Examen economie periode 2
5. kringlopen en bbp
5.1 Macro-economische grootheden
Wat is macro-economie?
Het is de studie van geaggregeerde grootheden die gelden voor grote groepen.
Het doel daarvan:
De economische groei bevorderen
De werkloosheid zo laag mogelijk brengen/houden.
De inflatie (= de stijging van het algemene prijspeil) onder controle houden.
à Welvarende maatschappij
5.1.1 De economische activiteit (bbp)
De economische activiteit is een vicieuze cirkel:
1. De activiteit (het werk) doen door mensen en middelen in te zetten.
à Input (= Kapitaal: benodigdheden voor het maken van het product, en arbeid: de
werkende mensen.)
2. De productie van de goederen en diensten breng je tot stand (bbp)
Output (verkopen)
3. Zo krijg je het inkomen en gaat uiteindelijk leiden tot een vraag naar de goederen en
diensten
Als deze 3 stappen voorbij zijn begint het opnieuw.
Voorbeeld bakkerij:
1. Je koopt alle benodigdheden om brood te maken zoals bloem en een oven. Je neemt
personeel aan en hun bakken de broodjes
2. Als er genoeg broodjes zijn gaat de bakker open en worden de broodjes verkocht.
3. Daar betalen de klanten de broodjes en eten die op.
Bbp (bruto binnenlands product) is de waarde van de totale stroom afgewerkte goederen en
diensten die de economie van een land of gebied over een periode van een jaar produceert.
Het is de meest gebruikte maat voor de economische activiteit
Voorbeeld: werkeloosheid, aantal faillissementen, inflatie
1
,Factoren die de grootte van de economische activiteit kunnen bepalen:
De aanbodfactoren (supply-side)
De vraagfactoren (demand-side)
Aanbodfactoren: De productiecapaciteit bepaald hoeveel er geproduceerd kan worden en
dus hoe hoog het bbp kan zijn. Dat zijn structurele factoren. Voorbeeld: bevolkingsgroei,
technologische ontwikkeling en onderwijs. Die verander je niet op 1 dag, alleen op lange
termijn.
Vraagfactoren: De factoren van de vraag zijn conjuncturele factoren. De grootte van de
vraag komt door de inkomens van gezinnen, overheid, bedrijven en het buitenland. Dat kan
je dus wel veranderen op korte termijn.
Voorbeeld: Door corona gingen heel veel bedrijven failliet, omdat iedereen in quarantaine
zat, en dat was veranderd op 1 dag. Denk aan kappers en restaurants
5.1.2. De indicatoren vanuit verschillende invalshoeken
1. Nominale bbp: Lijkt of de economie heel erg hard is gegroeid, maar als de prijzen
stijgen heeft dit een heel grote invloed hierop. (Lopende prijzen)
2. Reële bbp: Het meten met de prijzen van het basisjaar, zo kan je kijken of de
economie wel werkelijk is gegroeid. De groei is minder groot dan nominaal, omdat het
reëel de prijzen niet meerekent. (Constante prijzen)
Het bbp heeft geen beperkingen, en houdt geen rekening met:
De vervulling (groene bbp = verandert de bbp in de kwaliteit van het leefmilieu)
De grootte van de bevolking (bbp per capita = we vergelijken het bbp over de landen
heen, een land met meer inwoners heeft een hoger bbp)
Gezondheid, scholingsgraad, koopkracht/capita (HDI = human development index
betrekt die factoren wel in het bbp)
Het ontbreken van activiteiten zoals thuisarbeid, vrijwilligerswerk en zwartwerk want
je verdient daar geen geld mee, dus gaat niet naar de overheid
(Oefening 2)
5.2 De economische kringloop
De economische kringloop is een schematische weergave van de goederen -en geldstromen
in een land of regio à macro-economisch niveau
Het is een abstracte voorstelling van de relaties in een land tussen:
Gezinnen
Bedrijven
Overheid
Banken
Het buitenland
De huishoudens gezamenlijke verdienen en bedrijven produceren.
2
, Het helpt ons bij het verklaren van de economische groei, recessie en hoe je het bbp moet
meten.
