Samenvatting basis van
bedrijfseconomie
Hoofdstuk 2: bedrijfseconomische principes
Paragraaf 1: opbrengsten, kosten en winst
Opbrengsten: aan perioden toegerekende ontvangsten.
Kosten: aan perioden toegerekende uitgaven
Winst: opbrengst – kosten
Uitgangspunten voor winstbepaling:
- Het voorzichtigheidsprincipe heeft 2 uitwerkingen:
o Realisatieconventie: afspraak die binnen die binnen de branche geld op het moment
dat de transactie is voltooid dan is de opbrengst ‘binnen’.
o Verlies wordt gelijk genoteerd.
- Confrontatiebeginsel/matching-principe: de kosten die tot opbrengsten hebben geleid. Dus
de kosten die gemaakt worden voordat er opbrengst kan komen.
Handelsmarge = opbrengst – inkoop.
Consequenties:
- Er kunnen ontvangsten zijn die geen opbrengsten zijn crediteuren.
- Opbrengsten die geen ontvangsten zijn debiteuren
- Wel uitgaven maar geen kosten crediteuren
- Kosten die geen uitgaven zijn verbruik voorraad, afschrijven.
Er zijn uitgaven die geen kosten worden en ook ontvangsten die geen opbrengsten worden.
Paragraaf 2: tijdsvoorkeur van geld
Resultatenrekening laat omzet en kosten zien.
Kasstroomoverzicht laat ontvangsten en uitgaven zien. Omzet en kosten horen bij de beheersing
organisatie en wist. Ontvangsten en uitgaven horen bij besluiten voor toekomst investeren.
Vermogensverschaffer: iemand of een organisatie die het bedrijf met eigen of vreemd vermogen
financiert.
Tijdsvoorkeur van geld: wanneer wil je het hebben terugverdient? Het heeft te maken met het
moment dat het geld weer beschikbaar komt.
Een vermogenskostenvoet is een rentepercentage kostprijs van geleend geld.
2 manieren om bedragen te vergelijken:
- Eindwaarde van een bedrag of bedragen berekenen en vergelijken
- Alle bedragen uit de toekomst naar een begintijdsstip brengen berekenen van de
constante waarde.
Eenvoudige intrest/rente: je betaalt geen rente over rente.
Samengestelde intrest/rente: e betaald rente over rente.
Eindwaardeberekening: uitrekenen welk bedrag er aan het eind van de periode op de rekening staat.
Het kan over 1 bedrag gaan (eenmalige storing) maar het kan ook met meerdere bedragen. Je moet
dan ook rekening gaan houden met rente.
, Berekening van de eindwaarde: E=K x (1+r)n
E = eindwaarde
K = kapitaal, gestorte hoofdsom
r = rentevergoeding
n = aantal perioden
Periodiek storten: elke maand hetzelfde bedrag sparen. Geld als een eenmalige storting en die tel je
allemaal op.
Als je begint met storten heet dat vooraf storten en als je dat aan het eind van het eerste jaar dat
heet het achteraf storten.
Bij een eindwaarde reken je vooruit, je berekent het bedrag van het eind van een periode. Je gaat
van de begindatum naar de einddatum.
Berekenen van de constante waarde je gaat dan van de einddatum naar de begindatum. De rente
heet dan de disconteringsvoet.
Formule berekening van de constante waarde is: K =
E
¿¿
Bij investeringsvraagstukken wordt ook gebruik gemaakt van de bovenstaande formule.
Vermogenskostenvoet: vermogenskosten van een onderneming, het gemiddelde van het geëiste
rendement van aandeelhouders/vermogensverschaffers.
De term ‘weigted average cost of capital’ (WACC) wordt ook gebruikt.
Paragraaf 3: kengetallen
Een kengetal/ratio is een getal dat de verhouding aangeeft tussen 2 grootheden, die met elkaar in
verband staan. Ze worden gebruikt voor:
- Bedrijfsvergelijking: je vergelijkt bedrijven met elkaar
- Periodevergelijking: je vergelijkt de verschillende perioden van hetzelfde bedrijf met elkaar.
- Sturingsinformatie: wat is slim om te doen
Financiële kengetallen: berekend op basis van balans/resultatenrekening
Ratio-analyse: berekenen van kengetallen + uitkomsten gebruiken voor conclusies.
Historische analyse: kijken naar situatie van bedrijf, nu en toen.
(Bedrijfs)vergelijkende analyse: ratio’s vergelijken.
Je kan kengetallen ook gebruiken voor de toekomst.
Gemiddelde debiteurentermijn: hoelang duurt het voordat de klant zijn rekening betaald.
Prognoses: voorspellingen
Paragraaf 4: onzekerheid een risico
Informatie uit de toekomst kan gebaseerd zijn op:
- Zekerheid, toekomstige uitkomst staat vast.
- Onzekerheid, geen ervaringscijfers bij het nemen van een beslissing --. Subjectieve
inschatting. Een resultatenmatrix: theorie om betere keuzes te maken.
