Woord vooraf
Het gedrag van mensen wordt bestudeerd in het licht van biologische processen.
Om psychologische problemen te kunnen begrijpen en behandelen worden vaak ook
biologische factoren betrokken.
Menselijk functioneren is een complex samenspel van biologische, psychologische en sociale
aspecten. Complexe interactie tussen verschillende factoren.
Ons gedrag, maar ook onze emoties en ons denken worden bepaald door zowel biologische,
psychologische als sociale factoren. => Holistische benadering
SAW: Wetenschap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag veranderings-
processen
Hoofdstuk 1: de mens als biologisch organisme
Anatomie De wetenschap van de bouw van inwendige en uitwendige structuur en de
fysieke relatie tussen lichaamsdelen.
Vorm, hoe ziet het eruit?
Fysiologie Studie van levensfuncties en levende organismen
Functie en werking van de anatomie.
Pathologie Oorzaak, mechanismen en gevolgen van ziektes
Ziekteleer
Neurofysiolo De werking van het zenuwstelsel.
gie
1.1.Het organisme mens
Orgaansystemen De organen die behoren tot eenzelfde orgaanstelsel of-systeem
staan in voor een welbepaalde biologische functie.
Opgebouwd uit minstens 2 organen en ondersteunen een
specifieke functie in het lichaam.
Organen Zijn opgebouwd uit verschillende weefsels.
Weefsels De specifieke weefsels zijn opgebouwd uit cellen van dezelfde
soort.
Cellen De bouw van een cel is afhankelijk van de werking van de cel.
Moleculen
1.2. De basis van het leven: de menselijke cel
celmembraan Scheidt de binnenkant van de cel af van de buitenkant.
Ultradun vlies.
Cytoplasma Geleiachtige vloeistof die uit water, eiwitten, suikers, vetten en
mineralen bestaat.
Kernplasma Gelijkaardig aan cytoplasma
, Kernmembraan Omsluit de celkern en door de kernporiën kan info worden
uitgewisseld tussen de binnen en buitenkant van de celkern.
Organellen: kleine organen van de cel die voorzien in het levensonderhoud ervan
Mitochondriën De energiecentrales van de cel.
Zetten voedingsstoffen om in bruikbare energie.
Bevatten beetje DNA.
Endoplasmatisch Ribosomen;
reticulum (ER) Aanmaak van eiwitten.
Zetten de genetische instructies in het DNA om naar eiwitten.
Eiwitten bepalen bouw en werking van ons organisme.
Richt zich op de productie van vetten en op de ontgiftging van
alcohol.
Golgi-complex of Het verzend en ontvangstkantoor van de cel.
apparaat Ontvangt de geproduceerde eiwitten en vetten, verwerkt ze als dat
nodig is en verpakt ze voor transport naar hun bestemming.
Centriolen/ Organisatie van microtubuli en de celdeling
centrosoom
Cytoskelet: de stevigheid van de cel
1.2.1. Het genetisch materiaal
Tweestrengige DNA
Genetisch materiaal: bevat alle codes voor de bouwstenen van de cel
Neemt verschillende vormen aan
Genetische code
DNA
Opgebouwd uit basiseenheden die chemisch met elkaar verbonden zijn
Nucleotide – verbinding base
DNA is dus een aaneenschakeling van nucleotiden en vormt op die manier een
polynucleotide.
Stikstofhoudende basen (basis voor code/recept op het DNA)
DNA RNA
Adenine Adenine De complementaire basen hangen aan
Thymine Uracil elkaar vast met waterstofbruggen.
Cytosine Cytosine A–T
Guanine Guanine A-U C-G
Een mens heeft 46 chromosomen
2 x 23
22 (of 44) zijn autosomen
23e paar zijn de geslachtschromosomen – bepalen het geslacht
Man XY
Vrouw XX
De 46 chromosomen lange draadjes worden georganiseerd als 46 korte en dikke bundeltjes =
chromatide. Er wordt een kopie van gemaakt: zusterchromatide. De plaats waar de
zusterchromatiden aan elkaar hechten noemen we het centromeer.
1.2.2. Hoe wordt de erfelijke code omgezet naar lichaamseigenschappen?
Genotype Code in DNA
Geef je door
fenotype Wordt bepaald door het
genotype
Eiwitsynthese
Milieu/omgevingsfactoren!
