Samenvatting hogere cognitie
H1: Denken & problemen oplossen............................................................................................ 2
1.1 Inleiding............................................................................................................................ 2
1.2 Taxonomie van het denken................................................................................................ 3
1.2.1 Heeft het denken een doel?........................................................................................ 3
1.2.2 Heeft het denken een precies startpunt?....................................................................3
1.2.3 Is er een verhoging van semantische informatie?.......................................................3
1.3 Problem space hypothese................................................................................................. 4
1.4 Algemene probleemoplossingsmethoden..........................................................................4
1.4.1 Generate-and-test techniek........................................................................................ 5
1.4.2 Means-ends analyse.................................................................................................... 5
1.4.4 Backtracking............................................................................................................... 5
1.4.5 Redeneren door analogieën te gebruiken...................................................................6
1.5 Hinderpalen bij probleem oplossen................................................................................... 6
1.5.1 Mentale set................................................................................................................. 6
1.5.2 Incomplete of foute representatie...............................................................................7
1.6 Expertise........................................................................................................................... 7
1.6.1 Hoe verschillen experten van novices?.......................................................................7
1.6.2 Hoe ontstaan die verschillen tussen experten & novices?..........................................7
1.7 Creativiteit........................................................................................................................ 8
1.7.1 Fasen in creativiteit..................................................................................................... 9
1.7.2 Welke processen maken deel uit van creativiteit?.......................................................9
1.7.3 Welke componenten maken deel uit van creativiteit?.................................................9
H2: Deductie en inductie.......................................................................................................... 11
2.1 Deductie.......................................................................................................................... 11
2.1.1 Wat deductie is en de relevantie ervan.....................................................................11
2.1.2 Redeneren verloopt via de regels van de logica........................................................11
2.1.3 Natuurlijke deductie of regeltheorieën......................................................................11
2.1.4 Minder goede alternatieven: pragmatische redeneerschema’s & evolutionaire
psychologie........................................................................................................................ 12
2.1.5 De mentale modellen theorie.................................................................................... 13
2.1.6 De invloed van talige factoren op redeneren............................................................14
2.2 Inductie........................................................................................................................... 15
H3: beslissen............................................................................................................................ 16
3.1 Inleiding.......................................................................................................................... 16
3.2 Fasen in beslissen........................................................................................................... 16
3.3 Cognitieve illusies bij het nemen van beslissingen.........................................................16
1
, 3.3.1 Basisconcepten van probabiliteit.............................................................................. 16
3.3.2 Beschikbaarheid........................................................................................................ 17
3.3.3 Representativiteit...................................................................................................... 17
3.3.4 Framing effects......................................................................................................... 18
3.3.5 Anchoring.................................................................................................................. 18
3.3.6 Hindsight bias........................................................................................................... 18
3.3.7 Confirmation bias...................................................................................................... 18
3.3.8 Overconfidence......................................................................................................... 18
3.4 Theorieën mbt nemen van beslissingen..........................................................................19
3.4.1 Expected utility theory.............................................................................................. 19
3.4.2 Multi-attribute utility theory...................................................................................... 19
3.4.3 Prospect theory......................................................................................................... 20
H1: Denken & problemen oplossen
1.1 Inleiding
Wat is denken?
2
, - Niet makkelijk te definiëren -> veel gebeurd onbewust, enkel resultaat komt in
bewustzijn
- ‘definitie’ = cognitief proces gericht op het begrijpen van de wereld en oplossen van
problemen -> omvat verbeelding, taal, communicatie,…
Basiseigenschappen van denken
- Abstract: denken over hypothetische zaken die niet tastbaar of onbestaand zijn
- Symbolisch: gebruik maken van taal (woorden/getallen)
