100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4.2 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Vastgoedeconomie - Minor makelaardij

Beoordeling
-
Verkocht
1
Pagina's
44
Geüpload op
28-12-2025
Geschreven in
2025/2026

Duidelijke standaardformules vermeld en voorbeelden met de formules. Hoofdstuk 1 t/m 8 College 1 t/m 7 (allemaal)

Instelling
Vak











Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
28 december 2025
Aantal pagina's
44
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting

Onderwerpen

Voorbeeld van de inhoud

College 1 vastgoedeconomie
Vastgoedontwikkeling in Nederland sinds 1800
1. Pre-industriële periode (1800–1850)
In deze fase was Nederland vooral agrarisch. Steden krompen en kenden slechte woonomstandigheden, zoals de vochtige
kelderwoningen in de Jordaan. Handel verliep via grachten met pakhuizen, bijvoorbeeld aan de Brouwersgracht of in Deventer. Op het
platteland lagen esdorpen met akkers (essen) en boerderijen, omgeven door het kleinschalige kampenlandschap met houtwallen.
Landbouw was gemengd en nauwelijks gemechaniseerd. Kortom: een tijd van traditionele dorpsstructuren, eenvoudige landbouw en
stedelijke handel die draaide op pakhuizen.

Kernbegrippen:
o Esdorpen: dorpen op zandgronden met akkers (essen) en gegroepeerde boerderijen.
o Kampenlandschap: kleinschalige akkers met houtwallen.
o Pakhuizen: opslag voor graan, bier en koloniale waren langs grachten.
o Kelderwoningen: goedkope, vochtige woningen deels onder straatniveau.

Extra duiding: steden kenden slechte woonomstandigheden; pakhuizen waren cruciaal voor handel via waterwegen.

2. Vroege industrialisatie (1850–1900)
In deze fase veranderde Nederland snel door spoorwegen en de groei van de textielindustrie. In steden verschenen nieuwe
arbeiderswijken, zoals De Pijp in Amsterdam met goedkope revolutiebouw, en het groene Agnetapark in Delft als tuindorp. In Oost-
Nederland bloeiden textielfabrieken van Van Heek, Menko en Jannink, ondersteund door de spoorlijn Almelo–Salzbergen die handel
met Duitsland mogelijk maakte. Op het platteland ontstonden landbouwcoöperaties, begon schaalvergroting en scheidden melkvee
en akkerbouw zich. Deze periode markeerde de overgang naar urbanisatie en specialisatie, met spoorwegen als motor van verbinding
en groei.

Kernbegrippen:
o Revolutiebouw: snelle, goedkope woningbouw in lange rijen.
o Tuindorp: groene woonwijk voor gezondere leefomstandigheden.
o Spoor Almelo–Salzbergen: cruciale verbinding Twente–Duitsland voor textielindustrie.
o Landbouwcoöperaties: boeren bundelen krachten voor inkoop/verkoop.

Extra duiding: industrialisatie leidde tot urbanisatie en arbeiderswijken; spoorwegen verbonden regio’s met Duitsland en de Randstad.

3. Sociale hervormingen (1900–1945)
In deze fase bracht de Woningwet van 1901 een omslag: slechte woningen moesten verdwijnen en sociale woningbouw kwam op
gang. Gezondere woonmilieus ontstonden in tuindorpen zoals Vreewijk (Rotterdam) en Betondorp (Amsterdam), en in Oost-
Nederland bij ’t Lansink in Hengelo en de arbeiderswijken van Roombeek (Enschede). Op het platteland begon de mechanisatie,
ondersteund door boerenleenbanken voor krediet, en de eerste ruilverkavelingen maakten landbouwgrond efficiënter. Deze periode
stond dus in het teken van betere huisvesting en modernisering van de landbouw.

Kernbegrippen:
o Woningwet (1901): sanering slechte woningen, stimulans sociale woningbouw.
o Volksgezondheid: aandacht voor licht, lucht en hygiëne.
o Boerenleenbanken: kredietinstellingen voor boeren (later Rabobank).
o Ruilverkaveling: efficiëntere indeling landbouwgrond.

Extra duiding: tuindorpen boden gezonde woonmilieus; woningwet stimuleerde sociale woningbouw.

4. Naoorlogse wederopbouw (1945–1970)
In deze fase moest Nederland de woningnood snel oplossen. Met systeembouw en hoogbouw kwamen grootschalige projecten tot
stand, zoals de Bijlmer in Amsterdam en Pendrecht in Rotterdam. In de Achterhoek verschenen wederopbouwboerderijen om
oorlogsschade te herstellen. De landbouw werd sterk geïndustrialiseerd: grootschalige ruilverkaveling, gebruik van kunstmest en
tractors, en een productiegericht beleid. Kortom, een periode van massale woningbouw en modernisering van het platteland.

