SAMENVATTING H6
H7. OMGEVINSPSYCHOLOGIE
1. TYPERING V D OMGEVINGSPSYCHOLOGIE
1.1 BASISUITGANGSPUNTEN
1. Persoon en omgeving zijn 1 geheel
a. Gedrag v persoon is onlosmakelijk verbonden met sociale en fysieke ruimtelijke omgeving
b. Sociale omgeving: hoe gedragen andere personen rondom mij zich
c. Fysieke omgeving: materiële omgeving
2. Persoon en omgeving staan in permanente interactie
a. Wederzijdse beïnvloeding
b. Inter-agere: persoon handelt niet in luchtledige, maar handelen is wat gebeurt tss persoon en
omgeving
3. Altijd sprake v ontwikkeling (door permanente interactie)
a. Elk gedrag is reactie op omgeving
b. Gedrag v persoon past zich aan aan veranderende omgevingsomstandigheden
4. Ontwikkeling ligt niet van te voren vast
a. Multifactorieel bepaald
b. Invloed v factor kan veranderen
5. Persoon streeft naar optimaal evenwicht tss zichzelf en zijn omgeving
a. ‘No fit’ -> stress (constant werken aan (preventieve) stressreductie)
1.2 MENSBEELD
53
, Vergelijking met systeemtheorie
Overeenkomsten:
- Persoon moet altijd in relatie tot omgeving worden gedefinieerd
o Individuele kenmerken bestaan niet, kenmerken zijn altijd verbonden aan omgeving
Verschillen:
- Nadruk op impact v materiele omgeving
- Nadruk op ontwikkelingsprocessen
Vergelijking met ethologie (vgl studie mens-dier)
Overeenkomsten:
- Geen fundamenteel onderscheid tss mens en dier, invloed v materiele omgeving is bij beide aanwezig
Verschillen:
- Onderscheid kind-volwassene in gebruik v territoria
1.3 INDELING
Organistisch: persoon staat constant in interactie met omgeving en ze beïnvloeden elkaar wederzijds
Goede match met bio-psycho-sociaal-model
WANT beïnvloedt door (algemene) systeemtheorie
MAAR vooral aandacht voor context!
o Biologische invloed krijgt pas betekenis in context
2. THEORIE OVER RUIMTEGEBRUIK
2.1 PERSOONLIJKE RUIMTE
Theorie door Edward T. Hall, gebaseerd op onderzoek uit ethologie
Meeste dieren hebben persoonlijke ruimte
o Afstand tov elkaar bepaalt gedrag: binnen persoonlijke ruimte komen triggert vluchten of
toenadering
o Uitzondering: contactdieren (vb. walrussen, keizerpinguïns)
54
H7. OMGEVINSPSYCHOLOGIE
1. TYPERING V D OMGEVINGSPSYCHOLOGIE
1.1 BASISUITGANGSPUNTEN
1. Persoon en omgeving zijn 1 geheel
a. Gedrag v persoon is onlosmakelijk verbonden met sociale en fysieke ruimtelijke omgeving
b. Sociale omgeving: hoe gedragen andere personen rondom mij zich
c. Fysieke omgeving: materiële omgeving
2. Persoon en omgeving staan in permanente interactie
a. Wederzijdse beïnvloeding
b. Inter-agere: persoon handelt niet in luchtledige, maar handelen is wat gebeurt tss persoon en
omgeving
3. Altijd sprake v ontwikkeling (door permanente interactie)
a. Elk gedrag is reactie op omgeving
b. Gedrag v persoon past zich aan aan veranderende omgevingsomstandigheden
4. Ontwikkeling ligt niet van te voren vast
a. Multifactorieel bepaald
b. Invloed v factor kan veranderen
5. Persoon streeft naar optimaal evenwicht tss zichzelf en zijn omgeving
a. ‘No fit’ -> stress (constant werken aan (preventieve) stressreductie)
1.2 MENSBEELD
53
, Vergelijking met systeemtheorie
Overeenkomsten:
- Persoon moet altijd in relatie tot omgeving worden gedefinieerd
o Individuele kenmerken bestaan niet, kenmerken zijn altijd verbonden aan omgeving
Verschillen:
- Nadruk op impact v materiele omgeving
- Nadruk op ontwikkelingsprocessen
Vergelijking met ethologie (vgl studie mens-dier)
Overeenkomsten:
- Geen fundamenteel onderscheid tss mens en dier, invloed v materiele omgeving is bij beide aanwezig
Verschillen:
- Onderscheid kind-volwassene in gebruik v territoria
1.3 INDELING
Organistisch: persoon staat constant in interactie met omgeving en ze beïnvloeden elkaar wederzijds
Goede match met bio-psycho-sociaal-model
WANT beïnvloedt door (algemene) systeemtheorie
MAAR vooral aandacht voor context!
o Biologische invloed krijgt pas betekenis in context
2. THEORIE OVER RUIMTEGEBRUIK
2.1 PERSOONLIJKE RUIMTE
Theorie door Edward T. Hall, gebaseerd op onderzoek uit ethologie
Meeste dieren hebben persoonlijke ruimte
o Afstand tov elkaar bepaalt gedrag: binnen persoonlijke ruimte komen triggert vluchten of
toenadering
o Uitzondering: contactdieren (vb. walrussen, keizerpinguïns)
54