GASTCOLLEGES : IMKP
INHOUDSOPGAVE
GC1 : gedragstherapie .................................................................................................................. 2
1 back to basics : alle gedrag is aangeleerd ....................................................................................... 3
klassieke conditionering (Pavlov) ................................................................................................... 3
operante conditionering (Thorndike, skinner) .................................................................................. 4
2 klinische conceptualisatie: van leertheorie naar cognitieve gedragstherapie .................................... 4
GC 2: ontwikkelingsgerichte psychotherapie ................................................................................. 8
1 kernelementen ontwikkelingsgerichte psychotherapie .................................................................... 8
2 toepassing: eetproblemen bij jongeren ........................................................................................... 9
Hoe ontstaat een eetstoornis? ..................................................................................................... 11
onderliggende werkingsmechanismen ......................................................................................... 11
diagnostiek van eetstoornissen .................................................................................................... 12
behandeling van eetstoornissen................................................................................................... 13
onderzoeksresultaten .................................................................................................................. 15
GC 3: introductie tot de psychoanalyse ........................................................................................ 16
premisse 1: de mens is een verdeeld subject ....................................................................................16
premisse 2: psychisch functioneren = samenspel tussen 3 dimensies: RSI ........................................17
3 psychoanalyse vandaag ................................................................................................................17
het onbewuste ............................................................................................................................ 18
symptoom .................................................................................................................................. 18
GC 4: interpersoonlijk perspectief/systeemtherapie ..................................................................... 19
1 definitie ........................................................................................................................................19
2 historiek & theoretische grondslagen .............................................................................................19
historiek ...................................................................................................................................... 19
hedendaagse theoretische uitgangspunten .................................................................................. 23
3 van model naar praktijk .................................................................................................................26
indicatiestelling ........................................................................................................................... 26
sociale kaart ............................................................................................................................... 26
1
,GC1 : GEDRAGSTHERAPIE
Steunen op leertheorie en cognitieve processen:
• Proberen begrijpen wat er gebeurt bij een individu
Dezelfde klachten bij verschillende personen zorgt niet altijd voor dezelfde diagnose → one size fits all
klopt niet
• Werkt niet binnen de vormgeving van gedragstherapie in BE: behandeling op maat van cliënt
maken
Nood aan handvaten:
• Gedragstherapie: het leertheoretisch kader
o Basisaxioma: alle gedrag is aangeleerd
§ Vraag van therapeuten: Hoe leidt een bepaalde situatie tot bepaald gedrag?
§ Een bepaalde cognitie, gedachte of schema dat mee geactiveerd wordt →
activatie van schema → gemoedstoestand → gedrag
§ Gedrag is een zinvolle reactie (vanuit betekenisverlening van cliënt zelf) op een
betekenisvolle situatie
o Veel gedrag dat we vandaag gebruiken is aangeleerd vanuit onze kindertijd
Gedragstherapie en psychopathologie:
• GT bepaalt niet dat bepaald gedrag gezond of ongezond is op zichzelf
• Gedrag kan adaptief vs maladaptief zijn
o Rekening houdend met context
o Rekening houdend met gevolgen van gedrag
o Rekening houdend met frequentie van gedrag
• Vaak ooit adaptief geweest, maar nu niet langer aagepast aan situatie
Leermodel:
• Principes voor het aanleren van adaptief gedrag zijn hetzelfde als voor het aanleren van
maladaptief gedrag
• Veel leren vanuit gezonde leerprocessen → zicht krijgen op principes
o Klassieke conditionering: het leren van betekenissen
o Operante conditionering
Gedragstherapie = toepassing van bevindingen uit de experimentele psychologie:
• Empirische verankering
o Observeerbare principes
o Veranderking in experimenteel onderzoek: experimentele psychopathologie
o Evidence-based denken: effectief + efficiënt
• Gestructureerd werken
o Met aandacht voor complexiteit
2
, Gedragstherapie = “N = 1 – experiment”
• Empirisch: de gedragstherapeutische praktijk is als een experiment met 1 proefpersoon waarin
een hypothese over zijn probleemgedrag wordt getoetst
• Leermodel:
o Abnormaal gedrag is aangeleerd of krijgt zijn uiteindelijke vorm via leerprocessen
o ‘Uitwendig zichtbaar gedrag’ wordt als belangrijk aangrijpingspunt voor behandeling
beschouwd
o Sinds cognitieve stroming: ook ‘niet uitwendig zichtbaar gedrag’
Historisch perspectief:
• 1e wave CBT
o Watson (1913) > afstand van introspectie en het onbewust
o Gedrag als centraal aangrijpingspunt binnen therapie
o Wijzigen emotionele respondes door exposure en systematische desensitizatie
o Wijzigen gedrag door operante procedures (bekrachtiging / bestraffing)
• 2 wave CBT
e
o Ellis / Beck > inclusie « internal experiences » : thoughts, feelings, wishes, daydreams
and attitudes
o Cognitieve therapie > automatische gedachten, gevolgtrekkingen en assumpties
o Integratie cognitieve therapie en gedragstherapie
• 3 wabe CBT
e
o Omgaan met gedachten/gevoelens ipv wijzigen van
o Segal, Williams, Teasdale, Kabal-Zinn: mindfulness en mindfulness-based cognitive
therapy
o Hayes: acceptance & commitment therapy
• 4e wave CBT
o Focus op verstoorde cogitieve (informatieverwerkings-) processen
o Training van aandacht/interpretatie/geheugen aanvullend op standaard CBT
1 BACK TO BASICS : ALLE GEDRAG IS AANGELEERD
KLASSIEKE CONDITIONERING (PAVLOV)
= leren van betekenissen: de CS activeert de representatie van de UCS en lokt zo de CR uit → een
oorspronkelijke neutrale S verwerft een nieuwe betekenis door associatie met een bepaalde (intrinsiek
belanden) gebeurtenis (→ zoeken naar dieperliggende associaties)
• UCS = unconditioned stimulus, ongeconditioneerde stimulus
• UCR = unconditioned reaction, ongeconditioneerde reactie
• CS = conditioned stimulus, geconditioneerde stimulus
• CR = conditioned reaction, geconditioneerde reactie
3 paden naar het aanleren van betekenissen:
• Directe ervaring
• Modelleren
• Informatie
3
INHOUDSOPGAVE
GC1 : gedragstherapie .................................................................................................................. 2
1 back to basics : alle gedrag is aangeleerd ....................................................................................... 3
klassieke conditionering (Pavlov) ................................................................................................... 3
operante conditionering (Thorndike, skinner) .................................................................................. 4
2 klinische conceptualisatie: van leertheorie naar cognitieve gedragstherapie .................................... 4
GC 2: ontwikkelingsgerichte psychotherapie ................................................................................. 8
1 kernelementen ontwikkelingsgerichte psychotherapie .................................................................... 8
2 toepassing: eetproblemen bij jongeren ........................................................................................... 9
Hoe ontstaat een eetstoornis? ..................................................................................................... 11
onderliggende werkingsmechanismen ......................................................................................... 11
diagnostiek van eetstoornissen .................................................................................................... 12
behandeling van eetstoornissen................................................................................................... 13
onderzoeksresultaten .................................................................................................................. 15
GC 3: introductie tot de psychoanalyse ........................................................................................ 16
premisse 1: de mens is een verdeeld subject ....................................................................................16
premisse 2: psychisch functioneren = samenspel tussen 3 dimensies: RSI ........................................17
3 psychoanalyse vandaag ................................................................................................................17
het onbewuste ............................................................................................................................ 18
symptoom .................................................................................................................................. 18
GC 4: interpersoonlijk perspectief/systeemtherapie ..................................................................... 19
1 definitie ........................................................................................................................................19
2 historiek & theoretische grondslagen .............................................................................................19
historiek ...................................................................................................................................... 19
hedendaagse theoretische uitgangspunten .................................................................................. 23
3 van model naar praktijk .................................................................................................................26
indicatiestelling ........................................................................................................................... 26
sociale kaart ............................................................................................................................... 26
1
,GC1 : GEDRAGSTHERAPIE
Steunen op leertheorie en cognitieve processen:
• Proberen begrijpen wat er gebeurt bij een individu
Dezelfde klachten bij verschillende personen zorgt niet altijd voor dezelfde diagnose → one size fits all
klopt niet
• Werkt niet binnen de vormgeving van gedragstherapie in BE: behandeling op maat van cliënt
maken
Nood aan handvaten:
• Gedragstherapie: het leertheoretisch kader
o Basisaxioma: alle gedrag is aangeleerd
§ Vraag van therapeuten: Hoe leidt een bepaalde situatie tot bepaald gedrag?