Kernbegrippen:
o Systeembouw: prefab, gestandaardiseerd bouwen.
o Hoogbouw: flats en torens voor woningnood.
o Wederopbouwboerderijen: sobere, functionele boerderijen na oorlogsschade.
o Kunstmest: chemische meststoffen voor hogere productie.

Extra duiding: massale woningbouwprogramma’s; landbouw werd sterk geïndustrialiseerd.

,5. Suburbanisatie & groeikernen (1970–1990)
In deze fase verschoof de groei naar nieuwe woonwijken buiten de stad. Bloemkoolwijken met kronkelige straten en woonerven
boden een informele opzet, terwijl groeikernen zoals Almere-Haven de bevolkingsdruk opvingen. In Oost-Nederland verschenen
projecten als de Kasbah en Groot Driene in Hengelo en woonerven in Enschede-Zuid. Op het platteland nam de veehouderij sterk toe,
maar door leegloop en monoculturen werd het landschap eenzijdiger. Kortom: suburbanisatie bracht nieuwe woonvormen en
schaalvergroting in de landbouw.

Kernbegrippen:
o Bloemkoolwijken: kronkelige straten en woonerven, lijkend op bloemkoolstructuur. Tegen verkeer
o Groeikernen: nieuwe steden/dorpen om bevolkingsgroei op te vangen (bijv. Almere).
o Woonerven: straten waar auto’s te gast zijn.
o Monoculturen: landbouw gericht op één product.

Extra duiding: suburbanisatie leidde tot nieuwe groeikernen; bloemkoolwijken kenmerkten zich door informele opzet.

6. Liberalisering & VINEX (1990–2008)
In deze fase kregen woningcorporaties meer zelfstandigheid en werd marktwerking gestimuleerd. Grote VINEX-locaties zoals Leidsche
Rijn in Utrecht zorgden voor nieuwe uitbreidingswijken, terwijl de Zuidas in Amsterdam uitgroeide tot internationaal zakendistrict. In
Oost-Nederland vond herontwikkeling plaats in Roombeek (Enschede) en uitbreidingen in Hengelo. Op het platteland kwamen
stoppersregelingen en kregen erven nieuwe functies, zoals zorg, horeca of wonen. Kortom: een periode van grootschalige nieuwbouw,
meer autonomie voor corporaties en multifunctioneel gebruik van agrarisch vastgoed.

Kernbegrippen:
o VINEX-locaties: grootschalige nieuwbouwwijken (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, 1993).
o Zuidas: internationaal zakendistrict Amsterdam.
o Stoppersregelingen: subsidies voor boeren die stoppen.
o Multifunctioneel agrarisch vastgoed: nieuwe functies voor boerderijen (zorg, horeca, recreatie).

Extra duiding: VINEX zorgde voor uitbreidingswijken; corporaties kregen meer autonomie.

7. Crisis en nasleep (2008–2015)
In deze fase viel de bouw grotendeels stil door de financiële crisis. Tegelijk groeide online winkelen, met nieuwe distributiecentra zoals
dat van Bol.com in Waalwijk. In steden kwam transformatie op gang, zoals het Wallisblok in Rotterdam en hergebruik van UT-
gebouwen en het stationsgebied in Enschede. Op het platteland ontstond leegstand van stallen en begon voorzichtig
erftransformatie. Kortom: stilgevallen bouw, doorbraak van e-commerce en eerste herbestemming van leegstaande gebouwen en
erven.

Kernbegrippen:
o Financiële crisis: wereldwijde crisis, bouwprojecten stilgelegd.
o Transformatie: hergebruik gebouwen (kantoren → woningen).
o Online winkelen: groei e-commerce, druk op fysieke winkels.
o Leegstand stallen: ongebruikte agrarische gebouwen door schaalvergroting.

Extra duiding: veel projecten stilgelegd; transformatie van leegstaande gebouwen kwam op gang.

8. Herstel en nieuwe uitdagingen (2015–heden)
In deze fase staat Nederland voor een groot woningtekort en tegelijk voor de opgaven van circulariteit en klimaat. Projecten als
Buiksloterham en Valley in Amsterdam tonen duurzame en innovatieve bouw. In Oost-Nederland zijn de Melkhal in Enschede en het
ziekenhuisterrein in Hengelo getransformeerd tot woongebieden, terwijl erven in de Hof van Twente nieuwe functies krijgen.

Op het platteland zorgen vergrijzing, schaalvergroting, en initiatieven als zonneparken en voedselbossen voor verandering, maar de
stikstofproblematiek remt verdere uitbreiding. Kortom: een periode waarin duurzaamheid, herbestemming en ecologische
uitdagingen centraal staan.