- Relationeel: legt verbanden tussen dingen
- Soms onlogisch/fout
1.2 Taxonomie van het denken
1.2.1 Heeft het denken een doel?
2 soorten van denken
1. Unfocused thinking/ill-defined thinking = denken zonder doel
- Buiten bewuste controle, zonder een bepaalde bestemming
- Geen/minder duidelijk startinformatie
- Dagdromen
- Meer representatief voor alledaags denken: rekening houden met onbekende factoren,
meerdere mogelijke oplossingen/oplossingsmethoden, soms geen oplossing,
verschillende criteria
2. Focused & well-defined thinking
- Precies startpunt & doel
- Alles ertussen ligt vast (deterministisch)
- Rekenen
- Meest onderzocht: makkelijk aan te bieden, makkelijk te scoren en aan te passen, ze
duren minder lang
Assumptie: oplossen well-defined en ill-defined problems verloopt op dezelfde wijze
(niet empirisch bevestigd)
Meeste soorten van denken liggen tussen de 2 extremen (continuüm)
Heel veel denken heeft wel een doel
Meeste denken niet volledig gedetermineerd
1.2.2 Heeft het denken een precies startpunt?
Creativiteit = vorm van denken met doel maar niet volledig gedetermineerd
- Leidt tot originele & geschikte/bruikbare resultaten
Niet duidelijk wat origineel precies is -> originaliteit in het algemeen of voor de maker?
Geschikt/bruikbaar ook discutabel (vb. kunst)
- Niet ‘vanuit het niets’ -> bijna altijd gebaseerd op al bestaande zaken
- Geen duidelijk expliciet startpunt
Wanneer ‘dagdromen’ stopt en het echte creatieve denkproces start is zeer onduidelijk
1.2.3 Is er een verhoging van semantische informatie?
Fenomenen typisch voor alledaags redeneren
1. Overgang van proposities naar 1 conclusie
2. De conclusie hangt af van hoe je de premissen begrijpt & achtergrondkennis
3
, 3. Je trekt een informatieve conclusie -> hoe meer situaties een bepaalde propositie
uitsluit, hoe meer semantische informatie ze bevat
4. Veel alledaagse conclusies zijn niet valide -> inductie = het komen tot waarschijnlijke,
niet noodzakelijk valide conclusies
- Instance-based generalization = obv specifieke gevallen tot een algemene conclusie
komen
Vb. witte zwanen
5. Deductie = soort van denken waarbij de semantische informatie niet verhoogd wordt
- Op een andere manier zeggen wat al in de premissen zit
- Als de premissen correct zijn, dan zal de valide conclusie ook altijd correct zijn
1.3 Problem space hypothese
Problemen beschrijven in termen van een probleemruimte
- Bevat alle mogelijke configuraties/stappen
in een probleem
- Vb. Towers of Hanoi
Probleemruimte bekijken als alle mogelijke
configuraties + hoe van de ene naar de
andere configuratie overstappen
Elke mogelijke toestand is een node in
mentale grafiek + elke verbinding toont dat
je van ene naar andere toestand kan
overgaan
- Je hebt duidelijk startpunt + doel nodig
- Een pad is een sequentie stappen van de begintoestand tot de eindtoestand
Goed probleemoplossend gedrag = vinden van efficiënte paden die zo kort mogelijk zijn
In AI verschillende algoritmes ontwikkeld om te zoeken in probleemruimte -> welke strategie
best is afhankelijk van aard van de probleemruimte
1. Depth-first search = zo ver mogelijk 1 pad onderzoeken en dan terugkeren en
alternatieven onderzoeken
2. Breadth-first search = alle mogelijke stappen bekijken en dan consequenties ervan
onderzoeken en verdergaan
Problemen oplossen met Problem space hypothese
- Werkt goed bij duidelijke omlijnde problemen (well-defined problems)
Vb. schaken, Tower of Hanoi,…
- Werkt niet goed bij complexe, realistische problemen (ill-defined problems)
Dan enkel werkbaar bij gebruik van meerdere probleemruimtes
1.4 Algemene probleemoplossingsmethoden
Probleem = situatie waar er geen onmiddellijke manier is om het doel te bereiken
- Geen onmiddellijke routine om obstakels te overwinnen
4
H1: Denken & problemen oplossen............................................................................................ 2
1.1 Inleiding............................................................................................................................ 2
1.2 Taxonomie van het denken................................................................................................ 3
1.2.1 Heeft het denken een doel?........................................................................................ 3
1.2.2 Heeft het denken een precies startpunt?....................................................................3
1.2.3 Is er een verhoging van semantische informatie?.......................................................3
1.3 Problem space hypothese................................................................................................. 4
1.4 Algemene probleemoplossingsmethoden..........................................................................4
1.4.1 Generate-and-test techniek........................................................................................ 5
1.4.2 Means-ends analyse.................................................................................................... 5
1.4.4 Backtracking............................................................................................................... 5
1.4.5 Redeneren door analogieën te gebruiken...................................................................6
1.5 Hinderpalen bij probleem oplossen................................................................................... 6
1.5.1 Mentale set................................................................................................................. 6
1.5.2 Incomplete of foute representatie...............................................................................7
1.6 Expertise........................................................................................................................... 7
1.6.1 Hoe verschillen experten van novices?.......................................................................7
1.6.2 Hoe ontstaan die verschillen tussen experten & novices?..........................................7
1.7 Creativiteit........................................................................................................................ 8
1.7.1 Fasen in creativiteit..................................................................................................... 9
1.7.2 Welke processen maken deel uit van creativiteit?.......................................................9
1.7.3 Welke componenten maken deel uit van creativiteit?.................................................9
H2: Deductie en inductie.......................................................................................................... 11
2.1 Deductie.......................................................................................................................... 11
2.1.1 Wat deductie is en de relevantie ervan.....................................................................11
2.1.2 Redeneren verloopt via de regels van de logica........................................................11
2.1.3 Natuurlijke deductie of regeltheorieën......................................................................11
2.1.4 Minder goede alternatieven: pragmatische redeneerschema’s & evolutionaire
psychologie........................................................................................................................ 12
2.1.5 De mentale modellen theorie.................................................................................... 13
2.1.6 De invloed van talige factoren op redeneren............................................................14
2.2 Inductie........................................................................................................................... 15
H3: beslissen............................................................................................................................ 16
3.1 Inleiding.......................................................................................................................... 16
3.2 Fasen in beslissen........................................................................................................... 16
3.3 Cognitieve illusies bij het nemen van beslissingen.........................................................16
1
, 3.3.1 Basisconcepten van probabiliteit.............................................................................. 16
3.3.2 Beschikbaarheid........................................................................................................ 17
3.3.3 Representativiteit...................................................................................................... 17
3.3.4 Framing effects......................................................................................................... 18
3.3.5 Anchoring.................................................................................................................. 18
3.3.6 Hindsight bias........................................................................................................... 18
3.3.7 Confirmation bias...................................................................................................... 18
3.3.8 Overconfidence......................................................................................................... 18
3.4 Theorieën mbt nemen van beslissingen..........................................................................19
3.4.1 Expected utility theory.............................................................................................. 19
3.4.2 Multi-attribute utility theory...................................................................................... 19
3.4.3 Prospect theory......................................................................................................... 20
H1: Denken & problemen oplossen
1.1 Inleiding
Wat is denken?
2
, - Niet makkelijk te definiëren -> veel gebeurd onbewust, enkel resultaat komt in
bewustzijn
- ‘definitie’ = cognitief proces gericht op het begrijpen van de wereld en oplossen van
problemen -> omvat verbeelding, taal, communicatie,…
Basiseigenschappen van denken
- Abstract: denken over hypothetische zaken die niet tastbaar of onbestaand zijn
- Symbolisch: gebruik maken van taal (woorden/getallen)
