Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 76 pages
Resume

Samenvatting Levenslooppsychologie

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 76 pages

Samenvatting levenslooppsychologie van de syllabus levenslooppsychologie

Aperçu du contenu

Levenslooppsychologie semester 2

H1: Inleiding
1.2 EEN ORIËNTATIE OP DE
LEVENSLOOPPSYCHOLOGIE
1.2.1 EEN DEFINITIE VAN LEVENSLOOPPSYCHOLOGIE
Een definitie van levenslooppsychologie

Levenslooppsychologie wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit van conceptie tot aan
de dood

Wetenschappelijk a.d.h.v. onderzoeken, hypothesen, experimenten, wetenschappelijke bewijzen gaat men de
ontwikkeling gaan indelen in o.a. fasen

Groei, verandering en stabiliteit Menselijke ontwikkeling: universeel? Culturele, raciale of etnische verschillen? Unieke aspecten
van het individu?

Van conceptie tot aan de dood Groei en verandering tot het einde van hun leven ‘levenslooppsychologie’

1.2.2 WAT IS ONTWIKKELING?
Ontwikkelen het veranderen van een aanwezige structuur van lichaam en geest  gedragsveranderingen

ontwikkelen als levenslang proces geen momentopname, maar geleidelijke verandering dat een voortgang inhoudt

voortgang de ontwikkeling is niet herhaalbaar. Bv: eens je kan stappen kan je niet opnieuw leren stappen,
de veranderingen zijn min of meer duurzaam.

Kenmerken van ontwikkeling
 Gedurende de hele levenscyclus
 Gedragsverandering (winst-verlies)
 Levenslang proces
o Verloop in tijd
o Houdt een voortgang in

1.2.3 ACTUELE
VRAAGSTUKKEN EN ONDERWERPEN IN DE
LEVENSLOOPPSYCHOLOGIE
Op dit moment spelen in levenslooppsychologie een aantal centrale vraagstukken en onderwerpen met betrekking tot de ontwikkeling van
kinderen  4 vraagstukken

1.2.3.1 CONTINUE VERANDERING VERSUS DISCONTINUE VERANDERING
Vraag Volstrekt de ontwikkeling zich op een continue of discontinue manier?

continue verandering de ontwikkeling geleidelijk aan en
vloeien de prestaties op een bepaald
niveau voort uit die van de vorige
niveaus.  kwantitatief verschil

Discontinue verandering vindt plaats in aparte stappen of stadia.
Elk stadium levert gedrag, gevoelens
of gedachten op die kwalitatief anders
zijn dan gedrag, gevoelens of
gedachten in eerdere stadia.- kwalitatief verschil

Antwoord beide soorten bestaan naast elkaar. Hoewel veel veranderingen continu zijn, zijn andere
duidelijk discontinu.



1.2.3.2 KRITIEKE PERIODEN EN GEVOELIGE PERIODEN
kritieke periode een specifieke periode in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste
consequenties heeft


1

,Wanneer sprake kritieke periode wanneer de aanwezigheid van bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk zijn voor een
normale ontwikkeling.

gevoelige perioden waarin organismen extra ontvankelijk zijn voor bepaalde soorten stimuli in hun omgeving. In
tegenstelling tot bij een kritieke periode heeft de afwezigheid van stimuli tijdens een gevoelige
periode niet altijd onomkeerbare consequenties.

1.2.3.3 NATURE - NURTURE DISCUSSIE
Vraag Wat weegt het zwaarste door op onze ontwikkeling: nature of nurture?

Nature eigenschappen, vermogens en capaciteiten geërfd van de ouders.

Maturatie elke factor is het resultaat van het geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie. Bv: oogkleur, verstandelijke aanleg, temperament,…

Nurture elke factor die het resultaat is van het geFleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie. Bv: biologische, sociale, maatschappelijke,…

Antwoord De interactie tussen genetische en omgevingsfactoren is heel complex, omdat sommige
genetisch bepaalde eigenschappen niet alleen een directe invloed hebben op het gedrag van
kinderen, maar ook indirect bijdragen aan de vorming van hun omgeving. De begrippen zijn
twee uitersten van elkaar, waarbij specifieke gedragspatronen ergens in het midden
uitkomen.

1.2.3.4 LEVENSLOOP PERSPECTIEF VERSUS FOCUS OP SPECIFIEKE PERIODEN
Vraag Op welk deel van de levensloop moeten ontwikkelingspsychologen zich richten?

