HOOFDSTUK 4: HET DOMEIN BEELD
1 DE BOUWSTENEN VAN BEELD
1.1 EEN OVERZICHT
7 bouwstenen van beeld:
1. Kleur
= de kleur van materie, primaire en secundaire kleuren, kleurtinten en
kleurverzadiging
2. Textuur
= de weergave van een oppervlak in een twee- of driedimensionaal werk
3. Lijn
= een verbinding tussen twee punten. Er zijn verschillende lijnsoorten
4. Ruimte
= de ruimte innemen of de ruimte suggereren in een plat vlak
5. Vorm
= de uiterlijke gedaante, in het vlak bepaalt de omtreklijn de vorm, in de ruimte
zijn dit vlakken
6. Licht
= het spelen met donker en licht, schaduw en lichtinval in beeldend werk
7. Compositie
= de ordening van elementen in het vlak of de ruimte
= door de vormgeving kan je verschillende effecten oproepen: contrast, beweging,
…
1.2 KLEUR
WAT IS KLEUR?
Hiermee beschrijf je de uiterlijke kleur van de materie, het oppervlak
Zonder licht = kan je geen kleur zien
Kleur van het licht beïnvloedt de kleur die je waarneemt
Kleur = de kleur van een oppervlak bij wit licht
DE KLEURENCIRKEL
Alle kleuren bij elkaar = kleurencirkel van Itten
Hulpmiddel om kleuren en hun relaties te begrijpen
Primaire kleuren = geel, rood, blauw
Kan je niet mengen uit andere kleuren
Secundaire kleuren = ontstaan door twee primaire kleuren te mengen
Oranje, groen, paars
Tertiaire kleuren = mengeling van een primaire kleur en een aangrenzende
secundaire kleur
Geelgroen, roodpaars, blauwgroen
,ZWART, WIT EN GRIJS?
Theoretisch geen kleuren
Zwart + wit = grijs (lichtgrijs en donkergrijs)
KLEURENCONTRASTEN
Contrasten = tegenstellingen van kleuren
Complementaire kleuren = liggen tegenover elkaar (rood en groen)
Versterken elkaar
Warm – koud contrast: warme kleuren (rood, geel) vs. Koude kleuren (blauw,
groen)
Zorgen voor spanning en opvallendheid
KLEURTINTEN EN KLEURTONEN
Kleurtint = wanneer je een kleur met een tweede kleur mengt
Tint = kleur + wit (lichter)
Schaduw = kleur + zwart (donkerder)
Verzadiging = helderheid van een kleur (van fel naar dof en omgekeerd)
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende kleuren onderscheiden en benoemen: rood, oranje, geel, groen,…
- Verschillende kleuren gebruiken in eigen werk
- Experimenteren met het mengen van kleuren
1.3 TEXTUUR
WAT IS TEXTUUR?
= hoe een oppervlak aanvoelt of eruitziet: glad, ruw, zacht, hard,…
Soorten textuur:
Tweedimensionaal: zichtbaar, niet echt voelen (tekening, schilderij) =
textuursuggestie
Driedimensionaal: voelbaar (beeldhouwwerk, collage, bolster)
Fantasietexturen: texturen die er van nature niet bij horen (een zachte thee tas)
Textuurtechnieken:
Krassen, stempelen, wrijven, drukken
, Textuur kan echt of gesuggereerd zijn
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende texturen beleven en beschrijven hoe ze aanvoelen: hard, zacht,
glad, ruw, harig, stekelig,…
- Door middel van verschillende technieken (krassen, stempelen, wrijven, tekenen)
een eenvoudige textuur weergeven
1.4 LIJN
WAT IS EEN LIJN?
Een verbinding van punten
Dik, dun, recht, gebogen
Kan richting, beweging en emotie tonen
Lijnstructuur
= ontstaat als je verschillende lijnen bij elkaar brengt of herhaalt
- er kan ritme en structuur ontstaan
- ontstaat om een oppervlak weer te geven, zoals de golven van de zee
lijnvoering
= hoe je de lijn aanbrengt
- kan soepen met een pen of ruw met een kwast
- kracht waarmee je dit doet bepaalt de lijnvoering; ruw, hard, soepel, vloeiend
LIJNSOORTEN
Recht, gebogen, golvend, zigzag
Dik/dun, lang/kort
Doorlopend, stippenlijn
Spiraal
FUNCTIES VAN LIJNEN
Contour aangeven
Beweging weergeven (bv in cartoon)
Structuur en beweging tonen
Richting en spanning creëren
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende lijnen herkennen in de eigen omgeving en in beeldend werk waarin
dit duidelijk aanwezig is
- Verschillende soorten punten en lijnen tekenen en gebruiken in eigen werk
1.5 RUIMTE
1 DE BOUWSTENEN VAN BEELD
1.1 EEN OVERZICHT
7 bouwstenen van beeld:
1. Kleur
= de kleur van materie, primaire en secundaire kleuren, kleurtinten en
kleurverzadiging
2. Textuur
= de weergave van een oppervlak in een twee- of driedimensionaal werk
3. Lijn
= een verbinding tussen twee punten. Er zijn verschillende lijnsoorten
4. Ruimte
= de ruimte innemen of de ruimte suggereren in een plat vlak
5. Vorm
= de uiterlijke gedaante, in het vlak bepaalt de omtreklijn de vorm, in de ruimte
zijn dit vlakken
6. Licht
= het spelen met donker en licht, schaduw en lichtinval in beeldend werk
7. Compositie
= de ordening van elementen in het vlak of de ruimte
= door de vormgeving kan je verschillende effecten oproepen: contrast, beweging,
…
1.2 KLEUR
WAT IS KLEUR?
