraag van cliënt (en context)
o Inzicht hebben in emotionele ontwikkeling om gedrag te kunnen begrijpen
o …
2.3 EMOTIONELE ONTWIKKELINGSFASEN
• Došen heeft verschillende modellen, zoals het model van cognitieve ontwikkeling van Piaget, model voor hechtingsontwikkeling van
Bolwby,… naast elkaar gelegd en kwam zo tot een eigen ontwikkelingsmodel voor het beschrijven van de emotionele ontwikkeling
• Model bestaat uit 5 fasen:
1. 1e fase: Adaptatiefase (0-6 maanden)
2. 2e fase: Hechtingsfase (6-18 maanden)
3. 3e fase: Individuatiefase (18-36 maanden)
4. 4e fase: Identificatiefase (3-7 j)
5. 5e fase: Realiteitsbewustwordingsfase (7-12 j)
• Door toenemende interesse voor dit model zijn er recentelijk 2 fasen toegevoegd:
6. 6e fase: Sociale autonomie (12-17j)
7. 7e fase: Sociale verantwoordelijkheidsfase (17-25j)
3 DE EERSTE 5 EMOTIONELE ONTWIKKELINGSFASEN
3.1 ADAPTIEFASE
• 0-6 maand
1
, • Personen bevinden zich in een spanningsveld tussen homeostase (evenwicht) en disregulatie (ontregeling)
o Ontwikkelingstaken van de persoon zelf:
▪ Intern evenwicht bereiken en behouden
▪ Spanning hanteren
▪ Veiligheid en rust vinden
• Men is zich fysiek aan het aanpassen aan de buitenwereld
o Gevoelig voor zintuigelijke prikkels
Spanningsveld fase 1 homeostase (evenwicht) en disregulatie (ontregeling)
Sensorische integratie het opnemen van de verschillende prikkels en deze verwerken en opnemen
• Regelen van innerlijke spanningsniveau heel belangrijk
o Men tracht zich namelijk continu aan te passen en er dat kost veel energie
Hypo- of hyperarousal wanneer er sprake is van een ontregeld innerlijk spanningsniveau bij cliënten
3.1.1 Kerntaak van de begeleider
• Nadruk leggen op het reguleren van de innerlijke spanning
• Persoon helpen zijn/ haar evenwicht terug te helpen bereiken
• Sensitief responsief zijn op de signalen die wijzen dat persoon uit evenwicht is
o Ingrijpen en rust creëren
3.1.2 Afstand- nabijheid
• Mensen in adaptiefase hebben veel nood aan nabijheid en samen te ‘zijn’
o Ze hebben nog geen eigen ‘ik-identiteit’
▪ Iets alleen doen is dus erg moeilijk
• Nabijheid en responsiviteit van de HV is zeer belangrijk
o Contact met de volwassenen verloopt via nabijheidzintuigen
o HV zorgt voor de primaire behoeften, zoals rust, voeding maar ook de basale veiligheid
3.1.3 Structuur en grenzen
• Structuren bieden om een gevoel van basisveiligheid te creëren
• Voorspelbaarheid, herkenbaarheid en duidelijkheid moeten de overhand hebben
o Bij deze C is er vaak beginnend dagverloop, ruimtes,…
• Belang van een overzichtelijke en eenvoudige, zich herhalende structuur van ruimte, tijd en personen waarin een vast ritme van rust
en activiteit te vinden is
Structuur Binnen de begeleiding betekent structuur het bieden van voorspelbaarheid, herkenbaarheid en
duidelijkheid in tijd, ruimte en personen. Dit helpt cliënten om zich veilig te voelen en houvast
te vinden door een vast ritme van rust en activiteit. Structuur houdt ook grenzen in, niet als
straf, maar om zekerheid en stabiliteit te bevorderen. Bv: het gebruik van beveiligingsmiddelen
Beveiligingsmiddelen hulpmiddelen die tijdelijk worden ingezet om de veiligheid en rust van een cliënt te waarborgen
wanneer hij of zij zichzelf dreigt te verliezen. Ze worden niet gebruikt als straf, maar als middel
om bescherming en stabiliteit te bieden, en zo kort mogelijk toegepast. Bv: fixatie,
afzonderingsruimte, …
3.1.4 Activiteiten
Prikkeldosering de omgeving gaat bewust prikkels afstemmen op de draagkracht van C. Het doel is een
evenwicht te vinden tussen inspanning en ontspanning, waarbij prikkelarme omstandigheden
vaak nodig zijn om rust te bewaren
Onderprikkeling ontstaat wanneer een cliënt te weinig prikkels ontvangt, waardoor gevoelens van leegte,
verveling of onrust kunnen ontstaan. Het is daarom belangrijk om voldoende aangepaste
prikkels aan te bieden om betrokkenheid, alertheid en welzijn te bevorderen
2
,Overprikkeling treedt op wanneer een cliënt meer prikkels ontvangt dan hij of zij kan verwerken. Dit kan leiden
tot spanning, vermoeidheid, teruggetrokken gedrag of emotionele uitbarstingen. Het is daarom
belangrijk om prikkels te verminderen en een rustige, voorspelbare omgeving te creëren
• Als HV streven naar evenwicht tussen inspanning en ontspanning
o Duur van activiteiten moet soepel aangepast kunnen worden
• Binnen deze EO-fase zijn basale, lichaamsgerichte en belevingsgerichte activiteiten het meest geschikt, bijvoorbeeld snoezelruimtes
3.1.5 Communicatie
• C hebben erg beperkte verbaliteit
o Als HV alerte houding voor non-verbale signalen
• C niet overschatten bij het gebruik van visualisaties
o De focus ligt veelal op het hier en nu! Dit betekent dat informatie over (voorbije of) toekomstige zaken verwarrend kan
werken
3.1.6 Gedrag
• Gedrag volledig in functie van de ontwikkelingstaken van deze fase
• Er is een ruime range aan gedragingen die kunnen voorkomen en die als normaal, meer of minder problematisch kunnen worden
gezien, zoals:
o Super-gevoelig
o Prikkelgevoelig
o Fysiologische (dies)regulatie
o Agressie om interne spanning te reguleren
o …
Ontstaan probleemgedrag wanneer het spanningsniveau van de cliënt ontregeld raakt door over- of onderprikkeling,
lichamelijke prikkels of grote opwinding, soms zonder duidelijke aanleiding. Dit gedrag is een
manier om innerlijke spanning te reguleren en kan zich uiten in agressie, zelfbeschadiging of
vastklampen aan zorgfiguren. Het gedrag is niet doelgericht of bewust kwetsend, maar een
uitdrukking van ontreddering en een tekort aan emotionele regulatie
3.2 HECHINGSFASE
• 6- 18 maand
• Personen bevinden zich in een spanningsveld tussen vertrouwen versus wantrouwen
o Ontwikkelingstaken van de persoon zelf:
▪ Zich hechten aan iemand
▪ Vertrouwensband leren opbouwen
▪ Exploreren/ verkennen
▪ Dingen leren en onder de knie krijgen
Spanningsveld fase 2 vertrouwen versus wantrouwen
We-dentitie Mensen binnen deze fase gaan als het ware in symbiose met hun ‘belangrijke ander’ (vaste
zorgfiguren) om zich veilig te voelen, ze hebben dus nog geen eigen “ik” en kunnen niet
functioneren zonder begeleider/ouder in de buurt. Alle energie en aandacht gaat naar de
verbinding met de ‘belangrijke ander’
Testgedrag vaak gaan cliënten de band gaan ‘testen’ met een nieuwe HV die ze ontmoeten, bijvoorbeeld
een stagiair die begint op een nieuwe plaats gaat ‘getest’ worden door een persoon met een
hechtingsproblematiek
3.2.1 Kerntaak van de begeleider
Cirkelen begeleidingsmethode waarbij de begeleider voortdurend emotioneel beschikbaar blijft binnen
het gehoor- of gezichtsveld van de cliënt, om zo veiligheid en vertrouwen te bieden
3
, 3.2.2 Afstand-Nabijheid
• Nood aan veiligheid, vertrouwen, nabijheid
• Als HV is het belangrijk om duidelijk te zijn in je beschikbaarheid: dus waar, wanneer, hoe,.. Je beschikbaar bent → biedt perspectief
en bewaakt over de haalbaarheid voor alle partijen
Be-trouwen als begeleider betrouwbaar en voorspelbaar aanwezig zijn, zodat de cliënt weet wanneer en
hoe je beschikbaar bent. Door nabijheid te bieden wanneer nodig en ruimte te laten wanneer
mogelijk, groeit het gevoel van veiligheid en vertrouwen. De begeleider wijst de cliënt nooit af,
maar biedt een stabiele, beschermende aanwezigheid die niet beperkend aanvoelt
3.2.3 Structuur en grenzen
• Belangrijk als houvast
• Visuele ondersteuning van gemaakte afspraken kan helpen om de structuur van de cliënt letterlijk en figuurlijk te onthouden
• Bieden van structuur tijdens overgangsmomenten
• Als HV bieden van preventieve begrenzing om zo veiligheid en vertrouwen te waarborgen
• Ingrijpen wanneer het escaleert
3.2.4 Activiteiten
• Eenvoudige, terugkerende activiteiten
• Belang van samen dingen doen
• Begeleidingsintensiteit steeds aanpassen aan draagkracht C
• Niet te veel focussen op vaardigheden C
3.2.5 Communicatie
• C opnieuw niet overschatten in de verbalen mogelijkheden
o Verbale mogelijkheden kunnen veel maskeren
• Lichaamstaal en intonatie voor C zijn minstens even belangrijk als boodschap zelf
3.2.6 Gedrag
• Hechting aan bepaalde persoon
• Sociale spelletjes
• Imitatiegedrag
• Exploratiegedrag
Joint attention/ gedeelde aandacht twee of meer personen richten samen hun aandacht op hetzelfde object, gebeurtenis of
onderwerp, en dat ze zich bewust zijn van elkaars aandacht hiervoor. Dit is in deze fase moeilijk
Ontstaan probleemgedrag ontstaat vaak uit frustratie of angst in sociale situaties waarin veiligheid, rust, nabijheid of
structuur ontbreken. De persoon heeft zijn emoties nog niet onder controle en reageert
impulsief naar de omgeving (voorwerpen, personen of zichzelf). Dit gedrag is niet doelgericht,
maar een uiting van onmacht of een test van de betrouwbaarheid van de begeleider
Symbiose toestand waarin de cliënt en de belangrijke ander (zoals de begeleider) als het ware één geheel
vormen. De cliënt voelt zich pas veilig wanneer de ander nabij is en kan nog niet zelfstandig
functioneren of zich losmaken
Ambivalent gedrag Tegelijkertijd behoefte hebben aan nabijheid én afstand. De cliënt zoekt contact met de
begeleider, maar kan die ook afstoten uit angst voor afwijzing of verlies van controle. Dit komt
voort uit onzekerheid in de hechting
Separatieangst angst die ontstaat wanneer de cliënt gescheiden wordt van zijn belangrijke ander. Dit kan leiden
tot onrust, verdriet of probleemgedrag, omdat de cliënt de nabijheid nodig heeft om zich veilig
te voelen
Holding Het vasthouden van de cliënt, niet per se fysiek, maar emotioneel door nabij te blijven, rust en
veiligheid uit te stralen en de relatie te behouden, ook bij moeilijk gedrag. Het betekent “de
cliënt dragen” in stressvolle momenten
4
H1: Emotionele Ontwikkeling aan de hand van
Het psychodynamisch ontwikkelingsmodel
van Došen
2 INLEIDING
2.1 ANTON DOŠEN
• Kinderpsychiater
• Stelde vast dat een hoog percentage van de personen met een verstandelijke beperking meer kans hebben tot het ontwikkelen van
psychische problemen
• Klassieke diagnostische instrumenten (bv: DSM) schoten tekort aan deze doelgroep → ontwikkelingsdynamische en integratieve
benadering opgesteld door Došen om psychische problemen bij mensen met een bepekring te begrijpen en behandelen
2.2 ONTWIKKELINGSDYNAMISCHE BENADERING
Ontwikkelingsdynamische benadering visie opgesteld door Anton
Došen die de discrepantie
tussen cognitieve
(weten/kunnen) en
emotionele ontwikkeling
(aankunnen) bij psychische
of gedragsproblemen
centraal stelt, en de bio-psychosociale ontwikkelingsdynamiek gebruikt als basis voor diagnose
en behandeling
• Hoe handelen volgens model?
o Sensitief responsief zijn ten aanzien van de cliënten
o Zoeken naar de onderliggende betekenis van et gedrag
o Kijken naar de hulpvraag van cliënt (en context)
o Inzicht hebben in emotionele ontwikkeling om gedrag te kunnen begrijpen
o …
2.3 EMOTIONELE ONTWIKKELINGSFASEN
• Došen heeft verschillende modellen, zoals het model van cognitieve ontwikkeling van Piaget, model voor hechtingsontwikkeling van
Bolwby,… naast elkaar gelegd en kwam zo tot een eigen ontwikkelingsmodel voor het beschrijven van de emotionele ontwikkeling
• Model bestaat uit 5 fasen:
1. 1e fase: Adaptatiefase (0-6 maanden)
2. 2e fase: Hechtingsfase (6-18 maanden)
3. 3e fase: Individuatiefase (18-36 maanden)
4. 4e fase: Identificatiefase (3-7 j)
5. 5e fase: Realiteitsbewustwordingsfase (7-12 j)
• Door toenemende interesse voor dit model zijn er recentelijk 2 fasen toegevoegd:
6. 6e fase: Sociale autonomie (12-17j)
7. 7e fase: Sociale verantwoordelijkheidsfase (17-25j)
3 DE EERSTE 5 EMOTIONELE ONTWIKKELINGSFASEN
3.1 ADAPTIEFASE
• 0-6 maand
1
, • Personen bevinden zich in een spanningsveld tussen homeostase (evenwicht) en disregulatie (ontregeling)
o Ontwikkelingstaken van de persoon zelf:
▪ Intern evenwicht bereiken en behouden
▪ Spanning hanteren
▪ Veiligheid en rust vinden
• Men is zich fysiek aan het aanpassen aan de buitenwereld
o Gevoelig voor zintuigelijke prikkels
Spanningsveld fase 1 homeostase (evenwicht) en disregulatie (ontregeling)
Sensorische integratie het opnemen van de verschillende prikkels en deze verwerken en opnemen
• Regelen van innerlijke spanningsniveau heel belangrijk
o Men tracht zich namelijk continu aan te passen en er dat kost veel energie
Hypo- of hyperarousal wanneer er sprake is van een ontregeld innerlijk spanningsniveau bij cliënten
3.1.1 Kerntaak van de begeleider
• Nadruk leggen op het reguleren van de innerlijke spanning
• Persoon helpen zijn/ haar evenwicht terug te helpen bereiken
• Sensitief responsief zijn op de signalen die wijzen dat persoon uit evenwicht is
o Ingrijpen en rust creëren
3.1.2 Afstand- nabijheid
• Mensen in adaptiefase hebben veel nood aan nabijheid en samen te ‘zijn’
o Ze hebben nog geen eigen ‘ik-identiteit’
▪ Iets alleen doen is dus erg moeilijk
• Nabijheid en responsiviteit van de HV is zeer belangrijk
o Contact met de volwassenen verloopt via nabijheidzintuigen
o HV zorgt voor de primaire behoeften, zoals rust, voeding maar ook de basale veiligheid
3.1.3 Structuur en grenzen
• Structuren bieden om een gevoel van basisveiligheid te creëren
• Voorspelbaarheid, herkenbaarheid en duidelijkheid moeten de overhand hebben
o Bij deze C is er vaak beginnend dagverloop, ruimtes,…
• Belang van een overzichtelijke en eenvoudige, zich herhalende structuur van ruimte, tijd en personen waarin een vast ritme van rust
en activiteit te vinden is
Structuur Binnen de begeleiding betekent structuur het bieden van voorspelbaarheid, herkenbaarheid en
duidelijkheid in tijd, ruimte en personen. Dit helpt cliënten om zich veilig te voelen en houvast
te vinden door een vast ritme van rust en activiteit. Structuur houdt ook grenzen in, niet als
straf, maar om zekerheid en stabiliteit te bevorderen. Bv: het gebruik van beveiligingsmiddelen
Beveiligingsmiddelen hulpmiddelen die tijdelijk worden ingezet om de veiligheid en rust van een cliënt te waarborgen
wanneer hij of zij zichzelf dreigt te verliezen. Ze worden niet gebruikt als straf, maar als middel
om bescherming en stabiliteit te bieden, en zo kort mogelijk toegepast. Bv: fixatie,
afzonderingsruimte, …
3.1.4 Activiteiten
Prikkeldosering de omgeving gaat bewust prikkels afstemmen op de draagkracht van C. Het doel is een
evenwicht te vinden tussen inspanning en ontspanning, waarbij prikkelarme omstandigheden
vaak nodig zijn om rust te bewaren
Onderprikkeling ontstaat wanneer een cliënt te weinig prikkels ontvangt, waardoor gevoelens van leegte,
verveling of onrust kunnen ontstaan. Het is daarom belangrijk om voldoende aangepaste
prikkels aan te bieden om betrokkenheid, alertheid en welzijn te bevorderen
2
,Overprikkeling treedt op wanneer een cliënt meer prikkels ontvangt dan hij of zij kan verwerken. Dit kan leiden
tot spanning, vermoeidheid, teruggetrokken gedrag of emotionele uitbarstingen. Het is daarom
belangrijk om prikkels te verminderen en een rustige, voorspelbare omgeving te creëren
• Als HV streven naar evenwicht tussen inspanning en ontspanning
o Duur van activiteiten moet soepel aangepast kunnen worden
• Binnen deze EO-fase zijn basale, lichaamsgerichte en belevingsgerichte activiteiten het meest geschikt, bijvoorbeeld snoezelruimtes
3.1.5 Communicatie
• C hebben erg beperkte verbaliteit
o Als HV alerte houding voor non-verbale signalen
• C niet overschatten bij het gebruik van visualisaties
o De focus ligt veelal op het hier en nu! Dit betekent dat informatie over (voorbije of) toekomstige zaken verwarrend kan
werken
3.1.6 Gedrag
• Gedrag volledig in functie van de ontwikkelingstaken van deze fase
• Er is een ruime range aan gedragingen die kunnen voorkomen en die als normaal, meer of minder problematisch kunnen worden
gezien, zoals:
o Super-gevoelig
o Prikkelgevoelig
o Fysiologische (dies)regulatie
o Agressie om interne spanning te reguleren
o …
Ontstaan probleemgedrag wanneer het spanningsniveau van de cliënt ontregeld raakt door over- of onderprikkeling,
lichamelijke prikkels of grote opwinding, soms zonder duidelijke aanleiding. Dit gedrag is een
manier om innerlijke spanning te reguleren en kan zich uiten in agressie, zelfbeschadiging of
vastklampen aan zorgfiguren. Het gedrag is niet doelgericht of bewust kwetsend, maar een
uitdrukking van ontreddering en een tekort aan emotionele regulatie
3.2 HECHINGSFASE
• 6- 18 maand
• Personen bevinden zich in een spanningsveld tussen vertrouwen versus wantrouwen
o Ontwikkelingstaken van de persoon zelf:
▪ Zich hechten aan iemand
▪ Vertrouwensband leren opbouwen
▪ Exploreren/ verkennen
▪ Dingen leren en onder de knie krijgen
Spanningsveld fase 2 vertrouwen versus wantrouwen
We-dentitie Mensen binnen deze fase gaan als het ware in symbiose met hun ‘belangrijke ander’ (vaste
zorgfiguren) om zich veilig te voelen, ze hebben dus nog geen eigen “ik” en kunnen niet
functioneren zonder begeleider/ouder in de buurt. Alle energie en aandacht gaat naar de
verbinding met de ‘belangrijke ander’
Testgedrag vaak gaan cliënten de band gaan ‘testen’ met een nieuwe HV die ze ontmoeten, bijvoorbeeld
een stagiair die begint op een nieuwe plaats gaat ‘getest’ worden door een persoon met een
hechtingsproblematiek
3.2.1 Kerntaak van de begeleider
Cirkelen begeleidingsmethode waarbij de begeleider voortdurend emotioneel beschikbaar blijft binnen
het gehoor- of gezichtsveld van de cliënt, om zo veiligheid en vertrouwen te bieden
3
, 3.2.2 Afstand-Nabijheid
• Nood aan veiligheid, vertrouwen, nabijheid
• Als HV is het belangrijk om duidelijk te zijn in je beschikbaarheid: dus waar, wanneer, hoe,.. Je beschikbaar bent → biedt perspectief
en bewaakt over de haalbaarheid voor alle partijen
Be-trouwen als begeleider betrouwbaar en voorspelbaar aanwezig zijn, zodat de cliënt weet wanneer en
hoe je beschikbaar bent. Door nabijheid te bieden wanneer nodig en ruimte te laten wanneer
mogelijk, groeit het gevoel van veiligheid en vertrouwen. De begeleider wijst de cliënt nooit af,
maar biedt een stabiele, beschermende aanwezigheid die niet beperkend aanvoelt
3.2.3 Structuur en grenzen
• Belangrijk als houvast
• Visuele ondersteuning van gemaakte afspraken kan helpen om de structuur van de cliënt letterlijk en figuurlijk te onthouden
• Bieden van structuur tijdens overgangsmomenten
• Als HV bieden van preventieve begrenzing om zo veiligheid en vertrouwen te waarborgen
• Ingrijpen wanneer het escaleert
3.2.4 Activiteiten
• Eenvoudige, terugkerende activiteiten
• Belang van samen dingen doen
• Begeleidingsintensiteit steeds aanpassen aan draagkracht C
• Niet te veel focussen op vaardigheden C
3.2.5 Communicatie
• C opnieuw niet overschatten in de verbalen mogelijkheden
o Verbale mogelijkheden kunnen veel maskeren
• Lichaamstaal en intonatie voor C zijn minstens even belangrijk als boodschap zelf
3.2.6 Gedrag
• Hechting aan bepaalde persoon
• Sociale spelletjes
• Imitatiegedrag
• Exploratiegedrag
Joint attention/ gedeelde aandacht twee of meer personen richten samen hun aandacht op hetzelfde object, gebeurtenis of
onderwerp, en dat ze zich bewust zijn van elkaars aandacht hiervoor. Dit is in deze fase moeilijk
Ontstaan probleemgedrag ontstaat vaak uit frustratie of angst in sociale situaties waarin veiligheid, rust, nabijheid of
structuur ontbreken. De persoon heeft zijn emoties nog niet onder controle en reageert
impulsief naar de omgeving (voorwerpen, personen of zichzelf). Dit gedrag is niet doelgericht,
maar een uiting van onmacht of een test van de betrouwbaarheid van de begeleider
Symbiose toestand waarin de cliënt en de belangrijke ander (zoals de begeleider) als het ware één geheel
vormen. De cliënt voelt zich pas veilig wanneer de ander nabij is en kan nog niet zelfstandig
functioneren of zich losmaken
Ambivalent gedrag Tegelijkertijd behoefte hebben aan nabijheid én afstand. De cliënt zoekt contact met de
begeleider, maar kan die ook afstoten uit angst voor afwijzing of verlies van controle. Dit komt
voort uit onzekerheid in de hechting
Separatieangst angst die ontstaat wanneer de cliënt gescheiden wordt van zijn belangrijke ander. Dit kan leiden
tot onrust, verdriet of probleemgedrag, omdat de cliënt de nabijheid nodig heeft om zich veilig
te voelen
Holding Het vasthouden van de cliënt, niet per se fysiek, maar emotioneel door nabij te blijven, rust en
veiligheid uit te stralen en de relatie te behouden, ook bij moeilijk gedrag. Het betekent “de
cliënt dragen” in stressvolle momenten
4