- Risico: de kansverdeling is bekend.
bedrijfseconomie
Hoofdstuk 2: bedrijfseconomische principes
Paragraaf 1: opbrengsten, kosten en winst
Opbrengsten: aan perioden toegerekende ontvangsten.
Kosten: aan perioden toegerekende uitgaven
Winst: opbrengst – kosten
Uitgangspunten voor winstbepaling:
- Het voorzichtigheidsprincipe heeft 2 uitwerkingen:
o Realisatieconventie: afspraak die binnen die binnen de branche geld op het moment
dat de transactie is voltooid dan is de opbrengst ‘binnen’.
o Verlies wordt gelijk genoteerd.
- Confrontatiebeginsel/matching-principe: de kosten die tot opbrengsten hebben geleid. Dus
de kosten die gemaakt worden voordat er opbrengst kan komen.
Handelsmarge = opbrengst – inkoop.
Consequenties:
- Er kunnen ontvangsten zijn die geen opbrengsten zijn crediteuren.
- Opbrengsten die geen ontvangsten zijn debiteuren
- Wel uitgaven maar geen kosten crediteuren
- Kosten die geen uitgaven zijn verbruik voorraad, afschrijven.
Er zijn uitgaven die geen kosten worden en ook ontvangsten die geen opbrengsten worden.
Paragraaf 2: tijdsvoorkeur van geld
Resultatenrekening laat omzet en kosten zien.
Kasstroomoverzicht laat ontvangsten en uitgaven zien. Omzet en kosten horen bij de beheersing
organisatie en wist. Ontvangsten en uitgaven horen bij besluiten voor toekomst investeren.
Vermogensverschaffer: iemand of een organisatie die het bedrijf met eigen of vreemd vermogen
financiert.
Tijdsvoorkeur van geld: wanneer wil je het hebben terugverdient? Het heeft te maken met het
moment dat het geld weer beschikbaar komt.
Een vermogenskostenvoet is een rentepercentage kostprijs van geleend geld.
2 manieren om bedragen te vergelijken:
- Eindwaarde van een bedrag of bedragen berekenen en vergelijken
- Alle bedragen uit de toekomst naar een begintijdsstip brengen berekenen van de
constante waarde.
Eenvoudige intrest/rente: je betaalt geen rente over rente.
Samengestelde intrest/rente: e betaald rente over rente.
Eindwaardeberekening: uitrekenen welk bedrag er aan het eind van de periode op de rekening staat.
Het kan over 1 bedrag gaan (eenmalige storing) maar het kan ook met meerdere bedragen. Je moet
dan ook rekening gaan houden met rente.
, Berekening van de eindwaarde: E=K x (1+r)n
E = eindwaarde
K = kapitaal, gestorte hoofdsom
r = rentevergoeding
n = aantal perioden
Periodiek storten: elke maand hetzelfde bedrag sparen. Geld als een eenmalige storting en die tel je
allemaal op.
Als je begint met storten heet dat vooraf storten en als je dat aan het eind van het eerste jaar dat
heet het achteraf storten.
Bij een eindwaarde reken je vooruit, je berekent het bedrag van het eind van een periode. Je gaat
van de begindatum naar de einddatum.
Berekenen van de constante waarde je gaat dan van de einddatum naar de begindatum. De rente
heet dan de disconteringsvoet.
Formule berekening van de constante waarde is: K =
E
¿¿
Bij investeringsvraagstukken wordt ook gebruik gemaakt van de bovenstaande formule.
Vermogenskostenvoet: vermogenskosten van een onderneming, het gemiddelde van het geëiste
rendement van aandeelhouders/vermogensverschaffers.
De term ‘weigted average cost of capital’ (WACC) wordt ook gebruikt.
Paragraaf 3: kengetallen
Een kengetal/ratio is een getal dat de verhouding aangeeft tussen 2 grootheden, die met elkaar in
verband staan. Ze worden gebruikt voor:
- Bedrijfsvergelijking: je vergelijkt bedrijven met elkaar
- Periodevergelijking: je vergelijkt de verschillende perioden van hetzelfde bedrijf met elkaar.
- Sturingsinformatie: wat is slim om te doen
Financiële kengetallen: berekend op basis van balans/resultatenrekening
Ratio-analyse: berekenen van kengetallen + uitkomsten gebruiken voor conclusies.
Historische analyse: kijken naar situatie van bedrijf, nu en toen.
(Bedrijfs)vergelijkende analyse: ratio’s vergelijken.
Je kan kengetallen ook gebruiken voor de toekomst.
Gemiddelde debiteurentermijn: hoelang duurt het voordat de klant zijn rekening betaald.
Prognoses: voorspellingen
Paragraaf 4: onzekerheid een risico
Informatie uit de toekomst kan gebaseerd zijn op:
- Zekerheid, toekomstige uitkomst staat vast.
- Onzekerheid, geen ervaringscijfers bij het nemen van een beslissing --. Subjectieve
inschatting. Een resultatenmatrix: theorie om betere keuzes te maken.
- Risico: de kansverdeling is bekend.