Antwoord Volgens vroege ontwikkelingspsychologen waren dat de babytijd en de adolescentie. De meeste
aandacht was duidelijk gericht op die twee perioden. Tegenwoordig kijken we naar de totale
levensloop (levenslooppsychologie).



1.2.4 HET LEVENSLOOP PERSPECTIEF: UITGANGSPUNTEN
Dynamisch Ontwikkeling Is volgens de levensloopbenadering een dynamisch proces dat altijd verder gaat en
zich uitstrekt van bevruchting tot dood en vorm krijgt door complex netwerk, biologische,
sociale,… invloeden.

 Levenslang
 Multi-dimensioneel (verschillende domeinen) en multi-directioneel (+ en -)
 Plastisch
 Beïnvloed door meerdere interagerende factoren
o Cohorteffect
o Normatieve effecten
o Niet-normatieve (gelden niet voor de grote groep, individuele ontwikkelingen) effecten

1.2.4.1 ONTWIKKELING IS EEN LEVENSLANG PROCES
Levenslang Binnen elke levensfase treden er op verschillende domeinen veranderingen in de ontwikkeling
op. Bij elke levensfase horen ook bepaalde ontwikkelingstaken die moeten vervuld worden.

1.2.4.2 ONTWIKKELING IS MULTI-DIMENSIONEEL EN MULTI-DIRECTIONEEL
Multi-dimensioneel Ontwikkeling kan plaats hebben op verschillende domeinen, nl. lichamelijke ontwikkeling,
cognitieve ontwikkeling, sociale of emotionele ontwikkeling. Heel vaak is er interactie tussen
deze domeinen.

Multi-directioneel De ontwikkeling van je vaardigheden is niet oneindig. In elke levensfase, zie je een toename en
afname van vaardigheden en kennis op verschillende domeinen.

1.2.4.3 ONTWIKKELING IS PLASTISCH (VERANDERBAAR)
Plasticiteit Je kan op in elke levensfase blijven ontwikkelen en leren. Bv: bejaarden trainen hun brein door
denkspelletjes te maken.

1.2.4.4 ONTWIKKELING WORDT BEÏNVLOED DOOR MEERDERE INTERAGERENDE FACTOREN
Veranderende historisch-culturele context Mensen zijn gedeeltelijk producten van het sociale tijdperk waarin ze leven, waardoor we tot
een specifieke cohort behoren.

Cohort
2

,Cohort een groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek is geboren. Belangrijke sociale
gebeurtenissen hebben invloed op alle leden van de cohort.

Normatieve gebeurtenissen gebeurtenissen binnen een cohort die zich voor de meeste individuen binnen een groep op
dezelfde manier voltrekken. Ze kunnen biologisch, historisch, sociaal of cultureel bepaald zijn.

Historisch biologische en omgevingsinvloeden die gemeenschappelijk zijn voor mensen van een bepaalde
generatie omwille van de historische omstandigheden. Bv. leven in vluchtelingenkamp ten
gevolge van de oorlog in Sirië

Leeftijdsgebonden biologische en omgevingsinvloeden die gelijk zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep.
Bv: menopauze bij alle vrouwen ongeveer opdelfde leeftijd binnen een SL

Socio-cultureel etnische afkomst, sociale klasse, lidmaatschap van een subcultuur. Bv: immigrantenkinderen die
geen Nederlands spreken.

Niet-normatieve gebeurtenissen specifieke, atypische gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een specifiek persoon op
een tijdstip dat zulke gebeurtenissen de meeste andere mensen niet overkomen. Bv:
borstkanker krijgen op 21-jarige leeftijd




1.3 REIKWIJDTE VAN HET VAKGEBIED
Ze specialiseren zich meestal op twee manieren:

1) leeftijdscategorie (ontwikkelingsfase)
2) Ontwikkelingsthema (ontwikkelingsdomein)

1.3.1 ONTWIKKELINGSFASEN EN DOMEINEN


Ontwikkelingsfasen


Er is een samenhang tussen deze ontwikkelingsgebieden, zowel horizontaal als verticaal

Horizontaal De ontwikkelingsgebieden binnen één leeftijdsfase staan in relatie tot elkaar

Verticaal Over de verschillende leeftijdsfasen is er samenhang binnen één ontwikkelingsdomein. Zo
volgen de verschillende stadia elkaar op. Is het eerste stadium niet bereikt, dan is het
volgende stadium vaak ontoereikend.