5.2.1 Van vereenvoudigde economische groei naar een open kringloop met
overheid, banken en buitenland
Bij de vereenvoudigde kringloop
geldt dat Y=C
Het nationale inkomen wordt dus
volledig geconsumeerd/besteed
Wij (consumenten) verwachten geld te
ontvangen van bedrijven (werk), maar
dat geef je uit aan andere bedrijven –
producenten bedrijven(supermarkt)
Y= inkomen C= uitgaven
Consument Consument Gesloten kringloop
en Huishoudens met banken:
leveren
productie De banken halen geld
S op bij consumenten die
factoren CO
Banken C sparen. Ze kunnen niet
hun volledig inkomen
Spare
besteden: Y=C+S
Y n
I Met het ontvangen
spaargeld kunnen
banken investeren in
bedrijven - Y=C+I
Producente Produc
Bedrijven S=I
enten
levere S = sparen I= investeren
n
goeder
en en
dienst
en De gesloten
kringloop met de
overheid:
Gezinnen betalen belastingen aan de
overheid. à Ze kunnen niet meer volledige
inkomen spenderen aan de bedrijven.
Y = C+S+T
3
, De overheid zal daarmee overheidsuitgaven doen zoals het aanleggen van wegen,
onderwijs, …à te kort, lenen geld bij banken
De producenten krijgen dus hun inkomen niet alleen van de consumptie maar ook van de
overheid en banen. à Y = C+G+I
(S-I) = spaarsaldo (T-G) = Overheidssaldo
G = overheidsuitgaven T=taxen/belastingen
Bij deze kan het buitenland er nog bijkomen:
Waarbij producten van het buitenland worden geëxporteerd X = importeren M = goederen
(X-M) = netto export ( saldo op de lopende rekening of handelsbalans)
Inkomensbesteding (consument): Y = C+S+T
Productiezijde (producent): Y = C+I+G+ (X-M)
Macro-economische balansvergelijking: (S-I) + (T-G) = (X-M)
Het particulier spaarsaldo plus het overheidssaldo is gelijk aan het saldo op de lopende
rekening. Ze 2 saldi moeten dus op elkaar volledig componeren.
Te veel importeren is ook niet goed, want anders gaan de mensen niet meer werken
in ons land.
5.2.2. Macro-economisch evenwicht
Het inkomen wordt niet
volledig geconsumeerd:
lekken à sparen,
belastingen en de import
Er zijn niet enkel
consumpties: injecties à
investeren,
overheidsbelastingen en
de export
I + G + X > S + T + M à de
economische activiteit stijgt = meer geld binnenkrijgen
I + G + X < S + T + M à De economische activiteit daalt = minder geld binnenkrijgen, want
minder mensen werken
I + G + X = S + T + M à De economische activiteit blijft stabiel = geld = 0
(S-I) + (T-G) = (X-M)
4
5. kringlopen en bbp
5.1 Macro-economische grootheden
Wat is macro-economie?
Het is de studie van geaggregeerde grootheden die gelden voor grote groepen.
Het doel daarvan:
De economische groei bevorderen
De werkloosheid zo laag mogelijk brengen/houden.
De inflatie (= de stijging van het algemene prijspeil) onder controle houden.
à Welvarende maatschappij
5.1.1 De economische activiteit (bbp)
De economische activiteit is een vicieuze cirkel:
1. De activiteit (het werk) doen door mensen en middelen in te zetten.
à Input (= Kapitaal: benodigdheden voor het maken van het product, en arbeid: de
werkende mensen.)
2. De productie van de goederen en diensten breng je tot stand (bbp)
Output (verkopen)
3. Zo krijg je het inkomen en gaat uiteindelijk leiden tot een vraag naar de goederen en
diensten
Als deze 3 stappen voorbij zijn begint het opnieuw.
Voorbeeld bakkerij:
1. Je koopt alle benodigdheden om brood te maken zoals bloem en een oven. Je neemt
personeel aan en hun bakken de broodjes
2. Als er genoeg broodjes zijn gaat de bakker open en worden de broodjes verkocht.
3. Daar betalen de klanten de broodjes en eten die op.
Bbp (bruto binnenlands product) is de waarde van de totale stroom afgewerkte goederen en
diensten die de economie van een land of gebied over een periode van een jaar produceert.
Het is de meest gebruikte maat voor de economische activiteit
Voorbeeld: werkeloosheid, aantal faillissementen, inflatie
1
,Factoren die de grootte van de economische activiteit kunnen bepalen:
De aanbodfactoren (supply-side)
De vraagfactoren (demand-side)
Aanbodfactoren: De productiecapaciteit bepaald hoeveel er geproduceerd kan worden en
dus hoe hoog het bbp kan zijn. Dat zijn structurele factoren. Voorbeeld: bevolkingsgroei,
technologische ontwikkeling en onderwijs. Die verander je niet op 1 dag, alleen op lange
termijn.
Vraagfactoren: De factoren van de vraag zijn conjuncturele factoren. De grootte van de
vraag komt door de inkomens van gezinnen, overheid, bedrijven en het buitenland. Dat kan
je dus wel veranderen op korte termijn.