Hiermee beschrijf je de uiterlijke kleur van de materie, het oppervlak
Zonder licht = kan je geen kleur zien
Kleur van het licht beïnvloedt de kleur die je waarneemt
Kleur = de kleur van een oppervlak bij wit licht
DE KLEURENCIRKEL
Alle kleuren bij elkaar = kleurencirkel van Itten
Hulpmiddel om kleuren en hun relaties te begrijpen
Primaire kleuren = geel, rood, blauw
Kan je niet mengen uit andere kleuren
Secundaire kleuren = ontstaan door twee primaire kleuren te mengen
Oranje, groen, paars
Tertiaire kleuren = mengeling van een primaire kleur en een aangrenzende
secundaire kleur
Geelgroen, roodpaars, blauwgroen
,ZWART, WIT EN GRIJS?
Theoretisch geen kleuren
Zwart + wit = grijs (lichtgrijs en donkergrijs)
KLEURENCONTRASTEN
Contrasten = tegenstellingen van kleuren
Complementaire kleuren = liggen tegenover elkaar (rood en groen)
Versterken elkaar
Warm – koud contrast: warme kleuren (rood, geel) vs. Koude kleuren (blauw,
groen)
Zorgen voor spanning en opvallendheid
KLEURTINTEN EN KLEURTONEN
Kleurtint = wanneer je een kleur met een tweede kleur mengt
Tint = kleur + wit (lichter)
Schaduw = kleur + zwart (donkerder)
Verzadiging = helderheid van een kleur (van fel naar dof en omgekeerd)
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende kleuren onderscheiden en benoemen: rood, oranje, geel, groen,…
- Verschillende kleuren gebruiken in eigen werk
- Experimenteren met het mengen van kleuren
1.3 TEXTUUR
WAT IS TEXTUUR?
= hoe een oppervlak aanvoelt of eruitziet: glad, ruw, zacht, hard,…
Soorten textuur:
Tweedimensionaal: zichtbaar, niet echt voelen (tekening, schilderij) =
textuursuggestie
Driedimensionaal: voelbaar (beeldhouwwerk, collage, bolster)
Fantasietexturen: texturen die er van nature niet bij horen (een zachte thee tas)
Textuurtechnieken:
Krassen, stempelen, wrijven, drukken
, Textuur kan echt of gesuggereerd zijn
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende texturen beleven en beschrijven hoe ze aanvoelen: hard, zacht,
glad, ruw, harig, stekelig,…
- Door middel van verschillende technieken (krassen, stempelen, wrijven, tekenen)
een eenvoudige textuur weergeven
1.4 LIJN
WAT IS EEN LIJN?
Een verbinding van punten
Dik, dun, recht, gebogen
Kan richting, beweging en emotie tonen
Lijnstructuur
= ontstaat als je verschillende lijnen bij elkaar brengt of herhaalt
- er kan ritme en structuur ontstaan
- ontstaat om een oppervlak weer te geven, zoals de golven van de zee
lijnvoering
= hoe je de lijn aanbrengt
- kan soepen met een pen of ruw met een kwast
- kracht waarmee je dit doet bepaalt de lijnvoering; ruw, hard, soepel, vloeiend
LIJNSOORTEN
Recht, gebogen, golvend, zigzag
Dik/dun, lang/kort
Doorlopend, stippenlijn
Spiraal
FUNCTIES VAN LIJNEN
Contour aangeven
Beweging weergeven (bv in cartoon)
Structuur en beweging tonen
Richting en spanning creëren
WAT LEREN DE KLEUTERS?
- Verschillende lijnen herkennen in de eigen omgeving en in beeldend werk waarin
dit duidelijk aanwezig is
- Verschillende soorten punten en lijnen tekenen en gebruiken in eigen werk
1.5 RUIMTE