H2: De prenatale ontwikkeling
2
2.2 PRENATALE GROEI EN VERANDERING
2.2.1 BEVRUCHTING: HET MOMENT VAN DE CONCEPTIE
 Vanaf conceptie start de ontwikkeling van het kind
 Bepaalde aspecten worden bepaald door de complexe genetische richtlijnen
 De ontwikkeling wordt vanaf het begin beïnvloedt door omgevingsfactoren

2.2.2 STADIA VAN DE PRENATALE ONTWIKKELING
2.2.2.1 DE GERMINALE PERIODE OF KIEMSTADIUM (DE EERSTE WEKEN)
 zygote begint zich te delen (mitosedeling)
o cellen van het organisme nemen toe en krijgen gespecialiseerde functies
o Moedercel deelt zich in 2 identieke dochtercellen.



3

, o Onder invloed van erfelijk materiaal gaat ene cel uitgroeien tot bv. zenuwcel, andere spiercel,… naargelang welke cel je
wordt zie je er anders uit en heb je een andere functie. Zij vormen weefsels die organen vormen, waaruit organen later
orgaanstelsels, zoals ademhalingsstelsel worden gevormd
 placenta, vruchtzak en navelstreng worden gevormd
o Placenta
 Voedingstoffen en uit bloed van moeder worden opgenomen
 Afvalproducten van ongeboren baby komen hierin terecht
o Navelstreng
 Verbinding tussen ongeboren baby en lichaam van moeder
 Voedingsstoffen aangevoerd naar ongeboren baby via aders en afvalstoffen
 weggevoerd naar lichaam van moeder
o Vruchtzak
 Veiligheid
 Volledig gevuld met vruchtwater en omgeeft het kind
 Kind wordt daardoor veilig geborgen, beschermd buitenwereld tot aan geboorte
 Vorming van 3 kiembladen waaruit verschillende zaken gaan ontwikkelen:
1) het endoderm (buitenste laag) waaruit zich de meeste inwendige organen ontwikkelen
2) het mesoderm (middelste laag) waaruit zich het skelet, het spierstelsel, het hart, het bloed en de bloedsomloop en de
geslachtsorganen ontwikkelen.
3) het ectoderm (buitenste laag) waaruit zich de huid, het haar, de tanden, de zintuigen, de hersenen en het ruggenmerg
ontwikkelen.
 innesteling van zygote in de baarmoeder door zwangerschapshormoon is een cruciaal moment, omdat mislukking aanleiding kan
geven tot een vroegtijdig afvloeien  miskraam

2.2.2.2 DE EMBRYONALE PERIODE (2 TOT 8 WEKEN)
 Embryo
 verdere ontwikkeling van de 3V’s
1) Veiligheid (vruchtzak)
2) voedsel (placenta)
3) verbinding (verbinding)
 proces van orogenese: orgaanontwikkeling onder invloed van
ontwikkelingsgenen (erfelijk materiaal)
 In deze fase is embryo (kind) het meest kwetsbaar voor infecties van de moeder
 ochtendmisselijkheid van moeder als teken dat embryo zich aan het ontwikkelen is
 Tot op het einde van deze periode kan een zwangerschapsonderbreking uitgevoerd worden.

2.2.2.3 DE FOETALE PERIODE (8 TOT 38 WEKEN)
 Foetus
 fase van groei en verdere ontwikkeling (functionele ontwikkeling)
 Botvorming

 3e maand
o waarneming van beweging (reflexen)
o reactie op auditieve, visuele en tactiele prikkels
o Spieren worden geoefend
o Geslachtsontwikkeling
 4e maand
o Bewegingen voelbaar voor moeder
o Eerste directe en aangenaam ervaren confrontatie van baby met ouders  psychologisch belangrijk
o Toename gewicht
 6e- 9e maand
o Intensieve groeiperiode van hersenen
 Hersenhelften worden verbonden
 8e maand
o Moederlichaam maakt antistoffen voor foetus aan als bescherming tegen infectieziekten

Zwangerschapshaptonomie contact tussen het kindje in de buik en de ouders, doordat de foetus voelbaar is.

2.2.3 MISKRAAM
miskraam/ spontane abortus wanneer de zwangerschap eindigt voordat het ontwikkelende kind buiten de baarmoeder kan
overleven.

abortus de moeder kiest er vrijwillig voor om haar zwangerschap te beëindigen.