- Relationeel: legt verbanden tussen dingen
- Soms onlogisch/fout
1.2 Taxonomie van het denken
1.2.1 Heeft het denken een doel?
2 soorten van denken
1. Unfocused thinking/ill-defined thinking = denken zonder doel
- Buiten bewuste controle, zonder een bepaalde bestemming
- Geen/minder duidelijk startinformatie
- Dagdromen
- Meer representatief voor alledaags denken: rekening houden met onbekende factoren,
meerdere mogelijke oplossingen/oplossingsmethoden, soms geen oplossing,
verschillende criteria
2. Focused & well-defined thinking
- Precies startpunt & doel
- Alles ertussen ligt vast (deterministisch)
- Rekenen
- Meest onderzocht: makkelijk aan te bieden, makkelijk te scoren en aan te passen, ze
duren minder lang
Assumptie: oplossen well-defined en ill-defined problems verloopt op dezelfde wijze
(niet empirisch bevestigd)
Meeste soorten van denken liggen tussen de 2 extremen (continuüm)
Heel veel denken heeft wel een doel
Meeste denken niet volledig gedetermineerd
1.2.2 Heeft het denken een precies startpunt?
Creativiteit = vorm van denken met doel maar niet volledig gedetermineerd
- Leidt tot originele & geschikte/bruikbare resultaten
Niet duidelijk wat origineel precies is -> originaliteit in het algemeen of voor de maker?
Geschikt/bruikbaar ook discutabel (vb. kunst)
- Niet ‘vanuit het niets’ -> bijna altijd gebaseerd op al bestaande zaken
- Geen duidelijk expliciet startpunt
Wanneer ‘dagdromen’ stopt en het echte creatieve denkproces start is zeer onduidelijk
1.2.3 Is er een verhoging van semantische informatie?
Fenomenen typisch voor alledaags redeneren
1. Overgang van proposities naar 1 conclusie
2. De conclusie hangt af van hoe je de premissen begrijpt & achtergrondkennis
3
, 3. Je trekt een informatieve conclusie -> hoe meer situaties een bepaalde propositie
uitsluit, hoe meer semantische informatie ze bevat
4. Veel alledaagse conclusies zijn niet valide -> inductie = het komen tot waarschijnlijke,
niet noodzakelijk valide conclusies
- Instance-based generalization = obv specifieke gevallen tot een algemene conclusie
komen
Vb. witte zwanen
5. Deductie = soort van denken waarbij de semantische informatie niet verhoogd wordt
- Op een andere manier zeggen wat al in de premissen zit
- Als de premissen correct zijn, dan zal de valide conclusie ook altijd correct zijn
1.3 Problem space hypothese
Problemen beschrijven in termen van een probleemruimte
- Bevat alle mogelijke configuraties/stappen
in een probleem
- Vb. Towers of Hanoi
Probleemruimte bekijken als alle mogelijke
configuraties + hoe van de ene naar de
andere configuratie overstappen
Elke mogelijke toestand is een node in
mentale grafiek + elke verbinding toont dat
je van ene naar andere toestand kan
overgaan
- Je hebt duidelijk startpunt + doel nodig
- Een pad is een sequentie stappen van de begintoestand tot de eindtoestand
Goed probleemoplossend gedrag = vinden van efficiënte paden die zo kort mogelijk zijn
In AI verschillende algoritmes ontwikkeld om te zoeken in probleemruimte -> welke strategie
best is afhankelijk van aard van de probleemruimte
1. Depth-first search = zo ver mogelijk 1 pad onderzoeken en dan terugkeren en
alternatieven onderzoeken
2. Breadth-first search = alle mogelijke stappen bekijken en dan consequenties ervan
onderzoeken en verdergaan
Problemen oplossen met Problem space hypothese
- Werkt goed bij duidelijke omlijnde problemen (well-defined problems)
Vb. schaken, Tower of Hanoi,…
- Werkt niet goed bij complexe, realistische problemen (ill-defined problems)
Dan enkel werkbaar bij gebruik van meerdere probleemruimtes
1.4 Algemene probleemoplossingsmethoden
Probleem = situatie waar er geen onmiddellijke manier is om het doel te bereiken
- Geen onmiddellijke routine om obstakels te overwinnen
4