, Expressie
De bouw van eiwitten moet onder controle gehouden worden. Eiwitten zijn belangrijk: bepalen
werking en bouw van ons lichaam.
Als eiwitten niet juist worden aangemaakt: problemen zoals diabetes, mucoviscidose…
De instructies liggen in het DNA. De reeks opeenvolgende basen in het DNA leveren de
instructie om een specifiek aminozuur aan te maken.
Eiwitsynthese: van DNA naar lichaamseigenschappen: zie geschreven blad.
1.2.3. Celcyclus
Cellen moeten ook delen vervangen of weefsels doen groeien. Daarvoor volgen ze een cyclus
die begint bij het ontstaan van de cel (bevruchting of voorgaande celdeling).
Een celcyclus is een reeks van gebeurtenissen die een cel doorloopt om te groeien en zicht te
delen. Eindigt met een celdeling en verloopt in verschillende fases.
Eerste groeifase Eiwitten worden aangemaakt die nodig zijn voor het Interfa
G1 functioneren van de cel. se
Synthesefase S DNA verdubbelen: de zusterchromatiden worden gevormd.
Tweede groeifase Controle en eventueel herstel van het nieuw gevormde DNA.
G2
Delingsfase M Cel is klaar om te delen: mitose of meiose
De mitose of vermeninvuldigingsdeling
Twee identieke zusterchromatiden worden van elkaar gescheiden. Elke set chromosomen
wordt na de scheiding omgeven door een kernmembraan.
Ontstaan twee identieke celkernen met een identieke set chromosomen.
Cytoplasma en organellen worden verdeeld over de twee nieuw gevormde cellen = cytokines.
Deze celdeling bestaat uit 4 fases;
1) Profase: splitsen naar uiteinden van de cel (polen)
2) Metafase: naar midden van de spoelfiguur, vasthechten aan spoeldraden
3) Anafase: spoeldraden trekken zusterchromatiden uit elkaar in richting van polen
4) Telofase: twee nieuwe kernmembranen
Het gedrag van mensen wordt bestudeerd in het licht van biologische processen.
Om psychologische problemen te kunnen begrijpen en behandelen worden vaak ook
biologische factoren betrokken.
Menselijk functioneren is een complex samenspel van biologische, psychologische en sociale
aspecten. Complexe interactie tussen verschillende factoren.
Ons gedrag, maar ook onze emoties en ons denken worden bepaald door zowel biologische,
psychologische als sociale factoren. => Holistische benadering
SAW: Wetenschap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag veranderings-
processen
Hoofdstuk 1: de mens als biologisch organisme
Anatomie De wetenschap van de bouw van inwendige en uitwendige structuur en de
fysieke relatie tussen lichaamsdelen.
Vorm, hoe ziet het eruit?
Fysiologie Studie van levensfuncties en levende organismen
Functie en werking van de anatomie.
Pathologie Oorzaak, mechanismen en gevolgen van ziektes
Ziekteleer
Neurofysiolo De werking van het zenuwstelsel.
gie
1.1.Het organisme mens
Orgaansystemen De organen die behoren tot eenzelfde orgaanstelsel of-systeem
staan in voor een welbepaalde biologische functie.
Opgebouwd uit minstens 2 organen en ondersteunen een
specifieke functie in het lichaam.
Organen Zijn opgebouwd uit verschillende weefsels.
Weefsels De specifieke weefsels zijn opgebouwd uit cellen van dezelfde
soort.
Cellen De bouw van een cel is afhankelijk van de werking van de cel.
Moleculen
1.2. De basis van het leven: de menselijke cel
celmembraan Scheidt de binnenkant van de cel af van de buitenkant.
Ultradun vlies.
Cytoplasma Geleiachtige vloeistof die uit water, eiwitten, suikers, vetten en
mineralen bestaat.
Kernplasma Gelijkaardig aan cytoplasma
, Kernmembraan Omsluit de celkern en door de kernporiën kan info worden
uitgewisseld tussen de binnen en buitenkant van de celkern.
Organellen: kleine organen van de cel die voorzien in het levensonderhoud ervan
Mitochondriën De energiecentrales van de cel.