4

Table des matières

  1. 01 1.2 EEN ORIËNTATIE OP DE LEVENSLOOPPSYCHOLOGIE 1
    1. 1.2.1 Een definitie van levenslooppsychologie 1
    2. 1.2.2 Wat is ontwikkeling? 1
    3. 1.2.3 Actuele vraagstukken en onderwerpen in de levenslooppsychologie 1
    4. 1.2.4 Het levensloop perspectief: uitgangspunten 2
  2. 02 1.3 Reikwijdte van het vakgebied 3
    1. 1.3.1 Ontwikkelingsfasen en domeinen 3
  3. 03 2.2 Prenatale groei en verandering 3
    1. 2.2.1 Bevruchting: het moment van de conceptie 3
    2. 2.2.2 Stadia van de prenatale ontwikkeling 3
    3. 2.2.3 Miskraam 4
    4. 2.2.4 Fertiliteitproblemen: alternatieve routes naar een zwangerschap 5
  4. 04 2.3 PRENATALE DIAGNOSTIEK EN GENETISCHE ADVISERING 5
    1. 2.3.1 Technieken om de foetale ontwikkeling te volgen 5
    2. 2.3.2 Begeleiding 6
    3. 2.3.3 Prenatale omgevingsinvloeden 7
    4. 2.3.4 Accenten voor begeleiding 8
  5. 05 3.2 De geboorte 8
    1. 3.2.1 Prematuriteit, postmaturiteit en dismaturiteit 8
    2. 3.2.2 De fasen van de bevalling 9
    3. 3.2.3 Een geboortetrauma? 9
  6. 06 3.3 De pasgeborene 10
    1. 3.3.1 De Apgarscore 10
    2. 3.3.2 De eerste levensfuncties 10
  7. 07 3.4 Lichamelijke ontwikkeling 11
  8. 08 4.2 Lichamelijke ontwikkeling 11
  9. 09 5.2 Lichamelijke ontwikkeling 12
  10. 10 6.2 Lichamelijke ontwikkeling 12
  11. 11 7.2 Lichamelijke ontwikkeling 13
  12. 12 8.2 lichamelijke ontwikkeling 13
    1. 8.2.1 De groeispurt 13
    2. 8.2.2 Seksuele rijpingsprocessen 14
    3. 8.2.3 Reacties op lichamelijke veranderingen 14
  13. 13 8.2 Lichamelijke ontwikkeling 15
    1. 8.2.1 Lichamelijke mogelijkheden 15
    2. 9.2.2Gezondheid 15
    3. 9.2.3 Stress en coping 15
  14. 14 10.2 Lichamelijke ontwikkeling 16
    1. 10.2.1 Lichamelijke mogelijkheden 16
    2. 10.2.2 Gezondheid – ziekte en stress 17
  15. 15 11.2 Lichamelijke ontwikkeling 18
    1. 11.2.1 Lichamelijke veranderingen 18
    2. 11.2.2 Gezondheid en welzijn 19
  16. 16 3.6 Motorische ontwikkeling 20
    1. 3.6.1 Reflexen: onze aangeboren fysieke vaardigheden 20
    2. 3.6.2 Basisactiviteiten 20
  17. 17 4.3 Motorische ontwikkeling 21
    1. 4.3.1 Kijkstadium 21
    2. 4.3.2 Grijpstadium 21
    3. 4.3.3 Zitstadium 21
    4. 4.3.4 kruipstadium 21
    5. 4.3.5 Loopstadium 21
  18. 18 5.3 Motorische ontwikkeling 21
  19. 19 6.3 Motorische ontwikkeling 22
    1. 6.3.1 De grove motoriek 22
    2. 6.3.2 De fijne motoriek 22
    3. 6.3.3 Links- of rechtshandigheid 22
  20. 20 7.3 Motorische ontwikkeling 22
    1. 7.3.1 Lichaamsbeheersing en grove motoriek 22
    2. 7.3.2 Fijne motoriek 23
  21. 21 8.3 Motorische ontwikkeling 23
  22. 22 3.5 Sensoriële/ perceptuele ontwikkeling 24
    1. 3.5.1 Zien 24
    2. 3.5.2 Horen 24
    3. 3.5.3 Reuk en smaak 24
    4. 3.5.4 Voelen 24
  23. 23 4.4 Sensoriële/ perceptuele ontwikkeling 24
    1. 4.4.1 Zien 24
    2. 4.4.2 Horen 25
    3. 4.4.3 Reuk en smaak 25
    4. 4.4.4 Voelen: pijn en aanrakingen 25
    5. 4.4.5 Multimodale perceptie 25
  24. 24 5.4 Sensoriële (perceptuele) ontwikkeling 25
