ECONOMIE
HOOFDSTUK 1: WAT IS ECONOMIE?
1. INLEIDING: WAAROVER GAAT ECONOMIE?
Door economie te gaan studeren kan je uiteindelijk hulp verlenen bij het nemen van beslissingen in
bedrijven, organisaties, gezinsverband enzovoort. Ook heb je een beter begrip van actuele problemen
zowel lokaal, regionaal, nationaal als op Europees en mondiaal vlak. Zo kan je ook een beter inzicht krijgen
zodat je toekomstige problemen kan voorkomen zoals financiële crisissen en milieuproblemen.
2. HET ECONOMISCH PROBLEEMM: BEHOEFTEN VS SCHAARSE MIDDELEN
Als je beslissingen moet nemen ga je altijd moeten kijken naar zowel de kosten als de baten. Deze moet je
met elkaar vergelijken.
- Kosten zijn alles wat je moet opgeven of betalen om iets te krijgen of te doen => wat je betaalt of
opgeeft
- Baten zijn alles wat je krijgt of verdient door iets te doen => wat het je oplevert
Bv. Als je een fiets koopt zijn de kosten het geld dat je ervoor betaalt. Met de fiets kun je sneller naar school,
dat is een baat. Zolang de baten hoger zijn dan de kosten is het een goede beslissing.
Baten meten is vaak niet eenvoudig, maar ook het meten van koste is vaak moeilijker dan je denkt! Je moet
als econoom kijken naar de opportuniteitskost ipv naar de gewone kosten. -> wie kiest geeft iets anders op.
Een opportuniteitskost is de waarde van wat je opgeeft als je voor iets anders kiest. Het is dus een baat
die je mist van het beste alternatief dat je niet heb gekozen.
Bv. Optie A: je kan zaterdag gaan werken en €50 verdienen, optie B: je kan zaterdag naar het pretpark gaan
met vrienden. Als je kiest voor het pretpark, zijn je opportuniteitskosten de €50 die je had kunnen verdienen.
DEFINITIE VAN ECONOMIE (NIET VANBUITEN TE KENNEN):
Een economische analyse gaat na hoe beslissingsmakers (mensen, bedrijven, overheden, en allerlei
organisaties) keuzes maken en wat daarvan de private en maatschappelijke gevolgen zijn.
MICRO EN MACRO ECONOMIE
Micro-economie bestudeert het gedrag van economische agenten (consumenten, producenten) + het
eventuele ingrijpen van de overheid.
- Individueel
- Onderling
Macro-economie bestudeert de invloed van individuele beslissingen op economische aggregaten zoals
werkloosheid, bbp, inflatie,…
3. HET PRODUCTIEPROCES
Productie omvat alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht, en op een
gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van consumenten, door inzet van schaarse middelen:
de productiefactoren -> arbeid, natuur en kapitaal.
1
,Economische goederen = consumptiegoederen +
kapitaalgoederen
- Kapitaalgoederen: goederen die gebruikt worden om
andere dingen te maken
- Consumptiegoederen: goederen die je zo kan kopen bv
een laptop
Eigenlijke productiefactoren:
- Arbeid (L): fysisch en intellectueel
- Natuur (N): grond, lucht, ruimte, klimaat -> primaire
productiefactoren
- Kapitaal (K): gebouwen, machines, infrastructuur ->
afgeleide productiefactor
Bijkomende productiefactor:
- Ondernemersinitiatief: of het risico, creativiteit -> veel
moeilijker te meten. Is belangrijk maar in de economie houden we hier geen rekening mee.
DE PRODUCTIEFUNCTIE
= een technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de maximale hoeveelheid
economische goederen (output) die men daarmee kan produceren.
X = ƒ (L, K, N)
- X = hoeveelheid output
- L = hoeveelheid arbeid
- N = hoeveelheid natuur
- K = hoeveelheid kapitaal
- ‘de hoeveelheid output in functie van de hoeveelheid arbeid, natuur en kapitaal’
CIJFERVOORBEELD
Dit geeft een positief verband weer tussen de input (arbeid) en de output: hoe
meer arbeid je inzet, hoe meer output je krijgt. Extra arbeid wil niet altijd
zeggen dat je ook extra output hebt!
Productie van graan:
De helling wordt telkens kleiner, de helling is hier het marginale product.
Marginaal product = extra productie door inzet van extra eenheid arbeid.
2
, Productie van kleding:
Hier heb je een constant marginaal product -> lineair verloop.
4. DE PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE VAN EEN LAND
We maken een nieuwe tabel waarbij we alle mogelijke combinaties tussen kledij en graan samen zetten als
er 5 eenheden arbeid aanwezig zijn: L = 5
Als we alle 5 de eenheden besteden aan kledij kunnen we niks van kledij maken en omgekeerd, dan zijn er
ook nog verschillende mogelijkheden ertussen.
De kromme lijn laat zien wat maximaal mogelijk is -> alle combinaties van kleding en graan die het land
efficiënt kan produceren.
- Punten op de kromme => economisch efficiënt, het land gebruikt al zijn middelen optimaal, er is
geen verspilling op dat moment.
- Punten onder de kromme (U) => economisch inefficiënt, het land gebruikt zijn middelen niet
volledig.
- Punten boven de kromme (Z) => economisch niet haalbaar, met de huidige middelen en
technologie kan het land zoveel niet produceren.
De opportuniteitskost is hier ook zichtbaar: als het land van punt d naar c gaat (meer graan aanmaken)
moet je een beetje kledij opgeven. Die opgegeven kledij is de opportuniteitskost van de extra
graanproductie.
5. VERRUIMING VAN DE MOGELIJKHEDEN
De curve kan naar buiten verschuiven als er bv technologische vooruitgang is => verruiming van de
productiemogelijkheden.
3
HOOFDSTUK 1: WAT IS ECONOMIE?
1. INLEIDING: WAAROVER GAAT ECONOMIE?
Door economie te gaan studeren kan je uiteindelijk hulp verlenen bij het nemen van beslissingen in
bedrijven, organisaties, gezinsverband enzovoort. Ook heb je een beter begrip van actuele problemen
zowel lokaal, regionaal, nationaal als op Europees en mondiaal vlak. Zo kan je ook een beter inzicht krijgen
zodat je toekomstige problemen kan voorkomen zoals financiële crisissen en milieuproblemen.
2. HET ECONOMISCH PROBLEEMM: BEHOEFTEN VS SCHAARSE MIDDELEN
Als je beslissingen moet nemen ga je altijd moeten kijken naar zowel de kosten als de baten. Deze moet je
met elkaar vergelijken.
- Kosten zijn alles wat je moet opgeven of betalen om iets te krijgen of te doen => wat je betaalt of
opgeeft
- Baten zijn alles wat je krijgt of verdient door iets te doen => wat het je oplevert
Bv. Als je een fiets koopt zijn de kosten het geld dat je ervoor betaalt. Met de fiets kun je sneller naar school,
dat is een baat. Zolang de baten hoger zijn dan de kosten is het een goede beslissing.
Baten meten is vaak niet eenvoudig, maar ook het meten van koste is vaak moeilijker dan je denkt! Je moet
als econoom kijken naar de opportuniteitskost ipv naar de gewone kosten. -> wie kiest geeft iets anders op.
Een opportuniteitskost is de waarde van wat je opgeeft als je voor iets anders kiest. Het is dus een baat
die je mist van het beste alternatief dat je niet heb gekozen.
Bv. Optie A: je kan zaterdag gaan werken en €50 verdienen, optie B: je kan zaterdag naar het pretpark gaan
met vrienden. Als je kiest voor het pretpark, zijn je opportuniteitskosten de €50 die je had kunnen verdienen.
DEFINITIE VAN ECONOMIE (NIET VANBUITEN TE KENNEN):
Een economische analyse gaat na hoe beslissingsmakers (mensen, bedrijven, overheden, en allerlei
organisaties) keuzes maken en wat daarvan de private en maatschappelijke gevolgen zijn.
MICRO EN MACRO ECONOMIE
Micro-economie bestudeert het gedrag van economische agenten (consumenten, producenten) + het
eventuele ingrijpen van de overheid.
- Individueel
- Onderling
Macro-economie bestudeert de invloed van individuele beslissingen op economische aggregaten zoals
werkloosheid, bbp, inflatie,…
3. HET PRODUCTIEPROCES
Productie omvat alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht, en op een
gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van consumenten, door inzet van schaarse middelen:
de productiefactoren -> arbeid, natuur en kapitaal.
1
,Economische goederen = consumptiegoederen +
kapitaalgoederen
- Kapitaalgoederen: goederen die gebruikt worden om
andere dingen te maken
- Consumptiegoederen: goederen die je zo kan kopen bv
een laptop
Eigenlijke productiefactoren:
- Arbeid (L): fysisch en intellectueel
- Natuur (N): grond, lucht, ruimte, klimaat -> primaire
productiefactoren
- Kapitaal (K): gebouwen, machines, infrastructuur ->
afgeleide productiefactor
Bijkomende productiefactor:
- Ondernemersinitiatief: of het risico, creativiteit -> veel
moeilijker te meten. Is belangrijk maar in de economie houden we hier geen rekening mee.
DE PRODUCTIEFUNCTIE
= een technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de maximale hoeveelheid
economische goederen (output) die men daarmee kan produceren.
X = ƒ (L, K, N)
- X = hoeveelheid output
- L = hoeveelheid arbeid
- N = hoeveelheid natuur
- K = hoeveelheid kapitaal
- ‘de hoeveelheid output in functie van de hoeveelheid arbeid, natuur en kapitaal’
CIJFERVOORBEELD
Dit geeft een positief verband weer tussen de input (arbeid) en de output: hoe
meer arbeid je inzet, hoe meer output je krijgt. Extra arbeid wil niet altijd
zeggen dat je ook extra output hebt!
Productie van graan:
De helling wordt telkens kleiner, de helling is hier het marginale product.
Marginaal product = extra productie door inzet van extra eenheid arbeid.
2
, Productie van kleding:
Hier heb je een constant marginaal product -> lineair verloop.
4. DE PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE VAN EEN LAND
We maken een nieuwe tabel waarbij we alle mogelijke combinaties tussen kledij en graan samen zetten als
er 5 eenheden arbeid aanwezig zijn: L = 5
Als we alle 5 de eenheden besteden aan kledij kunnen we niks van kledij maken en omgekeerd, dan zijn er
ook nog verschillende mogelijkheden ertussen.
De kromme lijn laat zien wat maximaal mogelijk is -> alle combinaties van kleding en graan die het land
efficiënt kan produceren.
- Punten op de kromme => economisch efficiënt, het land gebruikt al zijn middelen optimaal, er is
geen verspilling op dat moment.
- Punten onder de kromme (U) => economisch inefficiënt, het land gebruikt zijn middelen niet
volledig.
- Punten boven de kromme (Z) => economisch niet haalbaar, met de huidige middelen en
technologie kan het land zoveel niet produceren.
De opportuniteitskost is hier ook zichtbaar: als het land van punt d naar c gaat (meer graan aanmaken)
moet je een beetje kledij opgeven. Die opgegeven kledij is de opportuniteitskost van de extra
graanproductie.
5. VERRUIMING VAN DE MOGELIJKHEDEN
De curve kan naar buiten verschuiven als er bv technologische vooruitgang is => verruiming van de
productiemogelijkheden.
3