–
0. Inleiding
Sociale deprivatie = tekort → bij mensen, hebben prikkels nodig
Kinderen sociaal depriveren → sommige kregen warme thuissituatie, sommige
niet → verschil neurologisch waarneembaar; minder neuronale verbindingen
o Lager IQ, meer angststoornissen, depressie,…
Sociale paradox = willen contact, maar soms bang voor contact
Mensen → obsessief sociaal
Safety by numbers = als meer mensen het doen, dan volgen wij de groep omdat we
denken dat zij het beter weten
1. Studieobject van de sociale psychologie
1.1 Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie = wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten,
gevoelens en handelingen beïnvloed worden door feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van anderen – Allport
1.1.2 Een wetenschappelijke studie
Alle daagse kennis vs. empirische cyclus
Subjectief Objectief
Onafhankelijke variabele = degene waarvan verwacht
wordt dat hij invloed heeft op het resultaat
Bv. Welk soort water de plantjes krijgen
Afhankelijke variabele = gemeten gedrag
Bv. Hoe groot de plantjes zijn, hoeveel mensen hulp bieden,…
1.1.2 De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen
ABC-model:
o A: affectief = hoe we voelen (gevoelens)
o B: behavior = invloed op ons handelen
o C: cognitie = hoe we denken
1.1.2 Beïnvloed worden door feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen
Invloed door:
o Fysiek/feitelijk → aanwezigheid van anderen
o Voorgesteld → niet aanwezig zijn van anderen; inbeelden wat zij zouden doen
o Implicitet/onrechtstreeks → niet door mensen beïnvloed
1
,1.1.3 Enkele aanvullingen
1. Beïnvloed worden en ook: beïnvloeden
2. Niet alle invloed is bewust
3. Sociale psychologie gaat verder dan enkel beïnvloeden door sociale factoren,
verschillende invalshoeken
2. De eigen invalshoek van sociale psychologie
- Snijpunt tussen psychologie en sociologie
- Toch eigen plekje
2.1 Onderscheid met de sociologie
- Maatschappelijke kenmerken of groepskenmerken → kijkt naar situatie waar
individu zich in bevindt
- Tegenover aandacht voor individu → grotendeels hierrond
- En dan: individu en onmiddellijke omgeving
2.2 Eigen plaats binnen de psychologie
- Persoonlijkheidspsychologie – dispositionisten → verklaringen zoeken in karakter
- Sociale psychologie – situationisten → verklaring zoeken in situatie
- Interactionisme → waarom gedragen mensen zich hoe ze zich gedragen?
2
, –
1. Hoe normen ontstaan
Expliciete norm = norm wordt aangeduid/aangegeven (vb. bordje met niet voorsteken)
Impliciete norm = niet aangegeven, maar wel verwacht (bv. dankjewel zeggen)
1.1 Vanaf bovenaf opgelegde normen
Verticale, hiërarchische structuur:
- Hogeschool → directeur, docenten, leerlingen
- Gezin → ouders, kinderen
- …
Externe omstandigheden zorgen voor ingang treden bepaalde normen
1.2 Normen die spontaan ontstaan binnen de groep
- Overleg en rationele besluitvorm
- Spontaan en vaak onbewust
1.2.1 Normen als product van sociale vergelijking
Sociale vergelijking → hoe doen anderen het -> je neemt gedrag van anderen over
Sociale normering = spontaan ontstaat een norm binnen een groep door te kijken naar
anderen
Sherif → ambigue (= onduidelijkheid) situatie :
Onderzoeksvraag → wanneer je mensen bij elkaar zet en je geeft ze een
onduidelijke opdracht, wat gaan ze dan doen?
In volledig verdonkerde kamer met 1 lichtpuntje dat lijkt te bewegen
Ze werden 1 voor 1 in kamertje gezet -> over welke afstand lijkt dit puntje te
bewegen?
Creëerde 2 condities → alleen + groepsconditie → in groepsconditie 3
proefpersonen die ook in alleen conditie zaten
Resultaat → 3 proefpersonen kwamen na 3 pogingen tot
gemeenschappelijke norm => sociale normering
1.2.2 Enkele toepassingen (link hoofdstuk 7)
- Voorbeelden alledag → wat zet ik op insta (wat kan (niet)?)
- Sensibiliseringscampagnes
- Casus – help save the environment → twee hangers (= onafhankelijk variabele),
1tje met en 1tje zonder sociale normering (andere voor jou deden het ook) →
conditie 2 gebruikte meer mensen hun handdoek opnieuw (= afhankelijke
variabele)
2. Impact groepsnorm op individu
2.1 Automatische sociale invloed
- Subtiel en onbewust → geeuwen, lachen,…
- Kameleoneffect → gelaatsuitdrukkingen/non-verbale gedrag anderen
overnemen → lijdt tot sympathieker vinden van personen
3
, 2.2 Conformeren aan een groepsnorm
Conformeren = neiging om eigen opinies, attitudes of gedragingen aan te passen aan
wat norm binnen groep is → negatieve klank in Westen, kan ook positief zijn
Verschil Sherif en Asch:
- Sherif -> ontstaan norm → Ash -> er al een norm
- Sherif -> lichtpuntjes experiment met ambigue situatie → Ash -> proefpersonen
weten 100% zeker wat ze moeten doen, zo gaan ze minder mee met de groep
Experiment van Asch (gebruikte duidelijke stimuli):
1 standaard lijn, 3 vergelijkende lijnen die waarvan slechts 1 even lang → 6
pseudopersonen maar 1 echte proefpersoon → welke lijn is even lang → 18 beurten en
12 keer kiezen psp foute lijn → wat doet proefpersoon? = 2/3 durft tegen groep ingaan
Twee soorten conformisme: (link hfdstk 3)
- Informatieve sociale beïnvloeding van Sherif → we gaan ons aanpassen aan de
groep omdat we zelf te kort aan info hebben:
o Onduidelijke situatie
o Sprake van crisis
o Andere mensen zijn deskundigen
- Normatieve sociale beïnvloeding van Asch → bij voldoende info gaan we soms
toch conformeren om te voldoen aan norm v/d groep
o Hypes
o Lichaamsbeeld -> pressure to be thin
Inwerkende factoren volgens Asch:
- Kenmerken groep:
o Grootte groep? → plafondeffect tot 4 personen (= conformisme
proefpersonen sterker bij meer mensen, vanaf 4 sterkste invloed)
o Unanimiteit → we denken er allen hetzelfde over
o Groepscohesie → samenhangen groep, hoe meer samenhang, hoe meer
conformisme
- Kenmerken situatie:
o Ambiguïteit → onduidelijkheid
o Publiek of privé → publiek conformeren we veel meer
o Onderwerp of thema → bepaald met welke groep je gaat conformeren
o Injunctieve (= norm die voorschrijft hoe we ons best zouden
gedragen/wenselijke gedrag) en descriptieve (= hoe mensen zich
werkelijk gedragen) normen
- Kenmerken cultuur → sommige culturen meer conformisme dan anderen
- Minderheidsinvloed → Moscovici → zijn mensen die voor zichzelf kunnen denken
+ zo groep beïnvloeden:
o Consistentie = zo lang je groep wilt beïnvloeden, eigen standpunt
behouden
o Inzet
o Autonomie = je mag geen verborgen agenda hebben
4
0. Inleiding
Sociale deprivatie = tekort → bij mensen, hebben prikkels nodig
Kinderen sociaal depriveren → sommige kregen warme thuissituatie, sommige
niet → verschil neurologisch waarneembaar; minder neuronale verbindingen
o Lager IQ, meer angststoornissen, depressie,…
Sociale paradox = willen contact, maar soms bang voor contact
Mensen → obsessief sociaal
Safety by numbers = als meer mensen het doen, dan volgen wij de groep omdat we
denken dat zij het beter weten
1. Studieobject van de sociale psychologie
1.1 Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie = wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten,
gevoelens en handelingen beïnvloed worden door feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van anderen – Allport
1.1.2 Een wetenschappelijke studie
Alle daagse kennis vs. empirische cyclus
Subjectief Objectief
Onafhankelijke variabele = degene waarvan verwacht
wordt dat hij invloed heeft op het resultaat
Bv. Welk soort water de plantjes krijgen
Afhankelijke variabele = gemeten gedrag
Bv. Hoe groot de plantjes zijn, hoeveel mensen hulp bieden,…
1.1.2 De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen
ABC-model:
o A: affectief = hoe we voelen (gevoelens)
o B: behavior = invloed op ons handelen
o C: cognitie = hoe we denken
1.1.2 Beïnvloed worden door feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen
Invloed door:
o Fysiek/feitelijk → aanwezigheid van anderen
o Voorgesteld → niet aanwezig zijn van anderen; inbeelden wat zij zouden doen
o Implicitet/onrechtstreeks → niet door mensen beïnvloed
1
,1.1.3 Enkele aanvullingen
1. Beïnvloed worden en ook: beïnvloeden
2. Niet alle invloed is bewust
3. Sociale psychologie gaat verder dan enkel beïnvloeden door sociale factoren,
verschillende invalshoeken
2. De eigen invalshoek van sociale psychologie
- Snijpunt tussen psychologie en sociologie
- Toch eigen plekje
2.1 Onderscheid met de sociologie
- Maatschappelijke kenmerken of groepskenmerken → kijkt naar situatie waar
individu zich in bevindt
- Tegenover aandacht voor individu → grotendeels hierrond
- En dan: individu en onmiddellijke omgeving
2.2 Eigen plaats binnen de psychologie
- Persoonlijkheidspsychologie – dispositionisten → verklaringen zoeken in karakter
- Sociale psychologie – situationisten → verklaring zoeken in situatie
- Interactionisme → waarom gedragen mensen zich hoe ze zich gedragen?