  25. 25 6.4 Sensoriële (perceptuele) ontwikkeling 26
  26. 26 7.4 Sensoriële (perceptuele) ontwikkeling 26
  27. 27 8.4 Perceptuele ontwikkeling 26
  28. 28 1. Piaget 27
    1. 1.1 Basisbegrippen 27
    2. 1.2 Uitgangspunten 29
  29. 29 4.5 Cognitieve ontwikkeling 29
    1. 4.6.3 Het senso-motorische stadium: de basis van de vroege cognitieve groei (de baby–peuter) 29
  30. 30 5.6 Cognitieve ontwikkeling 31
    1. 5.6.1 Het pre-operationeel stadium (peuter - kleuter) 31
  31. 31 7.6 Cognitieve ontwikkeling 35
    1. 7.6.1 Het concreet operationeel stadium 35
  32. 32 8.6 Cognitieve ontwikkeling 35
    1. 8.6.1 Het formeel operationeel stadium 35
    2. 8.6.2 Meningen over de visie van Piaget: steun en kritiek 36
  33. 33 2. Schaie: postformeel denken 36
  34. 34 9.3 Cognitieve ontwikkeling 36
    1. 9.3.1 Postformeel denken 36
  35. 35 3. Labouvie-Vief: pragmatisch denken 37
  36. 36 4. Perry: postformeel denken 37
    1. 9.3.2.2 Praktische en emotionele intelligentie 38
  37. 37 10.3 Cognitieve ontwikkeling 38
    1. 10.3.1 Vloeibare en gekristalliseerde intelligentie 38
    2. 10.3.2 Geheugen 38
    3. 10.3.3 Andere aspecten van het functioneren: competenties en expertise 38
  38. 38 10.2 Cognitieve ontwikkeling 39
    1. 10.2.1 Intelligentie bij ouderen 39
    2. 10.2.2 Geheugen: herinneringen van vroeger en nu 39
    3. 10.2.3 Leren op latere leeftijd 39
    4. 10.2.4 Wijsheid 40
  39. 39 3.8 Sociaal- emotionele ontwikkeling 40
  40. 40 4.9 Sociaal- emotionele ontwikkeling 40
    1. 4.9.1 De basis van sociaal gedrag 40
    2. 4.9.2 Hechting: het vormen van sociale banden 41
    3. 4.9.3 Interactie met baby’s 42
    4. 4.9.4 De sociale omgang van baby’s met leeftijdgenoten 42
  41. 41 5.10 Sociaal- emotionele ontwikkeling 43
    1. 5.10.1 De ontwikkeling van een eigen “ik” 43
    2. 5.10.2 Uitbreiden van sociale contacten 43
    3. 5.10.3 Emotionele ontwikkeling 43
  42. 42 6.9 Sociaal- emotionele ontwikkeling 45
    1. 6.9.1 Gehechtheid 45
    2. 6.9.2 Begrijpen wat anderen denken 45
    3. 6.9.3 Het ontstaan van vriendschappen 46
    4. 6.9.4 Agressief gedrag bij kleuters 46
  43. 43 7.10 Sociaal- emotionele ontwikkeling 46
    1. 7.10.1 Gehechtheid 46
    2. 7.10.2 Sociale relaties en vriendschappen 47
  44. 44 8.10 Sociaal- emotionele ontwikkeling 48
    1. 8.10.1 Loskomen van de ouders en het gezin 48
    2. 8.10.2 Aansluiten bij leeftijdgenoten 49
  45. 45 9.5 Sociale ontwikkeling 50
    1. 9.5.1 Partnerkeuze 50
    2. 9.5.2 Relaties 51
    3. 9.5.3 Werk en beroep 51
    4. 9.5.4 Maatschappelijke participatie / vrije tijd 51
    5. 9.5.5 Specifieke thema’s 51
  46. 46 10.5 De sociale ontwikkeling 52
    1. 10.5.1 De ‘sandwich generatie’ 52
    2. 10.5.2 Relaties 53
    3. 10.5.3 Maatschappelijke participatie / vrije tijd 53
    4. 10.5.4 Specifieke thema’s 54
  47. 47 11.5 De sociale ontwikkeling 55
    1. 11.5.1 Relaties 55
    2. 11.5.2 Werk en pensionering 56
    3. 11.5.3 Maatschappelijke participatie 56
    4. 11.5.4 Woonvormen 56
  48. 48 11.6 Sterven en de dood 56
    1. 11.6.1 Angst voor de dood 56
    2. 11.6.2 Het stervensproces (bij de persoon zelf) 57
  49. 49 1. Erik Erikson 57
  50. 50 4. 10 De persoonlijkheidsontwikkeling 59
    1. 4.10.1 Verschillen tussen baby’s: persoonlijkheid 59
    2. 4.10.2 Temperament 60
  51. 51 5.11 Persoonlijkheidsontwikkeling 61
  52. 52 6.10 Persoonlijkheidsontwikkeling 61
    1. 6.10.1 Zelfbeeld: nadenken over het ik 61
    2. 6.10.2 Zelfbewustzijn en zelfkennis 62
    3. 6.10.3 Genderidentiteit: het ontstaan van vrouwelijkheid en mannelijkheid 62
  53. 53 7.11 Persoonlijkheidsontwikkeling 62
    1. 7.11.1 Een nieuw antwoord op de vraag “wie ben ik?” 62
    2. 7.11.2 Eigenwaarde: het beeld dat kinderen van zichzelf ontwikkelen 63
  54. 54 8.11 Persoonlijkheidsontwikkeling 63
    1. 8.11.1 Zelfbeeld: beschrijving van het ik 63
    2. 8.11.2 Eigenwaarde: beoordeling van het “ik” 63
    3. 8.11.3 Egocentrisme 63
  55. 55 9.4 Persoonlijkheidsontwikkeling 65
  56. 56 10.3 Persoonlijkheidsontwikkeling 65
    1. 11.4.1.2 De ontwikkelingstaken van Peck 65
    2. 11.4.1.4 Het onderzoek van Neugarten 66
    3. 11.4.2 Gelukkig ouder worden 66
    4. 11.4.2.4 Selectieve optimalisering met compensatie 66
    5. 4.8.1 Wat is spelen en spelontwikkeling? 67
  57. 57 4.8 Spelontwikkeling 68
    1. 4.8.2 De spelontwikkeling bij de baby: bewegingsspel 68
  58. 58 5.8 Spelontwikkeling 68
    1. 5.8.1 Het beweging- of functiespel 68
    2. 5.8.2 Het fantasiespel (en imitatiespel) 68
    3. 5.8.3 Het constructiespel 68
    4. 5.8.4 De sociale ontwikkeling van het spel (Parten) 68
  59. 59 6.7 Spelontwikkeling 69
  60. 60 7.8 Spelontwikkeling 69
  61. 61 5.9 Tekenontwikkeling 70
  62. 62 6.8 Tekenontwikkeling 70
  63. 63 7.9 Tekenontwikkeling 70
  64. 64 5.12 Morele ontwikkeling 71
  65. 65 6.11 Morele ontwikkeling 71
    1. 6.11.1 Het geweten, moraliteit 71
    2. 6.11.2 De ontwikkeling van het geweten 71
    3. 6.11.2.1 Piagets visie op de morele ontwikkeling 71
    4. 6.11.2.2 Kohlberg 71
    5. 6.11.2.3 De sociale leertheorie en morele ontwikkeling 72
    6. 6.11.2.4 Modelling 72
    7. 6.11.2.5 Empathie en moreel gedrag 72
    8. 6.11.3 Aspecten van het geweten 72
  66. 66 7.12 Morele ontwikkeling 72
  67. 67 8.12 Morele ontwikkeling 73
  68. 68 4.7 Taalontwikkeling 74
    1. 4.7.1 De formele eigenschappen van de taal 74
    2. 4.7.2 De prelinguale of voortalige periode 74
  69. 69 5.7 Taalontwikkeling 75
    1. 5.7.1 De vroeg-linguale of eerste talige periode 75
    2. 5.7.2 De eerste woorden 75
    3. 5.7.3 De eerste zinnen 75
    4. 5.7.4 Babytaal 76
  70. 70 7.7 Taalontwikkeling 76
    1. 7.7.1 Voltooiingsfase 76
  71. 71 8.7 Taalontwikkeling 76

Infos sur le Document

Publié le
17 novembre 2025
Nombre de pages
76
Écrit en
2024/2025
Type
Resume
€10,14

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
lorevh1
4,0
(1)
Vendu
13
Abonnés
0
Éléments
25
Dernière vente
3 semaines de cela




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions