1.2.1 DE ALINEA
ALINEA
= een afgerond tekstgeheel dat zich richt op één specifiek onderwerp of een aspect
daarvan.
Elke alinea bevat een kernzin, dit is de belangrijkste zin.
De overige zinnen dienen ter verduidelijking van de kernzin
Tip: Zorg voor een witregel tussen alinea's om de leesbaarheid te vergroten.
1.2.2 Kenmerken van een goede alinea
Lengte: De lengte mogen niet te kort of te lang zijn.
Gemiddeld een vijftal regels bevatten.
Inhoud: De inhoud van alinea's wordt bepaald op basis van het tekstschema.
Kernzin: De kernzin is meestal de eerste of laatste zin van de alinea7.
Begin: Een alinea begint zelden met verwijswoorden zoals 'deze', 'die' of
'dat'.
1.2.3 Paragraaf
Meerdere alinea's worden gecombineerd tot paragrafen.
Een paragraaf is een grotere tekstuele eenheid en wordt doorgaans voorafgegaan
door een paragraafnummer en een titel .
1.2.4 Soorten alinea's
Verbindende alinea: geeft een bondige, situerende vooruitblik en geeft
structuur.
Thematische alinea: informeert over een aspect van het tekstonderwerp.
ALINEA = thematische eenheid
- bestaat uit zinnen die bij elkaar horen en samen deelaspect van
tekstonderwerp bevatten
- geven tekst preciezere structuur
- kleinste eenheid van tekst
,2.1 Toon en professionaliteit
Academisch schrijven vereist een zakelijke, neutrale en professionele toon. Dit
betekent het vermijden van subjectieve of informele taalgebruik.
2.1.1 Het vermijden van persoonlijke voornaamwoorden
Het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden zoals 'ik', 'wij' of 'men' kan de
onpersoonlijke toon aantasten. In plaats daarvan kan beter gekozen worden voor
een passieve constructie of een meer abstracte formulering.
Vermijd: Ik vond het vandaag erg leerrijk maar ook vermoeiend.
Gebruik: Het onderzoek op die dag werd als leerrijk, doch vermoeiend
ervaren.
2.1.2 Beschrijven van handelingen met werkwoorden
Handelingen dienen bij voorkeur omschreven te worden met werkwoorden in plaats
van substantieven om directheid te bevorderen.
Vermijd: De gevraagde doorlooptijd vormt een belemmering voor het goed
uitvoeren van de opdracht.
Gebruik: De gevraagde doorlooptijd belemmert de goede uitvoering van de
opdracht.
, 2.2.1 VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verbinden zinsdelen en zinnen door te verwijzen naar eerder
genoemde elementen, waardoor herhalingen worden voorkomen.
Voorbeelden: hun, zij, hij, die, dat.
Hij heeft een kortfilm gemaakt. DIE film heeft HEM veel
aanzien bezorgd.
Gebruik van verwijswoorden voor persoonlijk en onpersoonlijk
voornaamwoord:
Beiden/beide: Gebruikt voor twee entiteiten. Bijvoorbeeld: "Beiden/beide
werden gebruikt om de waterkwaliteit te bepalen." (verwijzend naar
ingrediënten). "Beiden/beide besloten om de nieuwe zuiveringstechniek te
hanteren." (verwijzend naar onderzoekers).
Enkelen/enkele: "Enkelen/enkele waren geschikt, de meeste/meesten waren
ongeschikt bevonden." (verwijzend naar kandidaten).
Allen/alle: Allen/alle studenten begonnen enthousiast aan de studie, maar
velen/vele namen het te licht op.
Alle/allen: Het is duidelijk dat ze allen/alle blaken van gezondheid.
(verwijzend naar paarden op een biologische boerderij).
Beide/beiden: De kantines werden beide/beiden grondig schoongemaakt.
Kleineren/kleinere: Bedrijven met weinig werknemers zijn gevoelig voor
recessie, vooral de kleineren/kleinere.
Gebruik van 'dat', 'wat' en 'die':
'Dat' of 'die': Wordt gebruikt om te verwijzen naar het antecedent dat direct
ervoor staat.
Wat': Wordt gebruikt om te verwijzen naar een gehele gedachte of een feit
dat eerder genoemd is. Het kan ook gebruikt worden om een algemeen
begrip aan te duiden.
De accountant had vergeten het apparaat te verzekeren, wat/dat/die hem
door de brand duizend euro kostte. (verwijzend naar het vergeten
verzekeren).
Dit is het moeilijkste dat/wat/die de landbouwer sinds de zuivelcrisis van
2017 heeft meegemaakt.
Er is niets dat/wat/die de journalist onberoerd laat.