Kernbegrippen:
o Circulariteit: hergebruik materialen, minimale afvalproductie.
o Klimaatopgaven: CO₂-reductie, energietransitie, waterbeheer.
o Zonneparken: velden met zonnepanelen op landbouwgrond.
o Voedselbossen: ecologische landbouw met bomen/struiken.
o Stikstofproblematiek: overschot stikstof remt landbouw en bouw.

Extra duiding: nadruk op duurzaamheid en circulaire bouw; stikstofcrisis beïnvloedt agrarische en bouwsector.

,Hoofdstuk 1 - Inleidende begrippen in de economie
Economie: de wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen maken bij de productie, consumptie en distributie van
schaarse goederen en diensten. Het woord komt van het Grieks: ‘oikos’ (huis) en ‘nomos’ (regels) → letterlijk: huishoudkunde.

Mensen streven naar maximale behoeftebevrediging → dit wordt uitgedrukt in het begrip ‘nut’.
Schaarse middelen zijn alternatief aanwendbaar: tijd en geld kunnen op verschillende manieren worden ingezet.

Welvaart: de mate waarin spanning tussen behoeften en beperkte middelen wordt opgeheven; gaat om materiële rijkdom.
Welzijn: de mate van bevrediging van behoeften die niet afhankelijk zijn van schaarse middelen; gaat om geluk en kwaliteit van leven.
Welstand: persoonlijke voorspoed, gezondheid en bemiddeld zijn; gaat om de individuele situatie.

Behoefte: de mate waarin voor iedereen is voorzien. Menselijk verlangen waaraan voldaan wordt door de beschikking over schaarse
goederen en diensten. Dit is oneindig! Het gaat dus ook om:
 Inkomens- en welvaartsverdeling
 Zowel meetbare effecten (bijv. inkomen, goederen) als moeilijk meetbare effecten (bijv. geluk, gezondheid).

Economie richt zich primair op welvaart. Belangrijk: economie is geen exacte wetenschap, maar meer een gedragswetenschap.
Er wordt vaak gebruikgemaakt van modellen om economische processen te beschrijven en analyseren.

Inkomensverdeling
 Primaire inkomensverdeling: verdeling van inkomens vóór ingrijpen
van de overheid (bijv. lonen, winst, rente).
 Secundaire inkomensverdeling: verdeling ná ingrijpen van de overheid
(bijv. belastingen, subsidies, uitkeringen).
 Lorenzcurve: grafische maatstaf om inkomensverdeling in een plaats,
regio of land zichtbaar te maken.

De Lorenz-curve laat zien hoe inkomens verdeeld zijn binnen een land. Niet iedereen verdient
hetzelfde: sommige mensen hebben een laag inkomen, anderen een hoog. Dat verschil noemen we
inkomensongelijkheid. De Lorenz-curve is een grafiek die laat zien hoe het totale inkomen
verdeeld is over de bevolking.
 Op de horizontale as staat de bevolking (van arm naar rijk).
 Op de verticale as staat het inkomen.

Een rechte diagonale lijn betekent: iedereen verdient evenveel (volledige gelijkheid). Hoe verder de
curve van die lijn afwijkt, hoe groter de ongelijkheid.

De gini-coëfficiënt is een getal tussen 0 en 1 dat de ongelijkheid samenvat. Bij 0 is er volledige gelijkheid, bij 1 krijgt één persoon al het
inkomen. Hoe dichter het getal bij 0 ligt, hoe eerlijker de verdeling.

Verschillende vormen van economische organisatie, afhankelijk van de rol van de overheid:
o Centraal geleide economie (planeconomie): overheid bepaalt productie en verdeling.
o Georiënteerde markteconomie: mengvorm, overheid grijpt in bij marktfalen of imperfecties.
o Vrijemarkteconomie: minimale rol van de overheid, vraag en aanbod bepalen de uitkomst. (vrijwel nergens)
De omvang van overheidsingrijpen hangt af van situaties zoals marktfalen en marktimperfecties.

Kort samengevat:
 Planeconomie = overheid beslist alles.
 Vrijemarkteconomie = markt beslist alles.
 Georiënteerde markteconomie = markt beslist grotendeels, maar overheid stuurt bij.

Onderscheid binnen de economie
 Macro-economie (H2): richt zich op nationale en internationale vraagstukken zoals werkloosheid, inflatie, rentestanden,
economische groei en conjunctuur. Productie, consumptie en overheidsgedrag van een land als geheel
 Meso-economie (H3): bestudeert bedrijfstakken en concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen. Economische processen
in een specifieke bedrijfstak.
 Micro-economie (H4): analyseert het keuzegedrag van bedrijven en consumenten, bijvoorbeeld prijsbepaling en vraag- en
aanbodbeslissingen. Alles wat zich afspeelt op het niveau van individuele consumenten en bedrijven.

Productie = het toevoegen van waarde. ‘Geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik’
Verkoop = de verkoop van geschikt gemaakte goederen en diensten ten behoeve van een behoefte (invulling van een schaarste)

, Productiefactoren: natuur (Bossen, grond, delfstoffen), arbeid (Menselijke inspanning), kapitaal (Gebouwen, machines, voorraden),
informatie (Nieuwe factor) en ondernemerschap (Nieuwe factor)
De economie onderzoekt factoren die de welvaart en productie beïnvloeden, zoals:
 Behoefteschema’s van consumenten (wat mensen willen en nodig hebben)
 Beschikbare hoeveelheden en kwaliteiten van de productiefactoren (Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemerschap)
 Juridische en sociale organisatie van de maatschappij (wetten, regels, instituties)
 Stand van technische kennis (hoe ontwikkeld de technologie is)
 Omvang en samenstelling van de beroepsbevolking (hoeveel mensen werken en met welke vaardigheden)

Economische indicatoren -> binnenlandse indicatoren
Belangrijke meetinstrumenten om de stand van de economie te volgen:
 BBP-groei (Bruto Binnenlands Product)
 Conjunctuur (op- en neergaande beweging van de economie)
 Inflatie (prijsstijgingen)
 Rente (kosten van lenen)
 Wisselkoersen (waarde van valuta’s t.o.v. elkaar)

Buitenlandse indicatoren
 Renteontwikkelingen
 Ontwikkeling export en import
 Ontwikkeling wisselkoersen
 Verloop van dollarkoers
 Ontwikkeling energieprijzen

Hoofdstuk 2 - Macro
Macro: groot of op grote schaal. Het kijkt naar het geheel van een systeem, vaak op nationaal, internationaal of wereldniveau.
 Collectieve sector: overheid in de ruime zin (Provincie, Rijk, Gemeenten) en sociale instellingen.
 Particuliere sector: ondernemingen die de consumenten voorzien van individuele goederen en diensten.

Publieke (collectieve) sector en functies van de overheid
De publieke sector (ook wel de collectieve sector) bestaat uit de overheid en de socialezekerheidsfondsen. De overheid grijpt actief
in in de economie. Deze overheidsrol bestaat uit drie hoofdfuncties:
1. Allocatiefunctie: de overheid bepaalt mede wat en hoeveel er wordt geproduceerd, bijvoorbeeld door zelf onderwijs,
infrastructuur en andere publieke voorzieningen te leveren.
2. Herverdelingsfunctie: de overheid verdeelt inkomens opnieuw via belastingen en uitkeringen om ongelijkheid te verminderen.
3. Stabilisatiefunctie: de overheid probeert de economische schommelingen (conjunctuur) te dempen, bijvoorbeeld door
stimulerend of remmend beleid.

Primaire inkomens en nationale rekeningen
 Primaire inkomen: inkomen dat direct wordt verdiend door inzet van productiefactoren (loon, rente, winst, pacht).
 Bruto Binnenlands Product (BBP): totale waarde van alle geproduceerde goederen en diensten binnen de landsgrenzen.
 Bruto Nationaal Inkomen (BNI): BBP plus inkomens uit het buitenland (bijv. winst van Nederlandse bedrijven in het buitenland)
minus inkomens die naar het buitenland vloeien.

Het economische kringloop model
De geldstromen in een economie kunnen worden weergegeven in de economische
kringloop. Hierin kun je zien hoeveel geld van de ene sector van de economie naar de
andere stroomt. De economische kringloop wordt vaak weergegeven in een schema
met daarin de verschillende sectoren en daartussen pijlen die de geldstromen
aangeven.

In de eenvoudigste vorm: alleen gezinnen en bedrijven.
Gezinnen leveren productiefactoren aan bedrijven: KANO (kapitaal, arbeid, natuur,
ondernemerschap (het vermogen om dingen te organiseren en bij elkaar te brengen
op een manier dat het goed is)

De verschillende letters bij de verschillende pijlen staan voor de naam van iedere
geldstroom.
 Y = netto binnenlands inkomen  O = overheidsbestedingen
 B = belastingen  I = investeringen
 C = consumptie  E = export
 S = besparingen  M = import

Begrippen rond de economische kringloop

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
EstherKoppelman Hogeschool Windesheim
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
169
Lid sinds
3 jaar
Aantal volgers
1
Documenten
14
Laatst verkocht
3 dagen geleden

4,3

22 beoordelingen

5
12
4
8
3
0
2
0
1
2

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen