STRAFPROCESRECHT
Jeanne Eggers
, TITEL 1. ALGEMENE BEGINSELEN
STRAFPROCESRECHT
Hoofdstuk 1. Definitie ........................................................................................ 2
1. Begrip .......................................................................................................... 2
2. Onderscheid materieel & formeel strafrecht ....................................................... 3
3. Doelstellingen v/h strafproces .......................................................................... 5
Hoofdstuk 2. Accusatoire v. inquisitoire rechtspleging ....................................... 7
1. Principe ........................................................................................................ 7
2. Praktijk (common law landen vs continentale landen) ......................................... 8
Hoofdstuk 3. Verloop van het strafproces .......................................................... 9
1. Vooronderzoek .............................................................................................. 9
2. Onderzoek ten gronde ................................................................................... 18
Hoofdstuk 4. Actoren in het strafproces ........................................................... 21
1. De verdachte................................................................................................ 21
2. Het slachtoffer .............................................................................................. 25
3. De burgerlijke aansprakelijke partij (BAP) ........................................................ 29
4. De (vrijwillige of gedwongen) tussenkomende partij .......................................... 29
5. De politie ..................................................................................................... 30
6. Het openbaar ministerie ................................................................................. 35
7. De onderzoeksrechter .................................................................................... 41
8. De onderzoeksgerechten ................................................................................ 44
9. De vonnisgerechten ...................................................................................... 48
10. Strafuitvoeringsrechtbanken ......................................................................... 51
11. Justitieassistenten en justitiehuizen ............................................................... 51
12. Tuchtrechtbanken ....................................................................................... 51
Hoofdstuk 5. Beleidsorganen (i/h SPR)............................................................ 53
1. Minister van justitie ....................................................................................... 54
2. Het college van procureurs generaal ................................................................ 54
3. De procureur des konings .............................................................................. 55
4. De raad van procureurs des konings ................................................................ 55
(inhoudsopgave telkens aan het begin van een nieuw deel)
1
,HOOFDSTUK 1. DEFINITIE
1. BEGRIP
- Strafprocesrecht
o = formeel strafrecht = strafrechtspleging = strafvordering
o De praktische toepassing v/h mat. Strafrecht kan slechts worden gerealiseerd via
het strafprocesrecht
o = het geheel van rechtsregels betreffende de opsporing, vervolging en berechting
van personen die ervan verdacht worden een misdrijf te hebben gepleegd.
§ Scenario’s & vormvoorschriften die hierbij gevolgd moeten worden
§ Bepaalt de rechtspositie v/d verschillende betrokken personen
§ De regels mbt de organisatie & werking van strafgerechten
§ De regels mbt de tenuitvoerlegging v/d beslissingen van die gerechten
- Tegenhanger v/h materieel strafrecht:
o Laat het materieel strafrecht tot leven komen
o Wanneer is iets strafbaar? à materieel strafrecht
o BV: verbod om te doden = materieel SR, procesrecht = hoe komt je tot het bewijs
van dat misdrijf?, door wie wordt de straf uitgesproken?, wie zorgt voor de
tenuitvoerlegging?
2
,2. ONDERSCHEID MATERIEEL & FORMEEL STRAFRECHT
A. PERSONEN TOT WIE DE REGELS GERICHT ZIJN
- Materieel strafrecht:
o Gericht tot de gehele bevolking à burgers & overheid
- Formeel strafprocesrecht
o In 1ste plaats à gericht tot de overheid (politie, magistratuur)
§ De personen belast met de toepassing van SPR: politie, magistratuur
§ Inquisitoir karakter SPR: strafproces = proces tussen gemeenschap
(vertegenwoordigd door OM) & de verdachte, geen proces tussen partijen
§ Beperkingen die de OH aan zichzelf opleggen
o Uitzonderlijk à gericht tot de burger
§ BV: wanneer je zelf verdacht wordt van een misdrijf, als je als getuige
optreedt, degene bij wie een onderzoeksmaatregel wordt uitgevoerd (BV: een
huiszoeking, een telefoontap..), het slachtoffer
B. INHOUD VAN DE REGELS
- Materieel strafrecht:
o Worden gekenmerkt door hun vanzelfsprekendheid, er is meer consensus over:
weten wanneer iets strafbar is of niet
§ BV: niet doden, niet stelen.
§ Verklaring: materieel strafrecht beschermd fundamentele waarden
o Dit uit zich op verschillende manieren:
§ De regels zijn minder onderhevig aan evolutie en zijn ook meestal gelijklopend
in verschillende landen:
• BV: rechtsfiguur noodtoestand: strookt met het buikgevoel en vind je
terug in meerdere landen
- Formeel strafprocesrecht:
o Hebben deze ‘vanzelfsprekendheid’ niet, er is een minder grote consensus over, er
kan meer discussie bestaan over deze regels: er kunnen discussies over gevoerd
worden
§ Omdat deze tot doel hebben een evenwicht te realiseren tussen verschillende
belangen: (als je het ene meer wil zal je iets moeten afnemen van het
andere..)
§ Rechtshandhaving: als overheid zorgen voor zo weinig mogelijk criminaliteit en
als het gebeurt daar gepast op reageren
§ Bescherming fundamentele rechten: je wil er ook voor zorgen dat
fundamentele rechten (recht op privacy, eerlijk proces) worden geëerbiedigd,
niet enkel voor de verdachte maar ook alle andere personen
§ Deze balans is ook onderhevig aan maatschappelijke evolutie
3
,C. SANCTIONERING VAN DE SCHENDINGEN V/D REGELS
- Materieel strafrecht:
o Op elk misdrijf staat een straf à als een regel wordt miskent staat steeds i/d wet
wat de sanctie is met min & max.
- Formeel strafprocesrecht:
o De precieze processuele sanctie varieert naargelang de norm & is veelal niet op
voorhand bij wet bepaald (er is weinig duidelijkheid over de precieze sanctie)
§ Soms nietigheid
§ Soms gevolgen op vlak van bewijsvoering
§ Soms ontvankelijkheid of verval v/d strafvordering
§ Soms geen sanctie
§ Dikwijls is dit onzeker
o Als MS is men soms niet blij met deze sancties (een strafvordering wordt
onontvankelijk verklaart) maar het is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat deze
vormvoorschriften worden nageleefd (het moet pijn doen, anders zijn het geen
sancties) want deze zijn noodzakelijk als waarborg voor de fundamentele rechten
o Bv: Wat als iemand langer dan 48u vastzit, wat is de sanctie dan? of Een
huiszoeking mag als er schriftelijk en voorafgaande toestemming is bewoner van
het huis (gevorderd door pdk), wat als huiszoeking onwettig is gebeurd, wat is de
sanctie? Er zijn zoveel spelregels maar er is niet altijd een sanctie als die spelregels
worden overtreden. Niet op straffe van nietigheid voorgeschreven ! Moet bepaald
worden door de rechter, de rechter zal beslissen wat de sanctie is.
4
,3. DOELSTELLINGEN V/H STRAFPROCES
- In het strafproces staan verschillende belangen tegenover elkaar:
o Belangen v/d gemeenschap à bestraffing criminaliteit
o Belangen v/h slachtoffer à schadevergoeding
o Belangen v/d verdachte à eerlijk proces
- Het strafproces heeft hierdoor een dubbele finaliteit:
o Enerzijds waarheidsvinding maar anderzijds mag dit niet ten koste gaan van
individuele grondrechten.
- Het is de taak v/h strafprocesrecht om deze tegenstrijdige belangen met elkaar te
verzoenen.
A. WAARHEIDSVINDING
- De regels v/h strafprocesrecht zijn opgesteld voornamelijk vanuit de invalshoek v/h
openbaar belang. à daarom ook als voornaamste doel: de waarheidsvinding
B. BESCHERMING VAN INDIVIDUELE GRONDRECHTEN
- Vanuit de invalshoek van de individuele burger heeft het strafprocesrecht ook een
andere zeer belangrijke functie: de eerbied voor individuele grondrechten.
o In het kader van de waarheidsvinding worden namelijk bevoegdheden toegekend
aan de overheid die een zeer verregaande beperking van grondrechten kunnen
inhouden (huiszoeking, verborgen camera’s). Deze bevoegdheden bestaan tegen de
verdachte maar ook ten aanzien van derden.
o Omdat elke burger hier potentieel mee geconfronteerd kan worden is het niet alleen
ten voordele van de verdachte maar ten voordele van eenieder dat de individuele
grondrechten beschermd worden.
