Thema 5. Armoede
1. Armoede: definitie en kernmerken ervan
Definitie: Armoede is een netwerk [armoedeweb] van sociale uitsluitingen
dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en
collectieve bestaan.
Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de
samenleving.
Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen. (Vranken, Geldof
& Van Menxel, 1996:28)
Armoede heeft een veelvoudig en verweven karakter: verschillende
aspecten stapelen zich op en versterken elkaar. Een belangrijke structurele
factor is iemands positie in het economische productieproces. Economisch
productieve arbeid blijft de centrale en meest gelegitimeerde basis voor
het verkrijgen van inkomen, status en macht. Wie niet (volwaardig) kan
deelnemen aan dit productieproces, start met een achterstand.
Hoewel mensen in armoede een heterogene groep vormen, delen ze vaak
breuklijnen met de rest van de samenleving:
- Relationeel: armoede gaat vaak gepaard met isolement, kleinere
sociale netwerken en beperkte wederzijdse steun. Dit tast niet
alleen de materiële ruilmogelijkheden aan, maar ook het gevoel
van eigenwaarde.
- Ruimtelijk: armoede concentreert zich regelmatig in bepaalde
stadswijken.
- Maatschappelijke dualisering: er ontstaat een contrast tussen het
‘normtraject’ van zelfstandig functionerende individuen binnen
wettelijke kaders en mensen die aangewezen zijn op
afhankelijkheidsrelaties (van overheid, informele economie,
precaire arbeid, parallelle consumptiecircuits). Hierdoor ontstaan
twee nauwelijks met elkaar in contact komende werelden.
1. Armoede: definitie en kernmerken ervan
Definitie: Armoede is een netwerk [armoedeweb] van sociale uitsluitingen
dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en
collectieve bestaan.
Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de
samenleving.
Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen. (Vranken, Geldof
& Van Menxel, 1996:28)
Armoede heeft een veelvoudig en verweven karakter: verschillende
aspecten stapelen zich op en versterken elkaar. Een belangrijke structurele
factor is iemands positie in het economische productieproces. Economisch
productieve arbeid blijft de centrale en meest gelegitimeerde basis voor
het verkrijgen van inkomen, status en macht. Wie niet (volwaardig) kan
deelnemen aan dit productieproces, start met een achterstand.
Hoewel mensen in armoede een heterogene groep vormen, delen ze vaak
breuklijnen met de rest van de samenleving:
- Relationeel: armoede gaat vaak gepaard met isolement, kleinere
sociale netwerken en beperkte wederzijdse steun. Dit tast niet
alleen de materiële ruilmogelijkheden aan, maar ook het gevoel
van eigenwaarde.
- Ruimtelijk: armoede concentreert zich regelmatig in bepaalde
stadswijken.
- Maatschappelijke dualisering: er ontstaat een contrast tussen het
‘normtraject’ van zelfstandig functionerende individuen binnen
wettelijke kaders en mensen die aangewezen zijn op
afhankelijkheidsrelaties (van overheid, informele economie,
precaire arbeid, parallelle consumptiecircuits). Hierdoor ontstaan
twee nauwelijks met elkaar in contact komende werelden.