Voorbeeld: Door corona gingen heel veel bedrijven failliet, omdat iedereen in quarantaine
zat, en dat was veranderd op 1 dag. Denk aan kappers en restaurants
5.1.2. De indicatoren vanuit verschillende invalshoeken
1. Nominale bbp: Lijkt of de economie heel erg hard is gegroeid, maar als de prijzen
stijgen heeft dit een heel grote invloed hierop. (Lopende prijzen)
2. Reële bbp: Het meten met de prijzen van het basisjaar, zo kan je kijken of de
economie wel werkelijk is gegroeid. De groei is minder groot dan nominaal, omdat het
reëel de prijzen niet meerekent. (Constante prijzen)
Het bbp heeft geen beperkingen, en houdt geen rekening met:
De vervulling (groene bbp = verandert de bbp in de kwaliteit van het leefmilieu)
De grootte van de bevolking (bbp per capita = we vergelijken het bbp over de landen
heen, een land met meer inwoners heeft een hoger bbp)
Gezondheid, scholingsgraad, koopkracht/capita (HDI = human development index
betrekt die factoren wel in het bbp)
Het ontbreken van activiteiten zoals thuisarbeid, vrijwilligerswerk en zwartwerk want
je verdient daar geen geld mee, dus gaat niet naar de overheid
(Oefening 2)
5.2 De economische kringloop
De economische kringloop is een schematische weergave van de goederen -en geldstromen
in een land of regio à macro-economisch niveau
Het is een abstracte voorstelling van de relaties in een land tussen:
Gezinnen
Bedrijven
Overheid
Banken
Het buitenland
De huishoudens gezamenlijke verdienen en bedrijven produceren.
2
, Het helpt ons bij het verklaren van de economische groei, recessie en hoe je het bbp moet
meten.
5.2.1 Van vereenvoudigde economische groei naar een open kringloop met
overheid, banken en buitenland
Bij de vereenvoudigde kringloop
geldt dat Y=C
Het nationale inkomen wordt dus
volledig geconsumeerd/besteed
Wij (consumenten) verwachten geld te
ontvangen van bedrijven (werk), maar
dat geef je uit aan andere bedrijven –
producenten bedrijven(supermarkt)
Y= inkomen C= uitgaven
Consument Consument Gesloten kringloop
en Huishoudens met banken:
leveren
productie De banken halen geld
S op bij consumenten die
factoren CO
Banken C sparen. Ze kunnen niet
hun volledig inkomen
Spare
besteden: Y=C+S
Y n
I Met het ontvangen
spaargeld kunnen
banken investeren in
bedrijven - Y=C+I
Producente Produc
Bedrijven S=I
enten
levere S = sparen I= investeren
n
goeder
en en
dienst
en De gesloten
kringloop met de
overheid:
Gezinnen betalen belastingen aan de
overheid. à Ze kunnen niet meer volledige
inkomen spenderen aan de bedrijven.
Y = C+S+T
3
, De overheid zal daarmee overheidsuitgaven doen zoals het aanleggen van wegen,
onderwijs, …à te kort, lenen geld bij banken
De producenten krijgen dus hun inkomen niet alleen van de consumptie maar ook van de
overheid en banen. à Y = C+G+I
(S-I) = spaarsaldo (T-G) = Overheidssaldo
G = overheidsuitgaven T=taxen/belastingen
Bij deze kan het buitenland er nog bijkomen:
Waarbij producten van het buitenland worden geëxporteerd X = importeren M = goederen
(X-M) = netto export ( saldo op de lopende rekening of handelsbalans)
Inkomensbesteding (consument): Y = C+S+T
Productiezijde (producent): Y = C+I+G+ (X-M)
Macro-economische balansvergelijking: (S-I) + (T-G) = (X-M)
Het particulier spaarsaldo plus het overheidssaldo is gelijk aan het saldo op de lopende
rekening. Ze 2 saldi moeten dus op elkaar volledig componeren.
Te veel importeren is ook niet goed, want anders gaan de mensen niet meer werken
in ons land.
5.2.2. Macro-economisch evenwicht
Het inkomen wordt niet
volledig geconsumeerd:
lekken à sparen,
belastingen en de import
Er zijn niet enkel
consumpties: injecties à
investeren,
overheidsbelastingen en
de export
I + G + X > S + T + M à de
economische activiteit stijgt = meer geld binnenkrijgen
I + G + X < S + T + M à De economische activiteit daalt = minder geld binnenkrijgen, want
minder mensen werken
I + G + X = S + T + M à De economische activiteit blijft stabiel = geld = 0
(S-I) + (T-G) = (X-M)
4