Zetten voedingsstoffen om in bruikbare energie.
Bevatten beetje DNA.
Endoplasmatisch Ribosomen;
reticulum (ER) Aanmaak van eiwitten.
Zetten de genetische instructies in het DNA om naar eiwitten.
Eiwitten bepalen bouw en werking van ons organisme.
Richt zich op de productie van vetten en op de ontgiftging van
alcohol.
Golgi-complex of Het verzend en ontvangstkantoor van de cel.
apparaat Ontvangt de geproduceerde eiwitten en vetten, verwerkt ze als dat
nodig is en verpakt ze voor transport naar hun bestemming.
Centriolen/ Organisatie van microtubuli en de celdeling
centrosoom
Cytoskelet: de stevigheid van de cel
1.2.1. Het genetisch materiaal
Tweestrengige DNA
Genetisch materiaal: bevat alle codes voor de bouwstenen van de cel
Neemt verschillende vormen aan
Genetische code
DNA
Opgebouwd uit basiseenheden die chemisch met elkaar verbonden zijn
Nucleotide – verbinding base
DNA is dus een aaneenschakeling van nucleotiden en vormt op die manier een
polynucleotide.
Stikstofhoudende basen (basis voor code/recept op het DNA)
DNA RNA
Adenine Adenine De complementaire basen hangen aan
Thymine Uracil elkaar vast met waterstofbruggen.
Cytosine Cytosine A–T
Guanine Guanine A-U C-G
Een mens heeft 46 chromosomen
2 x 23
22 (of 44) zijn autosomen
23e paar zijn de geslachtschromosomen – bepalen het geslacht
Man XY
Vrouw XX
De 46 chromosomen lange draadjes worden georganiseerd als 46 korte en dikke bundeltjes =
chromatide. Er wordt een kopie van gemaakt: zusterchromatide. De plaats waar de
zusterchromatiden aan elkaar hechten noemen we het centromeer.
1.2.2. Hoe wordt de erfelijke code omgezet naar lichaamseigenschappen?
Genotype Code in DNA
Geef je door
fenotype Wordt bepaald door het
genotype
Eiwitsynthese
Milieu/omgevingsfactoren!
, Expressie
De bouw van eiwitten moet onder controle gehouden worden. Eiwitten zijn belangrijk: bepalen
werking en bouw van ons lichaam.
Als eiwitten niet juist worden aangemaakt: problemen zoals diabetes, mucoviscidose…
De instructies liggen in het DNA. De reeks opeenvolgende basen in het DNA leveren de
instructie om een specifiek aminozuur aan te maken.
Eiwitsynthese: van DNA naar lichaamseigenschappen: zie geschreven blad.
1.2.3. Celcyclus
Cellen moeten ook delen vervangen of weefsels doen groeien. Daarvoor volgen ze een cyclus
die begint bij het ontstaan van de cel (bevruchting of voorgaande celdeling).
Een celcyclus is een reeks van gebeurtenissen die een cel doorloopt om te groeien en zicht te
delen. Eindigt met een celdeling en verloopt in verschillende fases.
Eerste groeifase Eiwitten worden aangemaakt die nodig zijn voor het Interfa
G1 functioneren van de cel. se
Synthesefase S DNA verdubbelen: de zusterchromatiden worden gevormd.
Tweede groeifase Controle en eventueel herstel van het nieuw gevormde DNA.
G2
Delingsfase M Cel is klaar om te delen: mitose of meiose
De mitose of vermeninvuldigingsdeling
Twee identieke zusterchromatiden worden van elkaar gescheiden. Elke set chromosomen
wordt na de scheiding omgeven door een kernmembraan.
Ontstaan twee identieke celkernen met een identieke set chromosomen.
Cytoplasma en organellen worden verdeeld over de twee nieuw gevormde cellen = cytokines.
Deze celdeling bestaat uit 4 fases;
1) Profase: splitsen naar uiteinden van de cel (polen)
2) Metafase: naar midden van de spoelfiguur, vasthechten aan spoeldraden
3) Anafase: spoeldraden trekken zusterchromatiden uit elkaar in richting van polen
4) Telofase: twee nieuwe kernmembranen