- Als een persoon vervolgd wordt wegens een misdrijf dan geniet deze persoon van een
complex van grondrechten onder de naam rechten van de verdediging.
o Deze zijn niet systematisch geregeld in het Belgisch strafprocesrecht
o De voornaamste rechtsbronnen zijn art. 6 EVRM en art. 14 IVBRP
5
,C. ONDERLINGE AFWEGING VAN WAARHEIDSVINDING & INDIVIDUELE
GRONDRECHTEN
- Oorspronkelijk: stond de waarheidsvinding als doel van het strafproces centraal.
o Alleen wettelijkheidsvereiste:
§ De beperking van grondrechten moet steeds op wettelijke basis berusten.
§ Strafrechtelijk overheidsoptreden kan slechts plaatsvinden op grond van de
wet en in de vormen door de wet bepaald.
§ Inhoudelijke vereisten werden nog niet gesteld het was voldoende dat
overheidsoptreden op een wettelijke basis rusten opdat het rechtmatig was.
- Later heeft het EVRM hier verandering in gebracht:
o Ook inhoudelijke vereisten.
§ Het is niet voldoende dat overheidsoptreden op een wettelijke basis rust, de
wet moet ook zelf aan zekere voorwaarden voldoen opdat een inbreuk op
individuele grondrechten geoorloofd is.
§ BV: huiszoeking: niet voldoende dat OR een huiszoekingsbevel uitvaardigt, het
moet ook voldoende gemotiveerd zijn
§ BV: vrijheidsberoving: is niet voldoende dat het op een wettelijke basis steunt,
is slechts in welbepaalde gevallen mogelijk, EVRM bevat limitatieve
opsomming.
- De belangen van de burger in het algemeen (grondrechten) en de verdachte in het
bijzonder (rechten van verdediging) wegen meer door dan voordien. Het kan zijn dat de
waarheidsvinding hiervoor soms moet wijken.
o BV: de rechter mag zich niet baseren op onrechtmatig verkregen bewijs
- De concrete afweging tussen waarheidsvinding en grondrechten moet gebeuren door
de rechtspraak.
o De wet en het EVRM geven slechts algemene richtsnoeren
o BV: recht op behandeling zaak binnen een redelijke termijn, maar sanctie hierop
wordt niet bepaald in EVRM. De rechter moet deze zelf bepalen in functie van de
afweging tussen beide belangen.
- In de afweging van beide belangen kan men een slingerbeweging vaststellen:
o Oorspronkelijk leek de waarheidsvinding te primeren maar nu komen de
mensenrechten en grondrechten meer centraal te staan.
o Maar intussen nieuwe evoluties:
§ Antigoonrechtspraak cassatie waardoor sanctionering op onrechtmatig
verkregen bewijs versoepeld wordt. Enkel nog in drie hypotheses wordt
onrechtmatig bewijs buiten beschouwing gelaten.
§ In veel landen werd antiterroristische wetgeving aangenomen waardoor de
rechten van de verdediging beperkt worden.
6
,HOOFDSTUK 2. ACCUSATOIRE V. INQUISITOIRE RECHTSPLEGING
1. PRINCIPE
- Accusatoire rechtspleging = horizontale processtructuur
o Aanklager & verdediging staan op gelijke voet & strijden met gelijke wapens
§ De beklaagde is niet het object v/h onderzoek, maar een volwaardige
procespartij
§ De partijen hebben het proces volledig in handen en bepalen welke
onderzoeksverrichtingen zullen plaatsvinden en op welke wijze
o Alle onderzoeksverrichtingen zijn tegensprekelijk in aanwezigheid van de partijen
§ BV: getuigen worden gehoord ter terechtzitting
o Passieve rol van de rechter: toezien dat procedure correct verloopt
§ Hij zal zelf geen onderzoekshandelingen verrichten of bevelen
§ BV: cross-examination
§ De partijen zijn dus ook zelf verantwoordelijk voor het zoeken naar bewijzen,
heeft voordelen en nadelen, je zal ook zelf bewijs ten onlaste moeten zoeken
o Volledige openbaarheid van het proces ten aanzien van de partijen en het publiek
- Inquisitoire rechtspleging = verticale processtructuur
o De overheid bepaalt het procesverloop, wordt niet aan de partijen overgelaten
§ De partijen ondergaan het proces
§ In een zuiver inquisitoir systeem ondergaan de partijen niet enkel het
vooronderzoek maar ook het proces à bestaat niet meer in de praktijk
o Openbare aanklager die ambtshalve optreedt namens de gemeenschap
o Actieve rol van de rechter: ontdekken v/d waarheid
§ Rechter heeft verregaande bevoegdheden à hij kijkt dus niet passief toe op
procesvoering door de partijen maar heeft er de actieve leiding van.
o Geheim & niet-tegensprekelijk karakter
§ Nu in de praktijk: enkel het vooronderzoek, zelfs niet volledig (gemengd
stelsel)
o De verdachte is het ‘object’ van de rechtspleging
7
,2. PRAKTIJK (COMMON LAW LANDEN VS CONTINENTALE LANDEN)
- In Angelsaksische landen/common law: strafrechtspleging meestal accusatoir
o De rechter moet niet zelf de waarheid vinden maar moet enkel beslissen of de
tenlastelegging voldoende bewezen is.
o Het onderzoek wordt verricht door de politie: geen OM en geen OR. Voor
dwangmaatregelen wordt een beroep gedaan op een gewone rechter die beslist in
openbare terechtzitting.
- I/d continentaal-Europese landen: strafrechtspleging meestal inquisitoir, maar niet
meer i/d zuivere vorm
o Vandaag nergens meer in haar zuivere vorm ß maar in veel WE landen heeft de
procedure nog inquisitoire trekken:
§ Een fase voorafgaand aan de terechtzitting: het vooronderzoek
• Is schriftelijk, geheim en niet-tegensprekelijk
• Niet autonoom door de politie maar onder leiding van het OM
• Dwangbevelen door een OR
§ Alle onderzoeksverrichtingen worden op schrift gesteld en gebundeld in een
strafdossier = de basis voor de tweede fase
§ Tweede fase: de fase ter terechtzitting
• Heeft een accusatoir karakter: openbaar, mondeling en tegensprekelijk,
de rechter heeft een meer passieve rol de equality of arms is verzekerd.
• Maar ook nog inquisitoire trekken: de rechter kan ambtshalve nog
bijkomend onderzoek bevelen en het onderzoek ter terechtzitting steunt
voornamelijk.
8
, HOOFDSTUK 3. VERLOOP VAN HET STRAFPROCES
- Het strafproces verloopt in 2 fasen. Heeft te maken met het gemengd inquisitoir
karakter v/h B strafproces:
1. De geheime fase: het vooronderzoek (inquisitoir) ß zie schema!
2. De openbare fase: het onderzoek ten gronde. (accusatoir)
1. VOORONDERZOEK
- Vooronderzoek = de onderzoeksfase die het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat.
o Doel: de verdachte identificeren en nagaan of er voldoende bezwaren tegen hem
zijn
o De onderzoeksverrichtingen zijn ‘voorlopig’ want worden pas in het onderzoek ten
gronde beoordeeld.
o Als er onvoldoende bezwaren gevonden worden of de verdachte kan niet worden
geïdentificeerd dan kan het onderzoek stopgezet worden en wordt de tweede fase
niet aangevat.
- Meeste aandacht wordt besteed a/h vooronderzoek omdat de rechter zich hier bij de
beoordeling ook het meeste op baseert.
Vooronderzoek Onderzoek ten gronde
à 2 scenario’s à speciaal: HvA
1. Opsporingsonderzoek
2. Gerechtelijk onderzoek à Kenmerken:
- openbaar (intern,
à Kenmerken: extern)
- geheim (intern, extern)
- tegensprekelijk
- niet-tegensprekelijk - mondeling
- schriftelijk (strafdossier)
9
Jeanne Eggers
, TITEL 1. ALGEMENE BEGINSELEN
STRAFPROCESRECHT
Hoofdstuk 1. Definitie ........................................................................................ 2
1. Begrip .......................................................................................................... 2
2. Onderscheid materieel & formeel strafrecht ....................................................... 3
3. Doelstellingen v/h strafproces .......................................................................... 5
Hoofdstuk 2. Accusatoire v. inquisitoire rechtspleging ....................................... 7
1. Principe ........................................................................................................ 7
2. Praktijk (common law landen vs continentale landen) ......................................... 8
Hoofdstuk 3. Verloop van het strafproces .......................................................... 9
1. Vooronderzoek .............................................................................................. 9
2. Onderzoek ten gronde ................................................................................... 18
Hoofdstuk 4. Actoren in het strafproces ........................................................... 21
1. De verdachte................................................................................................ 21
2. Het slachtoffer .............................................................................................. 25
3. De burgerlijke aansprakelijke partij (BAP) ........................................................ 29
4. De (vrijwillige of gedwongen) tussenkomende partij .......................................... 29
5. De politie ..................................................................................................... 30
6. Het openbaar ministerie ................................................................................. 35
7. De onderzoeksrechter .................................................................................... 41
8. De onderzoeksgerechten ................................................................................ 44
9. De vonnisgerechten ...................................................................................... 48
10. Strafuitvoeringsrechtbanken ......................................................................... 51
11. Justitieassistenten en justitiehuizen ............................................................... 51
12. Tuchtrechtbanken ....................................................................................... 51
Hoofdstuk 5. Beleidsorganen (i/h SPR)............................................................ 53
1. Minister van justitie ....................................................................................... 54
2. Het college van procureurs generaal ................................................................ 54
3. De procureur des konings .............................................................................. 55
4. De raad van procureurs des konings ................................................................ 55
(inhoudsopgave telkens aan het begin van een nieuw deel)
1
,HOOFDSTUK 1. DEFINITIE
1. BEGRIP
- Strafprocesrecht
o = formeel strafrecht = strafrechtspleging = strafvordering
o De praktische toepassing v/h mat. Strafrecht kan slechts worden gerealiseerd via
het strafprocesrecht
o = het geheel van rechtsregels betreffende de opsporing, vervolging en berechting
van personen die ervan verdacht worden een misdrijf te hebben gepleegd.
§ Scenario’s & vormvoorschriften die hierbij gevolgd moeten worden
§ Bepaalt de rechtspositie v/d verschillende betrokken personen
§ De regels mbt de organisatie & werking van strafgerechten
§ De regels mbt de tenuitvoerlegging v/d beslissingen van die gerechten
- Tegenhanger v/h materieel strafrecht:
o Laat het materieel strafrecht tot leven komen
o Wanneer is iets strafbaar? à materieel strafrecht
o BV: verbod om te doden = materieel SR, procesrecht = hoe komt je tot het bewijs
van dat misdrijf?, door wie wordt de straf uitgesproken?, wie zorgt voor de
tenuitvoerlegging?
2
,2. ONDERSCHEID MATERIEEL & FORMEEL STRAFRECHT
A. PERSONEN TOT WIE DE REGELS GERICHT ZIJN
- Materieel strafrecht:
o Gericht tot de gehele bevolking à burgers & overheid
- Formeel strafprocesrecht
o In 1ste plaats à gericht tot de overheid (politie, magistratuur)
§ De personen belast met de toepassing van SPR: politie, magistratuur
§ Inquisitoir karakter SPR: strafproces = proces tussen gemeenschap
(vertegenwoordigd door OM) & de verdachte, geen proces tussen partijen
§ Beperkingen die de OH aan zichzelf opleggen
o Uitzonderlijk à gericht tot de burger
§ BV: wanneer je zelf verdacht wordt van een misdrijf, als je als getuige
optreedt, degene bij wie een onderzoeksmaatregel wordt uitgevoerd (BV: een
huiszoeking, een telefoontap..), het slachtoffer
B. INHOUD VAN DE REGELS
- Materieel strafrecht:
o Worden gekenmerkt door hun vanzelfsprekendheid, er is meer consensus over:
weten wanneer iets strafbar is of niet
§ BV: niet doden, niet stelen.
§ Verklaring: materieel strafrecht beschermd fundamentele waarden
o Dit uit zich op verschillende manieren:
§ De regels zijn minder onderhevig aan evolutie en zijn ook meestal gelijklopend
in verschillende landen:
• BV: rechtsfiguur noodtoestand: strookt met het buikgevoel en vind je
terug in meerdere landen
- Formeel strafprocesrecht:
o Hebben deze ‘vanzelfsprekendheid’ niet, er is een minder grote consensus over, er
kan meer discussie bestaan over deze regels: er kunnen discussies over gevoerd
worden
§ Omdat deze tot doel hebben een evenwicht te realiseren tussen verschillende
belangen: (als je het ene meer wil zal je iets moeten afnemen van het
andere..)
§ Rechtshandhaving: als overheid zorgen voor zo weinig mogelijk criminaliteit en
als het gebeurt daar gepast op reageren
§ Bescherming fundamentele rechten: je wil er ook voor zorgen dat
fundamentele rechten (recht op privacy, eerlijk proces) worden geëerbiedigd,
niet enkel voor de verdachte maar ook alle andere personen
§ Deze balans is ook onderhevig aan maatschappelijke evolutie
3
,C. SANCTIONERING VAN DE SCHENDINGEN V/D REGELS
- Materieel strafrecht:
o Op elk misdrijf staat een straf à als een regel wordt miskent staat steeds i/d wet
wat de sanctie is met min & max.
- Formeel strafprocesrecht:
o De precieze processuele sanctie varieert naargelang de norm & is veelal niet op
voorhand bij wet bepaald (er is weinig duidelijkheid over de precieze sanctie)
§ Soms nietigheid
§ Soms gevolgen op vlak van bewijsvoering
§ Soms ontvankelijkheid of verval v/d strafvordering
§ Soms geen sanctie
§ Dikwijls is dit onzeker
o Als MS is men soms niet blij met deze sancties (een strafvordering wordt
onontvankelijk verklaart) maar het is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat deze
vormvoorschriften worden nageleefd (het moet pijn doen, anders zijn het geen
sancties) want deze zijn noodzakelijk als waarborg voor de fundamentele rechten
o Bv: Wat als iemand langer dan 48u vastzit, wat is de sanctie dan? of Een
huiszoeking mag als er schriftelijk en voorafgaande toestemming is bewoner van
het huis (gevorderd door pdk), wat als huiszoeking onwettig is gebeurd, wat is de
sanctie? Er zijn zoveel spelregels maar er is niet altijd een sanctie als die spelregels
worden overtreden. Niet op straffe van nietigheid voorgeschreven ! Moet bepaald
worden door de rechter, de rechter zal beslissen wat de sanctie is.
4
,3. DOELSTELLINGEN V/H STRAFPROCES
- In het strafproces staan verschillende belangen tegenover elkaar:
o Belangen v/d gemeenschap à bestraffing criminaliteit
o Belangen v/h slachtoffer à schadevergoeding
o Belangen v/d verdachte à eerlijk proces
- Het strafproces heeft hierdoor een dubbele finaliteit:
o Enerzijds waarheidsvinding maar anderzijds mag dit niet ten koste gaan van
individuele grondrechten.
- Het is de taak v/h strafprocesrecht om deze tegenstrijdige belangen met elkaar te
verzoenen.
A. WAARHEIDSVINDING
- De regels v/h strafprocesrecht zijn opgesteld voornamelijk vanuit de invalshoek v/h
openbaar belang. à daarom ook als voornaamste doel: de waarheidsvinding
B. BESCHERMING VAN INDIVIDUELE GRONDRECHTEN
- Vanuit de invalshoek van de individuele burger heeft het strafprocesrecht ook een
andere zeer belangrijke functie: de eerbied voor individuele grondrechten.
o In het kader van de waarheidsvinding worden namelijk bevoegdheden toegekend
aan de overheid die een zeer verregaande beperking van grondrechten kunnen
inhouden (huiszoeking, verborgen camera’s). Deze bevoegdheden bestaan tegen de
verdachte maar ook ten aanzien van derden.
o Omdat elke burger hier potentieel mee geconfronteerd kan worden is het niet alleen
ten voordele van de verdachte maar ten voordele van eenieder dat de individuele
grondrechten beschermd worden.
- Als een persoon vervolgd wordt wegens een misdrijf dan geniet deze persoon van een
complex van grondrechten onder de naam rechten van de verdediging.
o Deze zijn niet systematisch geregeld in het Belgisch strafprocesrecht
o De voornaamste rechtsbronnen zijn art. 6 EVRM en art. 14 IVBRP
5
,C. ONDERLINGE AFWEGING VAN WAARHEIDSVINDING & INDIVIDUELE
GRONDRECHTEN
- Oorspronkelijk: stond de waarheidsvinding als doel van het strafproces centraal.
o Alleen wettelijkheidsvereiste:
§ De beperking van grondrechten moet steeds op wettelijke basis berusten.
§ Strafrechtelijk overheidsoptreden kan slechts plaatsvinden op grond van de
wet en in de vormen door de wet bepaald.
§ Inhoudelijke vereisten werden nog niet gesteld het was voldoende dat
overheidsoptreden op een wettelijke basis rusten opdat het rechtmatig was.
- Later heeft het EVRM hier verandering in gebracht:
o Ook inhoudelijke vereisten.
§ Het is niet voldoende dat overheidsoptreden op een wettelijke basis rust, de
wet moet ook zelf aan zekere voorwaarden voldoen opdat een inbreuk op
individuele grondrechten geoorloofd is.
§ BV: huiszoeking: niet voldoende dat OR een huiszoekingsbevel uitvaardigt, het
moet ook voldoende gemotiveerd zijn
§ BV: vrijheidsberoving: is niet voldoende dat het op een wettelijke basis steunt,
is slechts in welbepaalde gevallen mogelijk, EVRM bevat limitatieve
opsomming.
- De belangen van de burger in het algemeen (grondrechten) en de verdachte in het
bijzonder (rechten van verdediging) wegen meer door dan voordien. Het kan zijn dat de
waarheidsvinding hiervoor soms moet wijken.
o BV: de rechter mag zich niet baseren op onrechtmatig verkregen bewijs
- De concrete afweging tussen waarheidsvinding en grondrechten moet gebeuren door
de rechtspraak.
o De wet en het EVRM geven slechts algemene richtsnoeren
o BV: recht op behandeling zaak binnen een redelijke termijn, maar sanctie hierop
wordt niet bepaald in EVRM. De rechter moet deze zelf bepalen in functie van de
afweging tussen beide belangen.
- In de afweging van beide belangen kan men een slingerbeweging vaststellen:
o Oorspronkelijk leek de waarheidsvinding te primeren maar nu komen de
mensenrechten en grondrechten meer centraal te staan.
o Maar intussen nieuwe evoluties:
§ Antigoonrechtspraak cassatie waardoor sanctionering op onrechtmatig
verkregen bewijs versoepeld wordt. Enkel nog in drie hypotheses wordt
onrechtmatig bewijs buiten beschouwing gelaten.
§ In veel landen werd antiterroristische wetgeving aangenomen waardoor de
rechten van de verdediging beperkt worden.
6
,HOOFDSTUK 2. ACCUSATOIRE V. INQUISITOIRE RECHTSPLEGING
1. PRINCIPE
- Accusatoire rechtspleging = horizontale processtructuur
o Aanklager & verdediging staan op gelijke voet & strijden met gelijke wapens
§ De beklaagde is niet het object v/h onderzoek, maar een volwaardige
procespartij
§ De partijen hebben het proces volledig in handen en bepalen welke
onderzoeksverrichtingen zullen plaatsvinden en op welke wijze
o Alle onderzoeksverrichtingen zijn tegensprekelijk in aanwezigheid van de partijen
§ BV: getuigen worden gehoord ter terechtzitting
o Passieve rol van de rechter: toezien dat procedure correct verloopt
§ Hij zal zelf geen onderzoekshandelingen verrichten of bevelen
§ BV: cross-examination
§ De partijen zijn dus ook zelf verantwoordelijk voor het zoeken naar bewijzen,
heeft voordelen en nadelen, je zal ook zelf bewijs ten onlaste moeten zoeken
o Volledige openbaarheid van het proces ten aanzien van de partijen en het publiek
- Inquisitoire rechtspleging = verticale processtructuur
o De overheid bepaalt het procesverloop, wordt niet aan de partijen overgelaten
§ De partijen ondergaan het proces
§ In een zuiver inquisitoir systeem ondergaan de partijen niet enkel het
vooronderzoek maar ook het proces à bestaat niet meer in de praktijk
o Openbare aanklager die ambtshalve optreedt namens de gemeenschap
o Actieve rol van de rechter: ontdekken v/d waarheid
§ Rechter heeft verregaande bevoegdheden à hij kijkt dus niet passief toe op
procesvoering door de partijen maar heeft er de actieve leiding van.
o Geheim & niet-tegensprekelijk karakter
§ Nu in de praktijk: enkel het vooronderzoek, zelfs niet volledig (gemengd
stelsel)
o De verdachte is het ‘object’ van de rechtspleging
7
,2. PRAKTIJK (COMMON LAW LANDEN VS CONTINENTALE LANDEN)
- In Angelsaksische landen/common law: strafrechtspleging meestal accusatoir
o De rechter moet niet zelf de waarheid vinden maar moet enkel beslissen of de
tenlastelegging voldoende bewezen is.
o Het onderzoek wordt verricht door de politie: geen OM en geen OR. Voor
dwangmaatregelen wordt een beroep gedaan op een gewone rechter die beslist in
openbare terechtzitting.
- I/d continentaal-Europese landen: strafrechtspleging meestal inquisitoir, maar niet
meer i/d zuivere vorm
o Vandaag nergens meer in haar zuivere vorm ß maar in veel WE landen heeft de
procedure nog inquisitoire trekken:
§ Een fase voorafgaand aan de terechtzitting: het vooronderzoek
• Is schriftelijk, geheim en niet-tegensprekelijk
• Niet autonoom door de politie maar onder leiding van het OM
• Dwangbevelen door een OR
§ Alle onderzoeksverrichtingen worden op schrift gesteld en gebundeld in een
strafdossier = de basis voor de tweede fase
§ Tweede fase: de fase ter terechtzitting
• Heeft een accusatoir karakter: openbaar, mondeling en tegensprekelijk,
de rechter heeft een meer passieve rol de equality of arms is verzekerd.
• Maar ook nog inquisitoire trekken: de rechter kan ambtshalve nog
bijkomend onderzoek bevelen en het onderzoek ter terechtzitting steunt
voornamelijk.
8
, HOOFDSTUK 3. VERLOOP VAN HET STRAFPROCES
- Het strafproces verloopt in 2 fasen. Heeft te maken met het gemengd inquisitoir
karakter v/h B strafproces:
1. De geheime fase: het vooronderzoek (inquisitoir) ß zie schema!
2. De openbare fase: het onderzoek ten gronde. (accusatoir)
1. VOORONDERZOEK
- Vooronderzoek = de onderzoeksfase die het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat.
o Doel: de verdachte identificeren en nagaan of er voldoende bezwaren tegen hem
zijn
o De onderzoeksverrichtingen zijn ‘voorlopig’ want worden pas in het onderzoek ten
gronde beoordeeld.
o Als er onvoldoende bezwaren gevonden worden of de verdachte kan niet worden
geïdentificeerd dan kan het onderzoek stopgezet worden en wordt de tweede fase
niet aangevat.
- Meeste aandacht wordt besteed a/h vooronderzoek omdat de rechter zich hier bij de
beoordeling ook het meeste op baseert.
Vooronderzoek Onderzoek ten gronde
à 2 scenario’s à speciaal: HvA
1. Opsporingsonderzoek
2. Gerechtelijk onderzoek à Kenmerken:
- openbaar (intern,
à Kenmerken: extern)
- geheim (intern, extern)
- tegensprekelijk
- niet-tegensprekelijk - mondeling
- schriftelijk (strafdossier)
9