2
, –
1. Hoe normen ontstaan
Expliciete norm = norm wordt aangeduid/aangegeven (vb. bordje met niet voorsteken)
Impliciete norm = niet aangegeven, maar wel verwacht (bv. dankjewel zeggen)
1.1 Vanaf bovenaf opgelegde normen
Verticale, hiërarchische structuur:
- Hogeschool → directeur, docenten, leerlingen
- Gezin → ouders, kinderen
- …
Externe omstandigheden zorgen voor ingang treden bepaalde normen
1.2 Normen die spontaan ontstaan binnen de groep
- Overleg en rationele besluitvorm
- Spontaan en vaak onbewust
1.2.1 Normen als product van sociale vergelijking
Sociale vergelijking → hoe doen anderen het -> je neemt gedrag van anderen over
Sociale normering = spontaan ontstaat een norm binnen een groep door te kijken naar
anderen
Sherif → ambigue (= onduidelijkheid) situatie :
Onderzoeksvraag → wanneer je mensen bij elkaar zet en je geeft ze een
onduidelijke opdracht, wat gaan ze dan doen?
In volledig verdonkerde kamer met 1 lichtpuntje dat lijkt te bewegen
Ze werden 1 voor 1 in kamertje gezet -> over welke afstand lijkt dit puntje te
bewegen?
Creëerde 2 condities → alleen + groepsconditie → in groepsconditie 3
proefpersonen die ook in alleen conditie zaten
Resultaat → 3 proefpersonen kwamen na 3 pogingen tot
gemeenschappelijke norm => sociale normering
1.2.2 Enkele toepassingen (link hoofdstuk 7)
- Voorbeelden alledag → wat zet ik op insta (wat kan (niet)?)
- Sensibiliseringscampagnes
- Casus – help save the environment → twee hangers (= onafhankelijk variabele),
1tje met en 1tje zonder sociale normering (andere voor jou deden het ook) →
conditie 2 gebruikte meer mensen hun handdoek opnieuw (= afhankelijke
variabele)
2. Impact groepsnorm op individu
2.1 Automatische sociale invloed
- Subtiel en onbewust → geeuwen, lachen,…
- Kameleoneffect → gelaatsuitdrukkingen/non-verbale gedrag anderen
overnemen → lijdt tot sympathieker vinden van personen
3
, 2.2 Conformeren aan een groepsnorm
Conformeren = neiging om eigen opinies, attitudes of gedragingen aan te passen aan
wat norm binnen groep is → negatieve klank in Westen, kan ook positief zijn
Verschil Sherif en Asch:
- Sherif -> ontstaan norm → Ash -> er al een norm
- Sherif -> lichtpuntjes experiment met ambigue situatie → Ash -> proefpersonen
weten 100% zeker wat ze moeten doen, zo gaan ze minder mee met de groep
Experiment van Asch (gebruikte duidelijke stimuli):
1 standaard lijn, 3 vergelijkende lijnen die waarvan slechts 1 even lang → 6
pseudopersonen maar 1 echte proefpersoon → welke lijn is even lang → 18 beurten en
12 keer kiezen psp foute lijn → wat doet proefpersoon? = 2/3 durft tegen groep ingaan
Twee soorten conformisme: (link hfdstk 3)
- Informatieve sociale beïnvloeding van Sherif → we gaan ons aanpassen aan de
groep omdat we zelf te kort aan info hebben:
o Onduidelijke situatie
o Sprake van crisis
o Andere mensen zijn deskundigen
- Normatieve sociale beïnvloeding van Asch → bij voldoende info gaan we soms
toch conformeren om te voldoen aan norm v/d groep
o Hypes
o Lichaamsbeeld -> pressure to be thin
Inwerkende factoren volgens Asch:
- Kenmerken groep:
o Grootte groep? → plafondeffect tot 4 personen (= conformisme
proefpersonen sterker bij meer mensen, vanaf 4 sterkste invloed)
o Unanimiteit → we denken er allen hetzelfde over
o Groepscohesie → samenhangen groep, hoe meer samenhang, hoe meer
conformisme
- Kenmerken situatie:
o Ambiguïteit → onduidelijkheid
o Publiek of privé → publiek conformeren we veel meer
o Onderwerp of thema → bepaald met welke groep je gaat conformeren
o Injunctieve (= norm die voorschrijft hoe we ons best zouden
gedragen/wenselijke gedrag) en descriptieve (= hoe mensen zich
werkelijk gedragen) normen
- Kenmerken cultuur → sommige culturen meer conformisme dan anderen
- Minderheidsinvloed → Moscovici → zijn mensen die voor zichzelf kunnen denken
+ zo groep beïnvloeden:
o Consistentie = zo lang je groep wilt beïnvloeden, eigen standpunt
behouden
o Inzet
o Autonomie = je mag geen verborgen agenda hebben
4