§ Een bepaalde cognitie, gedachte of schema dat mee geactiveerd wordt →
activatie van schema → gemoedstoestand → gedrag
§ Gedrag is een zinvolle reactie (vanuit betekenisverlening van cliënt zelf) op een
betekenisvolle situatie
o Veel gedrag dat we vandaag gebruiken is aangeleerd vanuit onze kindertijd
Gedragstherapie en psychopathologie:
• GT bepaalt niet dat bepaald gedrag gezond of ongezond is op zichzelf
• Gedrag kan adaptief vs maladaptief zijn
o Rekening houdend met context
o Rekening houdend met gevolgen van gedrag
o Rekening houdend met frequentie van gedrag
• Vaak ooit adaptief geweest, maar nu niet langer aagepast aan situatie
Leermodel:
• Principes voor het aanleren van adaptief gedrag zijn hetzelfde als voor het aanleren van
maladaptief gedrag
• Veel leren vanuit gezonde leerprocessen → zicht krijgen op principes
o Klassieke conditionering: het leren van betekenissen
o Operante conditionering
Gedragstherapie = toepassing van bevindingen uit de experimentele psychologie:
• Empirische verankering
o Observeerbare principes
o Veranderking in experimenteel onderzoek: experimentele psychopathologie
o Evidence-based denken: effectief + efficiënt
• Gestructureerd werken
o Met aandacht voor complexiteit
2
, Gedragstherapie = “N = 1 – experiment”
• Empirisch: de gedragstherapeutische praktijk is als een experiment met 1 proefpersoon waarin
een hypothese over zijn probleemgedrag wordt getoetst
• Leermodel:
o Abnormaal gedrag is aangeleerd of krijgt zijn uiteindelijke vorm via leerprocessen
o ‘Uitwendig zichtbaar gedrag’ wordt als belangrijk aangrijpingspunt voor behandeling
beschouwd
o Sinds cognitieve stroming: ook ‘niet uitwendig zichtbaar gedrag’
Historisch perspectief:
• 1e wave CBT
o Watson (1913) > afstand van introspectie en het onbewust
o Gedrag als centraal aangrijpingspunt binnen therapie
o Wijzigen emotionele respondes door exposure en systematische desensitizatie
o Wijzigen gedrag door operante procedures (bekrachtiging / bestraffing)
• 2 wave CBT
e
o Ellis / Beck > inclusie « internal experiences » : thoughts, feelings, wishes, daydreams
and attitudes
o Cognitieve therapie > automatische gedachten, gevolgtrekkingen en assumpties
o Integratie cognitieve therapie en gedragstherapie
• 3 wabe CBT
e
o Omgaan met gedachten/gevoelens ipv wijzigen van
o Segal, Williams, Teasdale, Kabal-Zinn: mindfulness en mindfulness-based cognitive
therapy
o Hayes: acceptance & commitment therapy
• 4e wave CBT
o Focus op verstoorde cogitieve (informatieverwerkings-) processen
o Training van aandacht/interpretatie/geheugen aanvullend op standaard CBT
1 BACK TO BASICS : ALLE GEDRAG IS AANGELEERD
KLASSIEKE CONDITIONERING (PAVLOV)
= leren van betekenissen: de CS activeert de representatie van de UCS en lokt zo de CR uit → een
oorspronkelijke neutrale S verwerft een nieuwe betekenis door associatie met een bepaalde (intrinsiek
belanden) gebeurtenis (→ zoeken naar dieperliggende associaties)
• UCS = unconditioned stimulus, ongeconditioneerde stimulus
• UCR = unconditioned reaction, ongeconditioneerde reactie
• CS = conditioned stimulus, geconditioneerde stimulus
• CR = conditioned reaction, geconditioneerde reactie
3 paden naar het aanleren van betekenissen:
• Directe ervaring
• Modelleren
• Informatie
3