ALINEA
= een afgerond tekstgeheel dat zich richt op één specifiek onderwerp of een aspect
daarvan.
Elke alinea bevat een kernzin, dit is de belangrijkste zin.
De overige zinnen dienen ter verduidelijking van de kernzin
Tip: Zorg voor een witregel tussen alinea's om de leesbaarheid te vergroten.
1.2.2 Kenmerken van een goede alinea
Lengte: De lengte mogen niet te kort of te lang zijn.
Gemiddeld een vijftal regels bevatten.
Inhoud: De inhoud van alinea's wordt bepaald op basis van het tekstschema.
Kernzin: De kernzin is meestal de eerste of laatste zin van de alinea7.
Begin: Een alinea begint zelden met verwijswoorden zoals 'deze', 'die' of
'dat'.
1.2.3 Paragraaf
Meerdere alinea's worden gecombineerd tot paragrafen.
Een paragraaf is een grotere tekstuele eenheid en wordt doorgaans voorafgegaan
door een paragraafnummer en een titel .
1.2.4 Soorten alinea's
Verbindende alinea: geeft een bondige, situerende vooruitblik en geeft
structuur.
Thematische alinea: informeert over een aspect van het tekstonderwerp.
ALINEA = thematische eenheid
- bestaat uit zinnen die bij elkaar horen en samen deelaspect van
tekstonderwerp bevatten
- geven tekst preciezere structuur
- kleinste eenheid van tekst
,2.1 Toon en professionaliteit
Academisch schrijven vereist een zakelijke, neutrale en professionele toon. Dit
betekent het vermijden van subjectieve of informele taalgebruik.
2.1.1 Het vermijden van persoonlijke voornaamwoorden
Het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden zoals 'ik', 'wij' of 'men' kan de
onpersoonlijke toon aantasten. In plaats daarvan kan beter gekozen worden voor
een passieve constructie of een meer abstracte formulering.
Vermijd: Ik vond het vandaag erg leerrijk maar ook vermoeiend.
Gebruik: Het onderzoek op die dag werd als leerrijk, doch vermoeiend
ervaren.
2.1.2 Beschrijven van handelingen met werkwoorden
Handelingen dienen bij voorkeur omschreven te worden met werkwoorden in plaats
van substantieven om directheid te bevorderen.
Vermijd: De gevraagde doorlooptijd vormt een belemmering voor het goed
uitvoeren van de opdracht.
Gebruik: De gevraagde doorlooptijd belemmert de goede uitvoering van de
opdracht.
, 2.2.1 VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verbinden zinsdelen en zinnen door te verwijzen naar eerder
genoemde elementen, waardoor herhalingen worden voorkomen.
Voorbeelden: hun, zij, hij, die, dat.
Hij heeft een kortfilm gemaakt. DIE film heeft HEM veel
aanzien bezorgd.
Gebruik van verwijswoorden voor persoonlijk en onpersoonlijk
voornaamwoord:
Beiden/beide: Gebruikt voor twee entiteiten. Bijvoorbeeld: "Beiden/beide
werden gebruikt om de waterkwaliteit te bepalen." (verwijzend naar
ingrediënten). "Beiden/beide besloten om de nieuwe zuiveringstechniek te
hanteren." (verwijzend naar onderzoekers).
Enkelen/enkele: "Enkelen/enkele waren geschikt, de meeste/meesten waren
ongeschikt bevonden." (verwijzend naar kandidaten).
Allen/alle: Allen/alle studenten begonnen enthousiast aan de studie, maar
velen/vele namen het te licht op.
Alle/allen: Het is duidelijk dat ze allen/alle blaken van gezondheid.
(verwijzend naar paarden op een biologische boerderij).
Beide/beiden: De kantines werden beide/beiden grondig schoongemaakt.
Kleineren/kleinere: Bedrijven met weinig werknemers zijn gevoelig voor
recessie, vooral de kleineren/kleinere.
Gebruik van 'dat', 'wat' en 'die':
'Dat' of 'die': Wordt gebruikt om te verwijzen naar het antecedent dat direct
ervoor staat.
Wat': Wordt gebruikt om te verwijzen naar een gehele gedachte of een feit
dat eerder genoemd is. Het kan ook gebruikt worden om een algemeen
begrip aan te duiden.
De accountant had vergeten het apparaat te verzekeren, wat/dat/die hem
door de brand duizend euro kostte. (verwijzend naar het vergeten
verzekeren).
Dit is het moeilijkste dat/wat/die de landbouwer sinds de zuivelcrisis van
2017 heeft meegemaakt.
Er is niets dat/wat/die de journalist onberoerd laat.